Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16158

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
C/09/507861 / HA RK 16-157
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Nederlanderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2017/848

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 16-157

Zaaknummer: C/09/507861

Datum beschikking: 13 oktober 2016

Beschikking op het op 8 maart 2016 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster],

verzoekster,

wonende in het Verenigd Koninkrijk,

advocaat: mr. S.S. Jangali te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen: de IND),

zetelend te Den Haag,

vertegenwoordigd door mr. C.J. Cappon.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 14 april 2016 van de IND;

- de brief d.d. 2 juni 2016 van de officier van justitie;

- de brief met bijlagen d.d. 30 augustus 2016 van de zijde van verzoekster;

- de brief met bijlagen d.d. 31 augustus 2016 van de zijde van verzoekster.

Op 1 september 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de advocaat van verzoekster;

  • -

    mevrouw [naam], de moeder van verzoekster, bijgestaan door de heer [tolk], tolk in de Engelse taal;

  • -

    mr. C.J. Cappon namens de IND.

De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank vaststelt dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit bezit, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en veroordeling van de IND in de kosten van dit geding.

De IND stelt zich op het standpunt dat verzoekster in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen. De IND heeft hiertoe aangevoerd dat het verzoek een herhaald verzoek ex artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) betreft terwijl er geen sprake is van relevante nieuwe feiten of omstandigheden.

De officier van justitie heeft schriftelijk verklaard dat zij zich aansluit bij het standpunt van de IND.

Feiten

  • -

    Verzoekster is geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Ghana). Zij verkreeg bij haar geboorte de Ghanese nationaliteit door afstamming van een ongehuwde moeder met de Ghanese nationaliteit.

  • -

    De moeder van verzoekster is op [datum] gehuwd met een Nederlandse man. Zij heeft op 21 juni 1983 krachtens artikel 8 van de destijds geldende Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) op grond van dat huwelijk de Nederlandse nationaliteit verkregen. Verzoekster heeft niet meegedeeld in de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    De moeder van verzoekster heeft op 5 juni 1985 namens verzoekster een optieverklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap afgelegd als bedoeld in artikel 27 lid 2 van de destijds geldende RWN. Hierbij heeft verzoekster haar Ghanese nationaliteit behouden.

  • -

    Bij beschikking d.d. 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:766) heeft de Hoge Raad vastgesteld dat verzoekster van 5 juni 1985 tot 1 april 2013 de Nederlandse nationaliteit bezat. De Hoge Raad heeft daarbij geoordeeld dat verzoekster per 1 april 2013 het Nederlanderschap heeft verloren en daarom het verzoek van verzoekster om vast te stellen dat zij (op dat moment) de Nederlandse nationaliteit bezat afgewezen.

Beoordeling

In geschil is of verzoekster ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN op 1 april 2013 het Nederlanderschap heeft verloren.

Het op 1 april 2003 in werking getreden artikel 15 RWN luidt thans – voor zover hier van belang –:

“1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:

(…)

c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid

gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide

nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van

toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is

vertegenwoordigd (..).

(…)

3. De periode bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten heeft, dan wel in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.

(…)”

Ingevolge artikel IV van de Rijkswet tot wijziging van de RWN vangt de verliestermijn van artikel 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN niet eerder aan dan op 1 april 2003.

Op 1 april 2003 was verzoekster meerderjarig en had zij naast de Nederlandse nationaliteit tevens een vreemde – de Ghanese – nationaliteit. In de procedure die heeft geleid tot de beschikking van de Hoge Raad d.d. 27 maart 2015 heeft de Hoge Raad als vaststaand aangenomen (rechtsoverweging 3.9.2) dat verzoekster vanaf 1 april 2003 en derhalve ten tijde van de beschikking langer dan 10 jaar ononderbroken haar hoofdverblijf had in Ghana. Op grond van dit uitgangspunt heeft de Hoge Raad geoordeeld dat verzoekster ingevolge artikel 15, lid 1 aanhef en onder c, RWN tien jaar na 1 april 2003, derhalve op 1 april 2013 de Nederlandse nationaliteit had verloren.

