Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16074

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
09/807977-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft geprobeerd een zwaar stuk vuurwerk, dat hij op een raam van een woning had geplakt, tot ontploffing te brengen. Het tot ontploffing brengen van vuurwerk is een delict met een sterk gevaarzettend karakter ten aanzien van goederen in de omgeving van voornoemd explosief alsook voor de op dat moment in de woning aanwezige personen. Het is niet aan het handelen van de verdachte te danken dat de ontploffing niet heeft plaatsgevonden. De buitenlamp in de achtertuin van de woning, die voorzien is van een bewegingssensor, sprong aan en op deze manier werden de bewoners op de aanwezigheid van het tegen het raam geplakte vuurwerk geattendeerd. Eerder waren er ook al 2 Cobra’s bij de verdachte aangetroffen. De verdachte heeft zich voorts samen met een ander tot tweemaal toe schuldig gemaakt aan een inbraak in een woning. Door woninginbraken wordt - vaak grote - materiële schade toegebracht aan de slachtoffers. Ook worden er vaak goederen gestolen met emotionele waarde. Zo hebben de verdachte en zijn mededader in Rijswijk een groot aantal sieraden weggenomen. De affectieve waarde van deze sieraden kan niet in geld worden uitgedrukt. De verdachte en zijn mededader hebben zich hieraan niets gelegen laten liggen en alleen maar aan hun eigen geldelijk gewin gedacht.

Bovendien wordt door een woninginbraak een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en omwonenden. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0066
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/807977-15; 09/837307-16 (t.t.g.); 09/096561-15 (t.t.g);

09/119170-15 (t.t.g.)

Datum uitspraak: 22 december 2016

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1999,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 8 december 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.M. Offers en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. F. van Dijk, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

09/807977-15

1.

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Den Haag tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door (telkens) een voor

ontploffing geschikt (zwaar) stuk vuurwerk (te weten een Cobra 6), aan/op een of meer ruit(en) van (een) woning(en) (gelegen aan de [adres 2] en/of gelegen aan de [adres 3] te bevestigen/te plakken en/of (vervolgens) (telkens) (open) vuur in aanraking te brengen met de lont van dat vuurwerk en/of de lont van dat vuurwerk aan te steken en/of de lont van dat vuurwerk tot ontbranding te brengen, waardoor dat vuurwerk (telkens) tot ontploffing is gekomen en/of de ruit(en) is/zijn gebroken/verbroken, terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor die woning(en) en/of de in de woning(en) aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning(en) aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Den Haag tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk twee, althans één ruit(en) van (een)

woning(en) (gelegen aan de [adres 2] en/of gelegen aan de [adres 3] in elk geval enig(e) goeder(en), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/ [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of diens mededader(s), heeft/hebben vernield

en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een Cobra 6, althans een (zwaar) stuk vuurwerk op de ruit(en) van die woning(en) te bevestigen/te plakken en/of (vervolgens) tot ontploffing te brengen, waardoor die ruit(en) is/zijn verbroken/gebroken.

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Hij in of omstreeks de periode van 6 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Den Haag tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 3] ) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 110,- euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, te weten door een Cobra 6, althans een (zwaar) stuk vuurwerk op de ruit te bevestigen/te plakken en/of tot ontploffing te brengen, waarna verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) door de verbroken/gebroken ruit, de woning is/zijn binnengetreden.

art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3.

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Den Haag ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar te

duchten was, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een voor ontploffing geschikt (zwaar) stuk vuurwerk (te weten een Cobra 6) aan/op een ruit van een woning (gelegen aan de [adres 4] ) te bevestigen/plakken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Den Haag ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning (gelegen aan de [adres 4] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en of diens mededader(s), te vernielen en/of te beschadigen door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een Cobra 6, althans een (zwaar) stuk vuurwerk op de ruit van die woning te bevestigen/plakken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

09/837307-16

1.

hij op of omstreeks 1 januari 2015 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 5] heeft weggenomen een (aantal) siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten het inslaan en/of forceren van een deur en/of een raam en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 1 januari 2015 te Rijswijk opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door tegen die auto aan te lopen en/of over die auto heen te klimmen;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

09/096561-15

Hij op of omstreeks 23 december 2014 te 's-Gravenhage, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, te weten twee, althans één of meer stuk(s) knalvuurwerk met lont (Super Cobra 6 2G), terwijl dat bestemd was voor particulier gebruik,

voorhanden heeft gehad;

art 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit

09/119170-15

hij op of omstreeks 31 oktober 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 6] (onder andere) heeft weggenomen:

