Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1604

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
AWB 15/10233
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling seksuele gerichtheid, vaste gedragslijn april 2014, werkinstructie 2015/9.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 15/10233

Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 februari 2016

in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [nummer] ,

van Ugandese nationaliteit,

eiseres, mede namens haar minderjarige kind,

[kind] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [nummer] ,

gemachtigde: mr. T. Pondaag,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 24 april 2015 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 4 juni 2014 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Tevens is bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat haar geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt verleend.

Op 21 mei 2015 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Op 5 november 2015 heeft de rechtbank verweerder verzocht om de stukken ten aanzien van de vaste gedragslijn in zogenoemde LHBT (lesbiennes, homo’s, biseksuelen of transgenders)-zaken (hierna: de gedragslijn), zoals die op 14 april 2014 aan alle medewerkers van verweerder is meegedeeld. Bij brief van 5 november 2015 heeft verweerder deze stukken doen toekomen en daarbij tevens een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij beslissing van 13 november 2015 heeft de rechtbank in een andere samenstelling bepaald dat beperking van de kennisneming van de gehele gedragslijn, ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, niet gerechtvaardigd is.

Bij brief van 27 november 2015 heeft verweerder opnieuw de gedragslijn aan de rechtbank overgelegd en verzocht om beperking van de kennisneming ten aanzien van de gearceerde gedeelten.

Bij beslissing van 15 december 2015 heeft de rechtbank in een andere samenstelling bepaald dat beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke gedeelten in de gedragslijn, ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, gerechtvaardigd is.

Bij brief van 21 december 2015 heeft eiseres toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 januari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Jonkman.

De beoordeling

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit geen geloof heeft gehecht aan het door eiseres naar voren gebrachte asielrelaas, zodat geen aanleiding bestaat om haar in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op één van de in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden.

2. Met ingang van 20 juli 2015 is de Wet tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: Richtlijn 2013/32/EU) in werking getreden.

Ingevolge artikel II, eerste lid, van deze wet is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet en intrekkingen voor inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000, tenzij het onderzoek door de rechtbank gesloten is.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, van Richtlijn 2013/32/EU, voor zover thans van belang, zorgen de lidstaten ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven.

Volgens het derde lid, zorgen de lidstaten ervoor, teneinde aan het eerste lid te voldoen, dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.

Ingevolge artikel 83a van de Vw 2000, zoals dat luidt met ingang van 20 juli 2015, omvat de toetsing van de rechtbank van een asielbesluit een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming. Dit betreft de implementatie van artikel 46, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU.

3. Nu het bestreden besluit dateert van voor 20 juli 2015 is het recht zoals dit gold voor de inwerkingtreding van de wijziging van de Vw 2000 van toepassing. Echter, omdat de sluiting van het onderzoek heeft plaatsgevonden na 19 juli 2015 dient de toetsing van de rechtbank het in artikel 83a van de Vw 2000 bedoelde volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden te omvatten.

Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 oktober 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:11350) volgt dat met artikel 46, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU een toetsende (nationale) rechter is beoogd en dat, waar het gaat om de intensiteit van de toetsing van het asielbesluit, de rechtbank indringender dan voorheen de beoordeling door het bestuursorgaan van de geloofwaardigheid van het asielrelaas moet toetsen. Dit vergt dat de rechtbank indringend toetst of de onderbouwing van (de relevante elementen van) de geloofwaardigheidsbeoordeling van het bestuursorgaan feitelijk juist, volledig en consistent is, en of de onderbouwing het asielbesluit kan dragen. Deze toets omvat zowel de zorgvuldigheid van de procedure als de motivering van het besluit, in onderlinge samenhang bezien. De toetsing door de bestuursrechter van de geloofwaardigheidsbeoordeling dient indringender te zijn, naarmate die beoordeling in mindere mate specifieke kennis en ervaring vereist.

4. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

5. Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij op school werd gepest door jongens en daardoor een hekel aan jongens had gekregen. In het jaar 2000 raakte eiseres op school bevriend met [vriendin] . Omdat [vriendin] altijd voor haar opkwam kreeg eiseres liefdevolle gevoelens voor [vriendin] . Een aantal jaar later vertelde eiseres [vriendin] over haar gevoelens, maar zij wilde hier in eerste instantie niets van weten. Na verloop van tijd herstelde de vriendschap zich en in 2010 werd het een relatie. Toen zij in het huis van de oma van eiseres, waar eiseres woonde, zaten te knuffelen werden zij betrapt door de oma van eiseres. Om haar oma gerust te stellen beloofde eiseres dat ze zou stoppen met de relatie en een man zou gaan zoeken. Eiseres bleef echter contact houden met [vriendin] . Na het overlijden van haar oma ging eiseres als dienstmeisje werken bij een rijke man. Deze man misbruikte eiseres en zij mocht het huis niet uit. [vriendin] kwam haar echter vaak opzoeken en zij gingen dan samen weg. De man hoorde in het dorp roddels over eiseres en [vriendin] en hij verbood [vriendin] nog langs te komen. Op een dag kwam de man eerder thuis dan normaal en hij betrapte eiseres en [vriendin] toen zij aan het vrijen waren. De man werd boos en legde eiseres nog strengere regels op. Eiseres liep weg en ging naar een vriendin van haar oma die wist dat zij lesbisch was. [vriendin] bleef eiseres opzoeken en zij liepen als geliefden over straat. De mensen in het dorp werden kwaad en belaagden eiseres. De vriendin van haar oma bracht eiseres in contact met [pastoor] en hij zou een pelgrimstocht naar Rome regelen. Toen zij in Nederland aankwamen werd eiseres echter in een woning vastgehouden en gedwongen in de prostitutie te werken. Eiseres raakte zwanger en toen ze vijf maanden zwanger was, hielp een vriend van [pastoor] haar ontsnappen.

6. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Het asielrelaas van eiseres bevat de volgende relevante elementen:

1. eiseres is een Ugandese vrouw van 27 jaar oud;

2. eiseres is lesbisch en heeft in Uganda een seksuele relatie gekregen met haar

jeugdvriendin [vriendin] ;

3. eiseres heeft Uganda met hulp van [pastoor] verlaten. Eiseres werd verteld dat ze

op pelgrimstocht naar Rome zouden gaan, maar eenmaal in Europa wordt eiseres

vastgehouden en gedwongen tot prostitutie.

Aan de door eiseres gestelde nationaliteit wordt niet getwijfeld en ten aanzien van haar identiteit krijgt eiseres het voordeel van de twijfel. De overige elementen worden echter niet geloofwaardig geacht. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een van de gronden van artikel 29 van de Vw 2000, aldus verweerder.

7. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen. Op hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd zal in het navolgende worden ingegaan.

8. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, zoals die luidde ten tijde van het bestreden besluit, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

9. De rechtbank overweegt ten aanzien van de seksuele gerichtheid en de relatie met [vriendin] als volgt.

10. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft in het arrest van 2 december 2014 in de zaak A, B en C (C-148/13, C-149/13 en C-150/13, ECLI:EU:C:2014:2406) uiteengezet onder welke omstandigheden een onderzoek van de bevoegde nationale autoriteiten naar de feiten en omstandigheden betreffende de gestelde seksuele gerichtheid van een asielzoeker in strijd dient te worden geacht met artikel 4, derde lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: Richtlijn 2004/83/EG).

11. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170) overwogen dat voormelde door het Hof geformuleerde grenzen een algemeen kader scheppen waarbinnen verweerder de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid in een concreet geval mag verrichten. Teneinde de bestuursrechter in staat te stellen de zorgvuldigheid en motivering van besluiten, als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, te toetsen in het licht van deze grenzen, moet verweerder evenwel inzichtelijk maken op welke wijze hij die beoordeling daadwerkelijk in een concrete zaak heeft verricht. Hierbij is met name van belang het soort vragen dat verweerder heeft gesteld en de wijze waarop hij de antwoorden op die vragen onderling heeft gewogen. Het gaat er hierbij niet alleen om dat verweerder inzichtelijk maakt wat hij niet doet bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid, maar ook hoe hij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid met inachtneming van artikel 4 van Richtlijn 2004/83/EG wél heeft ingericht.

