Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16255

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
NL 16 2549
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Oezbeek; dansjongen; indienen gronden beroep; herstel verzuim; ontvankelijk; concentratieproblemen; samenvatting asielrelaas

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL16.2549

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 december 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. A. Greve-Kortrijk

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. D. Berben.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. H. Hazim is opgetreden als telefonische tolk in de Oezbeekse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Afghaanse nationaliteit. Op 28 september 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft het volgende aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser stond op een door de imam opgestelde lijst van jongeren die vaak naar de moskee kwamen. Vervolgens is hij in 2015 door Talibanstrijders per scooter ontvoerd. Eén van deze strijders, genaamd [naam 2], was verre familie van eiser aan moederskant. Eiser is mishandeld en uiteindelijk diezelfde dag geboeid alleen buiten achtergelaten op ongeveer 20 minuten rijden van het dorp waar hij woonde. Toen de schemering inviel is eiser gevonden door een man die hem heeft verzorgd en hem heeft teruggebracht naar zijn dorp. Daarop is eiser naar huis teruggekeerd en heeft hij de nacht bij de buren doorgebracht. De volgende dag is eiser met zijn oom naar diens vriend gereisd en met deze vriend naar Iran gevlucht. Vervolgens is hij met een reisagent per auto naar Turkije gereisd. Na een maand is eiser doorgereisd naar Nederland. Eiser is gevlucht omdat hij vreest te worden ingezet als strijder voor de Taliban of als dansjongen (“bacha bazi”).

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de nationaliteit, identiteit en de herkomst van eiser geloofwaardig. Eisers gestelde ontvoering door de Taliban wordt echter niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft hierover vaag en summier verklaard en zijn verklaringen bevatten ongerijmdheden, aldus verweerder.

4. In beroep heeft eiser aangevoerd dat zijn relaas door verweerder ten onrechte als ongeloofwaardig is aangemerkt. Eisers verklaringen zijn, gelet op zijn achtergrond, jonge leeftijd en introverte aard, wel aannemelijk en logisch. Eiser heeft moeite zich te concentreren en zijn geheugen is niet goed. Hiermee is onvoldoende rekening gehouden bij de beoordeling van de verschillende elementen van zijn asielrelaas zoals die in het nader gehoor zijn besproken. Bovendien is eisers asielrelaas in het nader gehoor onjuist, want te beknopt, weergegeven. Als gevolg hiervan is de bestreden beschikking onzorgvuldig tot stand gekomen. Subsidiair komt eiser voor bescherming in aanmerking vanwege de kwetsbare positie van Oezbeken in Afghanistan. Tot slot vreest eiser vanwege zijn jonge leeftijd en Oezbeekse achtergrond te worden ingezet als dansjongen. Ten onrechte wordt hieraan in het bestreden besluit voorbijgegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.
Allereerst moet ambtshalve worden beoordeeld of de beroepsgronden tijdig zijn ingediend. Bij digitale brief van deze rechtbank van 19 september 2016 is eiser medegedeeld dat het beroep geen gronden bevat en is verzocht dit verzuim te herstellen binnen een termijn van vier weken na de dag van verzending van deze brief. Deze termijn is verstreken op 18 oktober 2016. In het digitale dossier staat echter bovenaan deze brief dat de termijn verloopt op 19 oktober om 15:25 uur. De rechtbank stelt vast dat een eenduidige termijn voor het herstellen van het verzuim ontbreekt en is van oordeel dat om die reden de gunstigste termijn voor eiser geldt. Eiser heeft blijkens het digitale dossier de gronden van beroep, gedateerd 18 oktober 2016, ingediend op 19 oktober 2016 om 14:44 uur. De gronden van het beroep zijn derhalve tijdig ingediend.

6. Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder het relaas van eiser niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt.

7. Voor zover eiser stelt dat zijn concentratieproblemen van dien aard zijn dat hij niet naar behoren zijn asielrelaas naar voren heeft kunnen brengen, wordt eiser daarin niet gevolgd. Uit het opvolgend advies van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht, naar aanleiding van het tweede medische onderzoek dat eiser op 23 december 2015 heeft ondergaan, blijkt dat er geen ziekten of beperkingen zijn vastgesteld die van invloed zijn op het horen en beslissen. Daarbij blijkt uit het rapport nader gehoor (pag. 3) dat eiser expliciet is gevraagd of hij in staat was het gehoor te doen, waarop eiser bevestigend heeft geantwoord. Tijdens het nader gehoor is regelmatig naar eisers welbevinden geïnformeerd, is herhaaldelijk gevraagd of hij een pauze wilde nemen en zijn ook daadwerkelijk regelmatig pauzes ingelast (zie rapport nader gehoor pp. 3, 4, 7, 9, 13, 15). Eiser heeft zelf ook verklaard dat het nader gehoor goed is verlopen (zie rapport nader gehoor pag. 17). Eiser heeft ook geen medische bescheiden overgelegd die een andere conclusie rechtvaardigen.