- een Xbox 360 (met bijbehorende controller(s) en/of kabel(s)) en/of

- een oplader voor de Xbox en/of

- een Playstation Sony en/of

- een oplader(s) voor mobiele telefoon(s) (merk Samsung) en/of

- twee, althans een, mobiele telefoon(s)(merk Samsung Galaxy) en/of

- 3, althans een (of meerdere) setje(s) oordoppen en/of

- een afstandbediening (merk Denon) en/of

- een route planner (merk Garmin) en/of

- een Pools paspoort op naam van [benadeelde 8] (geboren [geboortedatum] ) en/of

- een Samsung fototoetstel en/of

- een en/of meerdere siera(a)d(en) en/of een sieradendoosje,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [naam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door het (cilinder)slot op de voordeur open te breken en/of te forceren, in elk geval door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich in de periode van

31 oktober 2014 tot en met 8 februari 2015 schuldig heeft gemaakt aan zeven hem verweten strafbare feiten.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09/807977-15 (dagvaarding I) onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 09/837307-16 (dagvaarding II) onder 1 en 2 ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 09/096561-15 (dagvaarding III) ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 09/119170-15 (dagvaarding IV) ten laste gelegde heeft begaan.

Zij heeft in de zaak met parketnummer 09/807977-15 (dagvaarding I) ter onderbouwing van haar standpunt ten aanzien van feit 1 primair, 2 en 3 primair aangegeven dat het opvallend is dat in een periode van een paar dagen bij drie huizen, die vlak bij elkaar staan, een zwaar stuk vuurwerk op de ruit is geplakt en dit vuurwerk tot ontploffing is gebracht dan wel de intentie daartoe bestond.

Gelet op deze modus operandi kan het, aldus de officier van justitie, niet anders dan dat deze feiten door dezelfde dader zijn gepleegd. Op 7 februari 2016 is bij de woning aan de [adres 4] te Den Haag geprobeerd een ontploffing teweeg te brengen, maar dit is niet gelukt omdat de bewoners thuis waren. Op de Cobra 6 en de ducttape dat is gebruikt om het stuk vuurwerk tegen de ruit te plakken is DNA van de verdachte aangetroffen. De verklaring van de verdachte dat hij dit ducttape in de garage waar hij werkt heeft aangeraakt acht de officier van justitie niet geloofwaardig. De officier van justitie acht feit 3 primair, de poging een ontploffing teweeg te brengen, dan ook wettig en overtuigend bewezen. Zij acht het bestanddeel in vereniging niet bewezen noch het levensgevaar.

Gelet op de modus operandi, de omstandigheid dat de ducttape dat bij de woning aan de [adres 3] is gebruikt zeer waarschijnlijk van dezelfde rol afkomstig is als de ducttape dat is gebruikt bij de woning aan de [adres 4] , alsook het gegeven dat de telefoon van de verdachte in de nabijheid van de woningen een zendmast heeft aangestraald, acht de officier van justitie ook de diefstal door middel van het teweeg brengen van een ontploffing en het teweeg brengen van een ontploffing op het adres [adres 3] ten laste gelegd onder feit 1 primair en feit 2, wettig en overtuigend bewezen.

Het teweeg brengen van een ontploffing op de [adres 2] is volgens de officier van justitie te bewijzen op grond van het aantreffen van een soortgelijke ducttape als bij de andere twee adressen is gebruikt, de zendmastgegevens en de modus operandi.

Zij acht ten aanzien van feit 1 primair het bestanddeel in vereniging niet bewezen noch het levensgevaar.

De officier van justitie heeft voorts in haar onderbouwing van de bewezenverklaring van de zaak met parketnummer 09/837307-16 (dagvaarding II) met betrekking tot feit 1 aangegeven dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij één van de jongens was die in de woning aanwezig was en de trap kwam afgelopen, terwijl voorts zijn DNA op de auto van [naam 3] is aangetroffen. De officier van justitie heeft hierbij voorts meegedeeld dat [medeverdachte] inmiddels voor dit feit is veroordeeld.

Ter onderbouwing van haar standpunt in de zaak met parketnummer 09/096561-15 (dagvaarding III) heeft de officier van justitie aangegeven dat de verklaring van de verdachte dat hij het plastic tasje met daarin twee Super Cobra’s, ducttape en handschoenen, heeft gevonden, niet geloofwaardig is. Verbalisanten kwamen ter plaatse omdat de verdachte en zijn vrienden zich in de binnentuin van een wooncomplex bevonden, waar zij niet wonen. Zodra de verdachte de verbalisanten zag, legde hij de plastic tas weg.