Voorts heeft de Afdeling overwogen dat verweerder voor het onderzoek naar een gestelde seksuele gerichtheid geen specifiek op die asielzoekers toegespitste vragenlijst heeft ontwikkeld waarin hij categorieën van vragen heeft opgenomen, dat verweerder desgevraagd slechts heeft kunnen toelichten welke vragen in de gehoren niet mogen worden gesteld en dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt welke soort vragen hij wél stelt en of die vragen al dan niet in samenwerking met een belangenorganisatie, zoals de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit (hierna: COC), tot stand zijn gekomen. Niet gebleken is dat de vragen, die verweerder aangaande de gestelde seksuele gerichtheid heeft gesteld, voortkomen uit een vastgelegde, op de aard van het asielrelaas toegespitste, onderzoekssystematiek. Verweerder heeft evenmin kunnen verduidelijken hoe hij vervolgens aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid, pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de asielrelazen van de vreemdelingen in deze zaken heeft verricht. Voorts heeft verweerder onvoldoende kunnen verduidelijken welk gewicht hij toekent aan de eventuele ongeloofwaardigheid van verklaringen van een vreemdeling over wat hem in het land van herkomst als gevolg van zijn gestelde seksuele gerichtheid is overkomen en voor hem - mede - aanleiding vormde dat land te verlaten. Dit geldt ook voor door verweerder ongeloofwaardige geachte verklaringen van een vreemdeling over gebeurtenissen die zich buiten diens land van herkomst, in Nederland of elders, hebben voorgedaan.

De Afdeling heeft geoordeeld dat uit het vorenstaande volgt dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke vragen en antwoorden, in het concrete geval in het licht van het asielrelaas van de desbetreffende vreemdeling, het zwaartepunt ligt en hoe verweerder de door een vreemdeling gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt. Wegens het ontbreken van een beleidsregel of een vaste gedragslijn van verweerder over de wijze waarop hij een gestelde seksuele gerichtheid onderzoekt en beoordeelt, terwijl dat onderzoek en die beoordeling binnen het Nederlandse bestuursrechtelijke stelsel in eerste instantie aan hem is, is het voor de bestuursrechter thans niet mogelijk effectief te toetsen hoe verweerder in een concreet geval dat onderzoek en die beoordeling verricht en aldus een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit neemt over de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid als asielmotief. Het is binnen dit stelsel niet aan de bestuursrechter, maar aan verweerder om hieraan in de vormgeving en uitvoering van het vreemdelingenbeleid nader invulling te geven, aldus de Afdeling.

12. Bij brief van 23 juli 2015 heeft de rechtbank verweerder verzocht aan te geven welke gevolgen voormelde uitspraak van de Afdeling heeft voor het onderhavige bestreden besluit.

13. Bij brief van 19 augustus 2015 en bij verweerschrift van 3 november 2015 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij een gedragslijn voor de afhandeling van asielzaken waarin de geaardheid van de asielzoeker als asielmotief naar voren wordt gebracht, heeft ontwikkeld en op 14 april 2014 heeft meegedeeld aan alle medewerkers van de IND. Deze gedragslijn is inmiddels verwerkt in de openbare werkinstructie 2015/9 (hierna: de werkinstructie, gepubliceerd op www.ind.nl). Anders dan de zaken die hebben geleid tot voormelde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, blijkt het gebruik van de gedragslijn, die voornamelijk bestaat uit een nieuwe aanpak van het gehoor waarbij gebruik wordt gemaakt van (interne) voorbeeldvragen die richtlijnen en kaders bieden voor de vraagstelling en die zijn gegroepeerd rondom een aantal thema’s, volgens verweerder duidelijk uit het verslag van het nader gehoor van eiseres van

24 november 2014.