Dit uitgangspunt stelt verzoekster in deze procedure ter discussie. Zij stelt thans dat zij tot eind september 2005 haar hoofdverblijf in Nederland heeft gehad en dat zij pas begin oktober 2005 naar Ghana is gereisd. Volgens haar is de verliestermijn als bedoeld in voormeld artikel 15, lid 1 aanhef en onder c RWN voor haar dus pas begin oktober 2005 aangevangen. Vervolgens is zij 14 december 2014 en dus binnen de termijn van tien jaar de Europese Unie ingereisd, waardoor de verliestermijn is gestuit. Verzoekster is van mening dat zij daardoor nog altijd in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

Ter onderbouwing van haar stelling dat zij tot eind september 2005 haar hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, heeft verzoekster onder meer een afsprakenkaart van verloskundigenpraktijk [naam van de wijk] in het geding gebracht, waaruit blijkt dat met haar afspraken zijn gepland op 30 juni 2005, 27 juli 2005, 24 augustus 2005, 21 september 2005 en 29 september 2005.

De IND stelt zich op het standpunt dat verzoekster met de door haar overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat zij in de periode na 1 april 2003 nog haar hoofdverblijf in Nederland heeft gehad.

De rechtbank stelt voorop dat zij in beginsel de feiten en omstandigheden zoals deze na beoordeling door de Hoge Raad zijn aangenomen in de beschikking van 27 maart 2015, tot uitgangspunt neemt. Het ligt op de weg van verzoekster om nieuwe feiten te stellen en zo nodig te bewijzen die een andere conclusie wettigen ten aanzien van het aanvangsmoment van het ononderbroken hoofdverblijf van verzoekster in Ghana dan het moment waarvan de Hoge Raad is uitgegaan (1 april 2003). Verzoekster dient derhalve feiten te stellen waaruit volgt dat zij pas nadien (naar eigen zeggen vanaf oktober 2005) ononderbroken in Ghana haar hoofdverblijf heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster hiertoe onvoldoende heeft gesteld.

Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het begrip hoofdverblijf – in artikel 1 lid 1, aanhef en onder h, RWN omschreven als de plaats waar een persoon zijn feitelijke woonstede heeft – een strikt feitelijke inhoud heeft. Volgens vaste jurisprudentie kan als woonstede worden aangemerkt de woning waar iemand werkelijk woont, waar hij de zetel van zijn fortuin heeft, zijn zaken behartigt, zijn goederen en eigendommen beheert, kortom de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en tevens met het plan om, als dat doel is bereikt, terug te keren. Onder de feitelijke omstandigheden die voor de vaststelling van de woonstede van belang zijn, heeft de plaats waar iemand regelmatig ‘s nachts slaapt de grootste betekenis. Een (enkele) inschrijving in de basisregistratie personen is naar het oordeel van de rechtbank daarbij niet doorslaggevend.

Weliswaar kan uit de overgelegde stukken worden opgemaakt dat in de maanden juni, juli, augustus en september 2005 voor haar afspraken met een verloskundige in Nederland zijn gepland, maar daarmee heeft is naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat zij in het tijdvak van 1 april 2003 tot en met september 2005 haar hoofdverblijf heeft gehad in Nederland in de zin zoals hierboven bedoeld. Het had op de weg van verzoekster gelegen om bijvoorbeeld informatie over de woning(en) waarin zij destijds (naar haar stelling) in Nederland woonde en de activiteiten die zij (naar haar stelling) in Nederland verder heeft ondernomen in het geding te brengen. Verzoekster heeft haar stellingen op dit punt evenwel niet onderbouwd, terwijl uit de wel in het geding gebrachte informatie niet blijkt dat zij pas vanaf oktober 2005 ononderbroken hoofdverblijf in Ghana heeft gehad. Het door haar gestelde is derhalve onvoldoende feitelijk onderbouwd. Niet kan dan ook worden gezegd dat het uitgangspunt van de Hoge Raad dat zij vanaf 1 april 2003 ononderbroken hoofdverblijf in Ghana heeft gehad, op grond van na zijn beschikking bekend geworden feiten en omstandigheden onjuist is geweest. Het verzoek zal worden afgewezen.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling over te gaan. De rechtbank zal de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Sluymer, M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en S.M. Westerhuis-Evers, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2016.