Het feit kan, aldus de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ook de zaak met parketnummer 09/119170-15 (dagvaarding IV) kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel aanwezig was in het flatgebouw aan de [adres 6] te Rotterdam, maar heeft ontkend in de woning aanwezig te zijn geweest en spullen te hebben weggenomen. De officier van justitie heeft aangegeven deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig te vinden, nu er op de binnenkant van een plastic handschoen die in het bewuste flatgebouw is aangetroffen DNA van de verdachte is aangetroffen en op de camerabeelden te zien is dat de verdachte, die een rood trainingspak draagt, een zwart met oranje basic fit tas draagt, in welke tas inbrekerswerktuigen zijn aangetroffen. Dat de verdachte op de 16e etage van het flatgebouw hijgend en transpirerend is aangetroffen, terwijl hij zich in een nis verstopte, weegt daarbij ook mee.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/807977-15 (dagvaarding I) onder 1 primair en subsidiair, 2 en 3 primair en subsidiair vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft ten aanzien van het incident aan de [adres 2] gesteld dat er op de plaats delict geen sporen zijn gevonden die matchen met het profiel van de verdachte en dat ook uit de zendmastgegevens niet kan worden opgemaakt dat de verdachte op het tijdstip van de ontploffing in de nabijheid van de woning aan de [adres 2] aanwezig was.

Dat bij de woning aan de [adres 4] op de ducttape en de Cobra DNA van de verdachte is aangetroffen, maakt nog niet dat dit incident bewezen kan worden verklaard. Het DNA van de verdachte kan, aldus de raadsman, ook op een andere manier op de ducttape terecht zijn gekomen, althans dit is niet zonder redelijke twijfel uit te sluiten.

Ook uit de zendmastgegevens kan niet worden vastgesteld dat de verdachte in de nabijheid van deze woning was, aangezien de telefoon van de verdachte rond 19.30 uur, het tijdstip waarop aangevers de buitenlamp in de tuin hebben zien aangaan, een onbekende mast, in ieder geval geen zendmast in de buurt van de plaats delict, aanstraalde.

Ook ten aanzien van de woning aan de [adres 3] kunnen, aldus de raadsman, de zendmastgegevens niet bijdragen aan het bewijs, niet alleen omdat het exacte tijdstip van de inbraak onbekend is, maar omdat ook beide zendmasten te ver verwijderd zijn van de plaats delict om uitsluitsel te kunnen bieden. Dat de ducttape die op de [adres 3] is aangetroffen mogelijk van dezelfde rol afkomstig is als de tape die is aangetroffen op de [adres 4] , maakt ook niet dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen. Dit is het enige bewijsmiddel dat naar de verdachte zou wijzen. Zelfs in geval de schakelbewijsredenering zou worden toegepast blijft, aldus de raadsman, de bewijsconstructie te mager.

De raadsman heeft in de zaak met parketnummer 09/096561-15 (dagvaarding III) betoogd dat de verdachte onmiddellijk heeft aangegeven dat het vuurwerk niet van hem was en dat hij het op straat had gevonden. Ook heeft de verdachte, gezien zijn lage intelligentie, niet door gehad dat het illegaal vuurwerk betrof.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/837307-16 (dagvaarding II) en de zaak met parketnummer 09/1191670-15 (dagvaarding IV) heeft de raadsman geen inhoudelijk verweer gevoerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/807977-15 (dagvaarding I) het volgende af. 1

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3

In de periode van 6 februari 2015 tot 8 februari 2015 is er op de ruiten van een drietal woningen te Den Haag een zwaar stuk vuurwerk, te weten een Cobra 6, geplakt met ducttape. De woningen lagen hemelsbreed een paar honderd meter van elkaar vandaan.

Bij de woning aan de [adres 2] te Den Haag (feit 1) is door het tot ontploffing brengen van een Cobra het raam van de schuifpui aan de achterzijde van de woning vernield. Op 6 februari 2015 omstreeks 20.15 uur hoorde de buurvrouw van [benadeelde 1] een harde knal en heeft zij de aangever ervan op de hoogte gesteld dat het raam aan de achterzijde van zijn woning kapot was. Er zijn geen goederen uit de woning weggenomen.2

Op 7 februari 2016 omstreeks 19.30 uur zagen de bewoners van de woning aan de [adres 4] (feit 3) te Den Haag dat de buitenlamp in de achtertuin, die via een bewegingssensor werkt, aan ging. Ze zijn gaan kijken en op het midden van de ruit van de achterpui zat een groot stuk vuurwerk met ducttape aan de ruit geplakt.3

Op de rugzijde van het bij deze woning gebruikte ducttape en op het etiket van het vuurwerk, een Cobra 6, wordt DNA van de verdachte aangetroffen.45

Op deze zelfde avond, 7 februari 2015, tussen 21.00 en 21.30 uur hebben enkele buren van de woning aan de [adres 3] (feit 1 en 2) een harde knal gehoord.6 Op 8 februari 2015 omstreeks 8.00 uur ontdekte de kleinzoon van [benadeelde 2] dat er was ingebroken en dat men het raam aan de achterzijde van de woning had opgeblazen.