Volgens verweerder is voorts van belang hoe de antwoorden van de vreemdeling worden gewogen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de LHBT-gerichtheid zal gewicht worden toegekend aan het proces van ontdekking van de geaardheid en de wijze waarop de vreemdeling stelt daarmee te zijn omgegaan. Deze elementen wegen zwaarder naarmate de vreemdeling uit een land afkomstig is waar LHBT-gerichtheid niet geaccepteerd wordt. Daarbij is echter wel van belang dat de verklaringen van de vreemdeling steeds in onderlinge samenhang worden bezien. Niet alleen in het licht van de thema’s waarover vragen worden gesteld, maar ook in het licht van de overige omstandigheden van het geval. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het geval van eiseres in het voornemen en het bestreden besluit tot uiting komt hoe de verschillende elementen, inclusief de overige verklaringen van eiseres zijn beoordeeld. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het bestreden besluit in te trekken, aldus verweerder.

14. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat ter zitting bij de Afdeling in de zaak die heeft geleid tot voormelde uitspraak van 8 juli 2015 ten onrechte niet naar voren is gebracht dat de gedragslijn reeds in april 2014 is ontwikkeld. Volgens verweerder is naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 de werkinstructie gepubliceerd en is de gedragslijn hierin verwerkt. Voorts heeft verweerder ter zitting desgevraagd toegelicht dat hij tijdens de zitting in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 5 november 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:12713) heeft verklaard dat voor het onderzoek naar een gestelde seksuele gerichtheid geen specifiek op die asielzoekers toegespitste vragenlijst is ontwikkeld, omdat in de gedragslijn slechts een aantal voorbeeldvragen zijn opgenomen die als handvat dienen voor de gehoormedewerkers en er derhalve geen sprake is van een lijst met vragen die tijdens elk onderzoek naar de seksuele gerichtheid dienen te worden gesteld. Volgens verweerder lopen de gehoormedewerkers tijdens het gehoor de in de gedragslijn en de werkinstructie genoemde thema’s langs en bepalen zij, afhankelijk van het relaas, welke thema’s worden uitgewerkt en welke vragen hierbij worden gesteld.

15. De rechtbank heeft de door verweerder overgelegde stukken ten aanzien van de gedragslijn ingezien en stelt vast dat de gedragslijn dateert van 14 april 2014. Verder stelt de rechtbank vast dat in de geheime gedeelten van de gedragslijn de eveneens in de werkinstructie genoemde thema’s worden genoemd en dat bij elk thema een aantal voorbeeldvragen zijn opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat deze voorbeeldvragen op een zodanige manier zijn geformuleerd dat voldoende is gewaarborgd dat het onderzoek naar de seksuele gerichtheid door de verschillende medewerkers van verweerder op gelijke wijze wordt uitgevoerd en dat wordt voldaan aan de voorwaarden die de Afdeling in eerdervermelde uitspraak van 8 juli 2015 heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn onderzoekssystematiek voldoende inzichtelijk gemaakt en is deze niet in strijd met de door het Hof gestelde randvoorwaarden.

16. Ten aanzien van de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek, overweegt de rechtbank dat hieromtrent in de werkinstructie het volgende staat vermeld.

Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de LHBT-gerichtheid is het bepalen welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld over iemands