8. Eisers stelling dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen is omdat dit is gebaseerd op een te korte samenvatting van eisers asielrelaas wordt evenmin gevolgd. De samenvatting van eisers asielrelaas is weliswaar kort maar dit maakt op zichzelf nog niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen is. Eiser heeft tijdens het nader gehoor gezegd het met de gegeven samenvatting eens te zijn (zie rapport nader gehoor pag. 17), en later, in de correcties en aanvullingen, heeft eiser de samenvatting nog naar eigen inzicht aangevuld en/of verbeterd. Verweerders samenvatting bevat naar het oordeel van de rechtbank alle relevante elementen van het asielrelaas en deze zijn identiek aan die welke eiser in de correcties en aanvullingen vermeldt. Eiser heeft in beroep ook niet naar voren gebracht wat in de samenvatting zou ontbreken. Het woord ‘ontsnapping’ in de samenvatting is weliswaar niet gelukkig gekozen, maar blijkens de voorgaande pagina (rapport nader gehoor pag. 16) was het verweerder duidelijk dat eiser was achtergelaten. Daarbij komt dat verweerder zich blijkens het bestreden besluit in deze zaak niet heeft beperkt tot de beoordeling van de samenvatting van het asielrelaas, maar de gehele inhoud van eisers dossier heeft betrokken bij de besluitvorming. Deze beroepsgrond treft geen doel.

9. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat zijn asielrelaas ten onrechte als ongeloofwaardig is aangemerkt en dat zijn relaas past in het beeld dat uit betrouwbare bronnen naar voren komt, te weten de rekrutering van minderjarigen door de Taliban.

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat het aanhalen van een algemeen ambtsbericht en andere algemene bronnen onvoldoende is om eisers individuele asielrelaas geloofwaardig te maken. Verweerder heeft uitgebreid gemotiveerd waarom volgens hem het asielrelaas niet geloofwaardig is. Zo is het vreemd dat eiser niet in staat is meer informatie te geven over [naam 2], mede gelet op eisers verklaring dat dit een familielid van hem van moederskant is en dat hij deze persoon zo’n vijftig keer heeft ontmoet. Verder is het ongerijmd dat eiser eerst naar zijn huis wordt meegenomen alvorens te worden ontvoerd, dat niet alle jongens die op de lijst van de imam staan, maar alleen eiser werd ontvoerd, dat eiser alleen buiten is achtergelaten zodat hij relatief eenvoudig bevrijd kon worden en dat hij daarna in zijn dorp nog een nacht heeft verbleven, aldus verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de hierboven genoemde argumenten in het bestreden besluit voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser niet geloofwaardig worden geacht. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers asielrelaas niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt.

10. Met betrekking tot eisers beroep op bescherming vanwege het behoren tot de Oezbeekse bevolkingsgroep wordt het volgende overwogen. Niet in geschil is dat deze groep door verweerder is aangewezen als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Echter, het behoren tot een dergelijke groep is op zichzelf nog niet voldoende om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, respectievelijk artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Met geringe of beperkte indicaties moet aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde problemen verband houden met vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Gelet op de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat daarvan geen sprake is. Eiser heeft zich niet beroepen op specifieke individuele omstandigheden, maar slechts verwezen naar de positie van Oezbeken in het algemeen.

11. Ten slotte heeft eiser zich erop beroepen dat hij bij terugkeer naar Afghanistan gezien zijn leeftijd en etnische afkomst vreest te worden ingezet als dansjongen. In dit verband heeft eiser verwezen naar het rapport Causes and Consequences of Bachabazi in Afghanistan’ van de Afghanistan Independent Human Rights Commission.
Het enkele feit dat uit dit rapport blijkt dat het gebruik van kinderen als bacha bazi voorkomt in Afghanistan, is onvoldoende om aan te nemen dat eiser een reëel risico loopt als zodanig te worden ingezet. Niet alle jongeren worden immers ingezet als dansjongen. Eiser heeft als specifieke individuele omstandigheid aangevoerd (rapport nader gehoor pag. 16) dat hij vreest als dansjongen te worden ingezet omdat [naam 2] een machtig man is en hij aan Bachabazi doet. Eisers asielrelaas is echter, zoals hiervoor overwogen, door verweerder terecht als niet geloofwaardig aangemerkt. De gestelde vrees als dansjongen van [naam 2] of diens trawanten te worden ingezet is, nu deze is gebaseerd op het asielrelaas, daarom evenmin geloofwaardig. Eisers etnische afkomst behoeft zodoende in dit verband geen bespreking meer. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan ernstige schade.

12. De slotsom is dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van der Hell, griffier, op 20 december 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.