De woning was doorzocht en er was een geldbedrag van 110,- weggenomen.7

De verdachte heeft bij de politie ontkend de hem bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd.8 Ook ter terechtzitting heeft de verdachte meegedeeld niets met de ontploffingen en/of de woninginbraak te maken te hebben gehad. De verdachte heeft voorts verklaard dat het kan zijn dat zijn DNA op de ducttape is aangetroffen, omdat iemand de ducttape uit de garage waar hij werkt heeft meegenomen en hij de ducttape ooit heeft aangeraakt.9

Gelet op het aangetroffen DNA van de verdachte op de rugzijde van de ducttape en op het etiket van de Cobra 6, waar de verdachte - naar het oordeel van de rechtbank - geen aannemelijke verklaring voor heeft gegeven, bezien in samenhang met de aangifte van

[benadeelde 3] , is de rechtbank van oordeel dat de verdachte geprobeerd heeft een ontploffing teweeg te brengen door een Cobra 6 met ducttape aan de ruit van de woning gelegen aan de [adres 4] 80 te Den Haag te plakken. Nu de bewoners op het moment van deze poging thuis waren, was er op dat moment niet alleen sprake van gevaar voor goederen, maar ook van levensgevaar.

De rechtbank acht, gelet hierop, feit 3 primair van dagvaarding I wettig en overtuigend bewezen.

Hoewel het dossier aanwijzingen bevat dat de verdachte ook degene kan zijn geweest die een Cobra tot ontploffing heeft gebracht bij de woning aan de [adres 2] en de woning aan de [adres 3] zoals de modus operandi, het gegeven dat de woningen hemelsbreed slechts een paar honderd meter van elkaar gelegen zijn en de omstandigheid dat de ducttape die is gebruikt bij de woning aan de [adres 4] zeer waarschijnlijk van dezelfde rol komt als de ducttape die is gebruikt bij de woning aan de [adres 3] , is dit onvoldoende om wettig en overtuigend bewezen te kunnen verklaren dat de verdachte op 6 febuari 2015 rond 20.15 uur in de buurt van de woning aan de [adres 2] was en dat hij op 7 februari 2015 tussen 21.00 en 21.30 uur in de buurt van de woning aan de [adres 3] was en de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.

Hierbij speelt tevens mee de omstandigheid dat de zendmastgegevens niet ondersteunen dat de (telefoon van de) verdachte op 6 februari 2015 rond 20.15 uur in de buurt van de woning aan de [adres 2] aanwezig was, noch dat hij/deze op 7 februari 2015 tussen 21.00 en 21.30 uur in de buurt van de woning aan de [adres 3] aanwezig was. Op het moment dat de buurtbewoners van de woning aan de [adres 3] op 7 februari 2015 tussen 21.00 en 21.30 uur een harde knal hoorden, was (de telefoon van) de verdachte blijkens de zendmastgegevens in het centrum van de stad, in de buurt van de Lijnbaan.

Alles overwegende zal de rechtbank de verdachte dan ook vrijspreken van de hem bij dagvaarding I onder 1 primair en subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/837307-16 (dagvaarding II) het volgende af. 10

Ten aanzien van feit 1 en 2

Op 1 januari 2015 omstreeks 02.25 uur kwam [benadeelde 4] (verder: de aangeefster) samen met haar man thuis in hun woning aan de [adres 5] te Rijswijk. Zij hoorde haar man schreeuwen en zag twee mannen, in het donker gekleed, de trap af komen rennen. Zij duwden haar man opzij en verlieten via de achterzijde de woning. Ze zijn dwars door de het raam van de achterdeur gegaan. Haar man is achter de daders aangerend. Er zijn diverse sieraden weggenomen.11

Op 31 december 2014 om 19.30 uur is de auto van de dochter van de aangeefster in goede orde zonder schade geparkeerd en op 1 januari 2015 omstreeks 2.45 uur zaten er krassen op.12

De man van de aangeefster is achter de daders aangerend. De man met de bruine jas, die ongeveer 20 jaar was, ongeveer 1.80 meter lang en licht getint, heeft zich aldus de man van de aangeefster waarschijnlijk verwond toen hij door het raam van de achterdeur ging.

Dit was al verbroken. Hij zag de man met de bruine jas over de auto van zijn dochter heen gaan.13

Op de voorklep van de auto zaten enkele vegen en twee op bloed gelijkende druppels.14 Onderzoek van deze druppels leverde DNA van de verdachte op.15

De zoon van de aangeefster rende, op verzoek van zijn moeder, naar de achterzijde van de woning en rende tegen één van de daders aan, die geheel in het zwart was gekleed.

Deze jongen liet op zijn vlucht een pet vallen.16 Onderzoek van deze pet leverde DNA van [medeverdachte] op.17

De zoon van de aangeefster liep de route nogmaals met een zaklamp en vond allerlei sieraden van zijn ouders. Kettingen, armbanden en een ring.18

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij één van de jongens was die in de woning van de trap af kwamen lopen. De verdachte heeft ontkend spullen te hebben weggenomen en wil niet zeggen wie de tweede jongen is. Hij heeft voorts verklaard dat hij er pas veel later achter kwam dat hij gewond was.19

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een ander, te weten [medeverdachte] , sieraden heeft weggenomen uit de woning aan de [adres 5] te Rijswijk en dat hij en zijn mededader zich de toegang tot de woning hebben verschaft door middel van het inslaan van een raam. De rechtbank acht feit 1 van dagvaarding II dan ook wettig en overtuigen bewezen.

Dit is anders ten aanzien van feit 2. Hoewel de verdachte blijkens de verklaring van [getuige] over de auto van zijn dochter is gegaan, kan de rechtbank uit de beperkte informatie die in het dossier voorhanden is niet vaststellen dat de krassen het gevolg zijn van deze handeling van de verdachte en dat de verdachte zich aldus schuldig heeft gemaakt aan beschadiging van de auto.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het hem bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde feit.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/096561-15 (dagvaarding III) het volgende af. 20

Op 23 december 2014 omstreeks 21.50 uur wordt de verdachte aangehouden, terwijl hij met twee andere jongens in een binnentuin van een wooncomplex aan de [adres 7] te Den Haag is, waar de verdachte niet woonachtig is. Verbalisanten hebben de verdachte en de twee andere jongens gecontroleerd op grond van de Wet op de identificatieplicht. De verdachte had geen identiteitsbewijs bij zich en de verbalisanten hebben de verdachte aangehouden. De verbalisanten hebben gezien dat de verdachte een plastic tasje van H&M op de grond legde alvorens hij werd aangehouden. Desgevraagd zei de verdachte dat het tasje niet van hem was. Verbalisanten zagen dat er in het tasje twee Cobra’s zaten. Aangezien dit zwaar vuurwerk is, hebben de verbalisanten de Cobra’s in beslag genomen.21

Uit onderzoek is gebleken dat het 2 Cobra’s 6 2G betreft, zijnde knalvuurwerk met lont, vermeld op lijst III, behorend bij de Richtlijn Strafvordering voor Vuurwerkdelicten.22

De verdachte heeft bij de politie23 en ook ter terechtzitting24 verklaard dat het vuurwerk niet van hem was, omdat hij het tasje met daarin 2 Cobra’s, ducttape en handschoenen had gevonden en het bij de politie wilde inleveren.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig, met name niet nu hij toen de politie hem aansprak, geen melding heeft gemaakt van het vuurwerk dat hij bij zich had. Het enkele aantreffen van de 2 Cobra’s in een tasje dat de verdachte in zijn bezit had, is voldoende om het bij dagvaarding III ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/119170-15 (dagvaarding IV) het volgende af. 25

Op 31 oktober 2014 te 20.10 uur zag de bewoner van de woning aan de [adres 6] dat er in de woning aan de [adres 8] te Rotterdam werd ingebroken. Hij hoorde een boorgeluid. De daders zijn kennelijk de woning binnen gekomen door middel van het verbreken van het cilinderslot. In de woning zijn alle ruimtes doorzocht en ook de kasten en lades. Uit de woning is een groot aantal goederen weggenomen, waaronder sieraden en een Pools paspoort.

De daders zijn door de buurman gezien en via het trappenhuis naar boven gevlucht.26

De politie kwam meteen na de melding ter plaatse en direct werden de uitgangen van het flatgebouw bewaakt. Het flatgebouw werd doorzocht en op de vijfde etage stond de deur naar nummer 42 open. Op de 16e etage werd de verdachte aangetroffen, hevig transpirerend en verstopt in een nis.27

In het trappenhuis op de vierde etage werden twee sporttassen aangetroffen. Dit betrof een zwart met oranje sporttas met de tekst “Basic Fit”, waarin een aantal inbrekerswerktuigen waaronder een slotentrekker werden aangetroffen, en een blauwe tas met witte letters met de tekst “Adidas”. In deze tas werden diverse goederen, waaronder een spelcomputer, een Xbox 360 en een paspoort op naam van [benadeelde 8] aangetroffen. In het trappenhuis op de vijfde etage werd een televisie aangetroffen die door de aangeefster [benadeelde 7] als zijnde haar eigendom werd herkend. Op het plateau van de vierde etage werd een paar wergwerphandschoenen aangetroffen.28

Aan de binnenzijde van de linkerhandschoen is DNA van de verdachte aangetroffen.29

Op de camerabeelden die zijn opgenomen in de toegangshal van de flat aan de [adres 9] is te zien dat de verdachte, die een rood trainingspak aan had, met een zwarte sporttas met rode/oranje banen over de zijkant op een bankje in de hal van de flat zat en even later met een andere man de lift in stapte. Nog later is te zien dat de verdachte door verbalisanten is aangehouden en wordt afgevoerd.30

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die dag bij de woning aan de [adres 8] te Rotterdam aanwezig was, maar dat hij niet in de woning is geweest en verder niet aan de inbraak heeft meegedaan. De verdachte herkent zichzelf als zijnde degene die op de camerabeelden een rood trainingspak aan had en die de zwart met oranje Basic Fit tas heeft gedragen.31

De rechtbank is, gelet op vorenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien van oordeel dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de inbraak in de woning gelegen aan de [adres 8] te Rotterdam en acht aldus het feit op dagvaarding IV wettig en overtuigend bewezen.

De verklaring van de verdachte dat hij wel bij de woning aanwezig was, maar verder niet aan de inbraak heeft deelgenomen acht de rechtbank gelet op voornoemde bewijsmiddelen ongeloofwaardig.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

09/807977-15 (dagvaarding I)

3.

hij op een tijdstip in de periode van 6 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Den Haag ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten was, met dat opzet een voor ontploffing geschikt zwaar stuk vuurwerk (te weten een Cobra 6) op een ruit van een woning (gelegen aan [adres 4] te plakken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

09/837307-16 (dagvaarding II)

1.

hij op 1 januari 2015 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres 5] heeft weggenomen sieraden,

toebehorende aan [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, te weten het inslaan van een raam;

09/096561-15 (dagvaarding III)

hij op 23 december 2014 te 's-Gravenhage, opzettelijk, professioneel vuurwerk, te weten twee stuks knalvuurwerk met lont (Super Cobra 6 2G), voorhanden heeft gehad;

09/119170-15 (dagvaarding IV)

hij op 31 oktober 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 9] heeft weggenomen:

- een Xbox 360 (met bijbehorende controllers en/of kabels) en

- een oplader voor de Xbox en

- een Playstation Sony en

- een oplader voor mobiele telefoon en

- twee mobiele telefoons (merk Samsung Galaxy) en

- 3 setjes oordoppen en

- een afstandsbediening (merk Denon) en

- een routeplanner (merk Garmin) en

- een Pools paspoort op naam van [benadeelde 8] (geboren 19-11-1994) en

- een Samsung fototoestel en

- sieraden en een sieradendoosje,

toebehorende aan [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door het cilinderslot op de voordeur open te breken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, rekening houdend met het tijdsverloop tussen het begaan van de feiten en de behandeling ter terechtzitting, gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 190 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 119 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering inclusief meldplicht en het naar zijn werk blijven gaan, en tot een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot bewezenverklaring van één of meerdere feiten komt, bepleit aan de verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht op te leggen maar een werkstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel, als stok achter de deur.

Het pedagogische karakter dient, aldus de raadsman, voorop te staan nu vergelding door het tijdsverloop tussen het begaan van de feiten en de berechting hiervan op de achtergrond is geraakt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft geprobeerd een zwaar stuk vuurwerk, dat hij op een raam van een woning had geplakt, tot ontploffing te brengen. Het tot ontploffing brengen van vuurwerk is een delict met een sterk gevaarzettend karakter ten aanzien van goederen in de omgeving van voornoemd explosief alsook voor de op dat moment in de woning aanwezige personen. Het is niet aan het handelen van de verdachte te danken dat de ontploffing niet heeft plaatsgevonden.

De buitenlamp in de achtertuin van de woning, die voorzien is van een bewegingssensor, sprong aan en op deze manier werden de bewoners op de aanwezigheid van het tegen het raam geplakte vuurwerk geattendeerd.

Eerder waren er ook al 2 Cobra’s bij de verdachte aangetroffen.

De verdachte heeft zich voorts samen met een ander tot tweemaal toe schuldig gemaakt aan een inbraak in een woning.

Door woninginbraken wordt - vaak grote - materiële schade toegebracht aan de slachtoffers. Ook worden er vaak goederen gestolen met emotionele waarde. Zo hebben de verdachte en zijn mededader in Rijswijk een groot aantal sieraden weggenomen. De affectieve waarde van deze sieraden kan niet in geld worden uitgedrukt. De verdachte en zijn mededader hebben zich hieraan niets gelegen laten liggen en alleen maar aan hun eigen geldelijk gewin gedacht.

Bovendien wordt door een woninginbraak een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en omwonenden. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en andere feiten.

Van deze eerdere, deels voorwaardelijke, veroordelingen is kennelijk geen preventieve werking uitgegaan, nu de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de thans bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport d.d. 18 augustus 2015 betreffende het psychologisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door drs. [naam 4] , GZ-psycholoog.

Nu de berechting van de feiten enige tijd op zich heeft laten wachten zijn de conclusies en het advies, zoals weergegeven in het rapport, gedateerd.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een groot aantal voorlichtingsrapporten betreffende de persoon van de verdachte alsook op het meest recente rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) d.d. 18 november 2016.

Blijkens dit rapport is de verdachte een jongen van net 17 jaar oud en zijn, om verder afglijden binnen het criminele circuit te voorkomen en de ontwikkelingsbedreiging van de verdachte te doen keren, intensieve en gerichte hulpverleningsinterventies ingezet.

Dit heeft een positief resultaat gehad, aangezien de verdachte het MST-traject positief heeft doorlopen en heeft afgerond. Tevens heeft hij zich goed gehouden aan de schorsende voorwaarden en is hij niet meer gerecidiveerd. De focus van de verdachte ligt nu op zijn werk en toekomst en zijn houding en gedrag zijn hierdoor verbeterd.

Zowel de Pro Justitia Rapporteur als de Raad waren voorheen van mening met het oog op de meest recente strafbare feiten, dat een GBM noodzakelijk zou zijn, omdat er bij de verdachte sprake is van een justitieel verleden, eerdere interventies/hulp niet het gewenste effect hebben gehad en er sprake is van een gedragsstoornis in combinatie met zwakbegaafdheid en achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Het afgelopen halve jaar heeft de verdachte echter laten zien dat hij zonder een strak kader in staat is om goed en positief te functioneren. Hij heeft werk gevonden en het gaat goed thuis. Hij heeft pro-sociale vrienden en is niet meer gerecidiveerd. In overleg met de jeugdreclassering lijkt een GBM momenteel wat achterhaald, aangezien de verdachte het MST-traject al positief heeft doorlopen en hij een zinvolle dagbesteding heeft. Wenselijker is om deze positieve lijn niet te doorkruisen en met behulp van verplichte hulpverlening door de jeugdreclassering verder te gaan. De verplichte hulpverlening middels de jeugdreclassering zal nog lange tijd noodzakelijk zijn om de positief ingeslagen weg te kunnen monitoren en afspraken te maken omtrent zijn dagbesteding en dergelijke.

Een (deels voorwaardelijke) werkstraf is een goede pedagogische reactie op zijn strafbare gedrag, zodat hij ervaart dat negatief en strafbaar gedrag consequenties heeft.

Geadviseerd wordt dan ook aan de verdachte een werkstraf op te leggen als ook een

(deels) voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering inclusief de meldplicht alsook het naar zijn stage/werk blijven gaan.

De rechtbank onderschrijft voormeld strafadvies van de Raad.

Mevrouw [naam 5] , werkzaam bij de jeugdreclassering en ter zitting gehoord als deskundige, heeft meegedeeld dat de jeugdreclassering zich met het strafadvies van de Raad kan verenigen, omdat de verdachte inderdaad MST positief heeft afgerond en zich middels een vaste baan, zonder te zijn gerecidiveerd, op zijn toekomst richt. Zij heeft benadrukt dat een forse voorwaardelijke jeugddetentie, met de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden, aangewezen is.

De op te leggen straf

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn begeleiding te waarborgen, ziet de rechtbank aanleiding een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen.

Daarbij zal als bijzondere voorwaarde worden opgelegd dat de verdachte zich dient te melden bij de jeugdreclassering alsook dat de verdachte naar zijn werk zal blijven gaan.

De verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel van zijn straf reeds in voorarrest doorgebracht.

Het tijdsverloop tussen het begaan van de feiten en de behandeling ter zitting en de vrijspraak van drie van de zeven feiten, maakt dat de rechtbank niet toekomt aan het opleggen van een aanvullende werkstraf.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 1] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/807977-15, feit 1, als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 978,73, bestaande uit materiële schade.

[benadeelde 2] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/807977-15, feiten 1 en 2, als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 747,99, bestaande uit een bedrag van € 347,99 aan materiële schade en een bedrag van € 400,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter terechtzitting heeft mevrouw [benadeelde 2] de vordering aangevuld, in die zin dat thans een bedrag van € 1.440,- aan materiële schade wordt gevorderd.

[benadeelde 7] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/119170-15 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de [benadeelde 1] ad € 978,73, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot toewijzing van de vordering van de [benadeelde 2] ad € 510,-, zijnde een geldbedrag van € 110,- en een bedrag van € 400,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 7] heeft de officier van justitie, nu de geleden schade niet eenvoudig is vast te stellen, de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair niet-ontvankelijkheid van alle vorderingen bepleit. Subsidiair heeft hij de vordering van [benadeelde 1] niet betwist en zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat toewijzing tot een bedrag van € 510,- moet volgen met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering voor het overige. Ten aanzien van de vordering van de [benadeelde 7] heeft de raadsman subsidiair afwijzing van de vordering bepleit, nu deze niet voldoende is onderbouwd en teveel tijd in beslag neemt. Daar de benadeelde partij geen verzoek tot gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid heeft ingediend, bepleit de raadsman voorts dat de rechtbank hiervan afziet.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 09/807977-15, feit 1

De rechtbank zal de [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Ten aanzien van parketnummer 09/807977-15, feiten 1 en 2

De rechtbank zal de [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Ten aanzien van parketnummer 09/119170-15

De rechtbank zal de [benadeelde 7] ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat deze niet eenvoudig van aard is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, in de vorm van angsten, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 300,- toewijzen.

De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 300,-. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente vanaf 31 oktober 2014 ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in de zaak met parketnummer 09/119170-15 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 300,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 7]

.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 d, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 en 311 van het Wetboek van

Strafrecht;

- 1 a, 2, 6 van de Wet op de economische delicten;

- 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer;

- 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding (I)

met parketnummer 09/807977-15 onder 1 primair en subsidiair en 2 en bij dagvaarding (II) met parketnummer 09/837307-16 onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding (I)

met parketnummer 09/807977-15 onder 3 primair, bij dagvaarding (II) met parketnummer 09/837307-16 onder 1, bij dagvaarding (III) met parketnummer 09/096561-15 en bij dagvaarding (IV) met parketnummer 09/119170-15 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

09/807977-15 (dagvaarding I)

feit 3 primair

POGING TOT OPZETTELIJK EEN ONTPLOFFING TEWEEG BRENGEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS

EN

POGING TOT OPZETTELIJK EEN ONTPLOFFING TEWEEG BRENGEN, TERWIJL DAARVAN LEVENSGEVAAR VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS

parketnummer 09/837307-16 (dagvaarding II) feit 1

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK

parketnummer 09/096561-15 (dagvaarding III)

OPZETTELIJKE OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT, GESTELD KRACHTENS ARTIKEL 9.2.2.1 VAN DE WET MILIEUBEHEER

parketnummer 09/119170-15 (dagvaarding IV)

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 190 DAGEN

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 119 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1

Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de (jeugd)reclassering te houden toezicht,

bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij

de (jeugd)reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd naar zijn werk zal blijven gaan;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling, de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

ten aanzien van parketnummer 09/807977-15, feit 1

bepaalt dat de [benadeelde 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden zijn begroot op nihil;

ten aanzien van parketnummer 09/807977-15, feiten 1 en 2

bepaalt dat de [benadeelde 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden zijn begroot op nihil;

ten aanzien van parketnummer 09/119170-15

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 7], een bedrag van € 300,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 300,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve [benadeelde 7]

[benadeelde 7] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. S.M. Borkent, kinderrechter,

en mr. M.F.M. de Groot, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2015041817, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 171.

2 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , pagina 27/28.

3 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] , met bijlagen, pagina 34/40.

4 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 64/66.

5 Rapport NFI d.d. 21 mei 2015.

6 Proces-verbaal van buurtonderzoek, pagina 47.

7 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] , met bijlage, pagina 43/46.

8 Proces-verbaal van verhoor minderjarige [verdachte] , pagina 147/152.

9 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 8 december 2016.

10 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2015000598, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 91.

11 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] , met bijlagen, pagina 24/45.

12 Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde 4] , met bijlagen, pagina 46/50.

13 Proces-verbaal verhoor [benadeelde 6] , pagina 51/52.

14 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 63/65.

15 Rapport van het NFI d.d. 5 februari 2015, met bijlagen, pagina 72/75.

16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 58.

17 Rapport van het NFI d.d. 10 maart 2015, met bijlagen, pagina 77/81.

18 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 58.

19 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 8 december 2016.

20 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2015077325, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 28.

21 Proces-verbaal van aanhouding, pagina 3/5.

22 Proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, pagina 15/24.

23 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , pagina 10/14.

24 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting van 8 december 2016.

25 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Rotterdam, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1700-2014441124-13, ongenummerd.

26 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 7] , met bijlagen.

27 Proces-verbaal van bevindingen, nummer PL1700-2014441124-5.

28 Proces-verbaal van sporenonderzoek, nummer PL1700-2014441124-12.

29 Rapport NFI d.d. 15 januari 2015, met bijlagen.

30 Proces-verbaal van bevindingen, nummer PL1700-2014441124-24.

31 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 8 december 2016.