seksuele gerichtheid, sterk afhankelijk van de individuele zaak. Bij de beoordeling wordt betrokken of de verklaringen innerlijk en extern consistent zijn en overeenkomen met hetgeen bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van LHBT’s) in het land van herkomst. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat iedere zaak op zijn individuele merites beoordeeld moet worden en dat – zeker bij een onderwerp als seksuele gerichtheid – niet alles te vatten is in objectief meetbare criteria. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het zwaartepunt ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (onder andere bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel is of strafbaar gesteld is. Verweerder hanteert bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid niet als uitgangspunt dat er in alle gevallen een interne worsteling moet hebben plaatsgevonden voordat de vreemdeling zijn LHBT-gerichtheid heeft geaccepteerd. Echter, wel mag verwacht worden dat bij een vreemdeling die afkomstig is uit een land waar men LHBT-gerichtheid niet accepteert en waar dit mogelijk strafbaar is gesteld, sprake zal zijn van een proces van bewustwording. Daarbij zal de vreemdeling zich onder andere voor de vraag gesteld zien wat het betekent om anders te zijn dan hetgeen de maatschappij verwacht/verlangt. Bij beoordeling van de geloofwaardigheid van de LHBT-gerichtheid zal gewicht worden toegekend aan het proces van ontdekking van de gerichtheid en de wijze waarop de vreemdeling stelt daarmee te zijn omgegaan. Deze elementen wegen zwaarder als de vreemdeling uit een land afkomstig is waar LHBT-gerichtheid niet geaccepteerd wordt. Voor zover van belang geeft verweerder in het geval van een ongeloofwaardig bevonden relaas ook aan welk gewicht hij toekent aan de verklaringen van de vreemdeling over wat hem in het land van herkomst (of daarbuiten) als gevolg van zijn gestelde seksuele gerichtheid is overkomen en voor hem

– mede – aanleiding vormde dat land te verlaten. Wanneer deze eveneens ongeloofwaardig worden bevonden, versterkt dat het oordeel dat de seksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. Anderzijds leidt het niet geloofwaardig achten van de verklaringen van de vreemdeling over gebeurtenissen die voor hem aanleiding waren om het land te verlaten, niet vanzelfsprekend tot het ongeloofwaardig achten van de seksuele gerichtheid. Verweerder beziet de verklaringen van de vreemdeling over zijn gestelde seksuele gerichtheid steeds in hun onderlinge samenhang. Niet alleen wat betreft voormelde elementen en het gewicht dat verweerder hecht aan de beantwoording door de vreemdeling van vragen over één of meer van die elementen, maar ook in het licht van de overige omstandigheden, zoals de overige verklaringen van een vreemdeling (in de huidige of voorgaande procedure(s)) en door hem verstrekte gegevens.

17. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de werkinstructie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid verricht, op welke vragen en antwoorden het zwaartepunt ligt en hoe hij de door een vreemdeling gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt. Derhalve heeft verweerder ook op dit punt voldaan aan de voorwaarden die de Afdeling in eerdervermelde uitspraak van 8 juli 2015 heeft gesteld.

18. De stelling van eiseres dat de gedragslijn en de werkinstructie niet zijn opgesteld in overleg met belangenorganisaties zoals de COC, kan niet leiden tot het daarmee door haar beoogde resultaat. De rechtbank acht in dit verband van belang dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de COC niet bij de opstelling van de gedragslijn en de werkinstructie betrokken wilde worden, maar dat verweerder wel overleg met de COC heeft gevoerd. Voorts blijkt uit de werkinstructie dat verweerder zich onder andere heeft gebaseerd op het artikel “Sexual Orientation and the Refugee Determination Process: Questioning a Claimant About Their Membership in the Particular Social Group” van prof. dr. LaViolette van mei 2004, het rapport van Pink Solutions “inventarisatie situatie LHBT asielzoekers” van Lieneke Luit van de COC en de UHNCR guidelines on International Protection No. 9: Claims to Refugee Status based on Sexual Orientation and/or Gender Identity within the context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or its 1967 Protocol relating to the Status of Refugees. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet gebleken dat verweerder bij het opstellen van de gedragslijn en de werkinstructie onvoldoende of verouderde informatie heeft ingewonnen. Bovendien heeft eiseres geen stukken van deskundige zijde overgelegd waaruit blijkt dat de gedragslijn en werkinstructie (en/of de stukken waarop die gedragslijn en instructie zijn gebaseerd) qua methodiek of inhoud niet voldoen aan algemeen aanvaarde standaarden. Er is dan ook geen reden om te oordelen dat de gedragslijn en de werkinstructie niet ten grondslag hadden mogen worden gelegd aan het onderzoeken en beoordelen van een gestelde seksuele gerichtheid.

19. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of in de onderhavige zaak overeenkomstig de gedragslijn en de werkinstructie is gehoord en beslist en of verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de door eiseres gestelde seksuele gerichtheid en haar relatie met [vriendin] ongeloofwaardig is.

20. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres tijdens het nader gehoor verschillende keren en op verschillende manieren is gevraagd hoe zij achter haar seksuele geaardheid is gekomen en hoe zij deze, zeker gelet op de algemene negatieve maatschappelijke houding jegens homoseksualiteit in Uganda, heeft geaccepteerd. Volgens verweerder blijft eiseres echter vaag en geeft ze enkel aan dat de pesterijen door jongens op school hieraan ten grondslag hebben gelegen. Zo heeft zij verklaard dat ze heeft geprobeerd om relaties met jongens aan te gaan, maar dat zij er elke keer aan dacht hoe jongens haar op school hadden gepest en zij vervolgens geen zin meer had om met een jongen verder te gaan. Ook heeft eiseres verklaard dat zij seksuele gevoelens voor [vriendin] begon te ontwikkelen omdat zij goed voor haar was en goed voor haar zorgde, alsmede dat zij alleen met [vriendin] een relatie heeft gehad, maar andere vrouwen af en toe wel mooi vond. Nu gelet hierop de verklaringen van eiseres over de wijze waarop zij achter haar seksuele geaardheid is gekomen en de onderliggende redenen vaag en summier zijn, doen deze afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar seksuele geaardheid, aldus verweerder. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer zij [vriendin] heeft verteld dat ze lesbisch is. Zo heeft zij eerst verklaard dat ze 17 jaar oud was, heeft zij later verklaard dat ze rond de 20 jaar oud was en heeft ze vervolgens verklaard dat ze het niet zo goed weet. Volgens verweerder is het niet aannemelijk dat zij niet meer weet in welke fase van haar leven en in welk stadium van seksuele zelfacceptie- en bewustzijn zij een dergelijk belangrijk gesprek met [vriendin] heeft gevoerd en mag van eiseres redelijkerwijze worden verwacht dat zij hierover consistent verklaart. Nu eiseres dit niet heeft gedaan kan volgens verweerder in ernstige mate worden getwijfeld aan de gestelde seksuele geaardheid van eiseres. Deze twijfel wordt versterkt doordat eiseres geen, dan wel zeer weinig informatie over [vriendin] kan verstrekken. Zo is eiseres nooit bij [vriendin] thuis geweest en kan zij desgevraagd geen informatie over de familie van [vriendin] of over de interesses van [vriendin] verstrekken. Volgens verweerder mag van iemand die verliefd is, worden verwacht dat zij zich meer zou interesseren voor hetgeen haar partner belangrijk vindt. De verklaring van eiseres dat zij en [vriendin] een geheime relatie hadden heeft verweerder niet tot een ander standpunt geleid, nu eiseres en [vriendin] al geruime tijd vriendschappelijk met elkaar omgingen en niet valt in te zien waarom vriendinnen niet bij elkaar thuis zouden komen. Nu voorts is gebleken dat eiseres na haar vertrek uit Uganda op geen enkele wijze contact heeft gezocht met [vriendin] , doen de verklaringen van eiseres in zeer ernstige mate afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde langdurige relatie van eiseres met [vriendin] , aldus verweerder. De verklaring van eiseres dat ze niet meer beschikt over de contactgegevens van [vriendin] heeft verweerder niet tot een ander standpunt geleid, nu niet valt in te zien waarom eiseres [vriendin] geen brief zou kunnen schrijven, dan wel via het Rode Kruis een tracing verzoek zou kunnen doen. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het moment waarop zij op de hoogte is geraakt van het feit dat een lesbische relatie verboden is. Zo heeft eiseres enerzijds verklaard dat zij, omdat ze katholiek is, wist dat zij geen relatie met een meisje mocht hebben. Eiseres heeft dit verteld naar aanleiding van haar verklaring dat [vriendin] boos werd toen eiseres haar aanraakte en dat eiseres bij deze gelegenheid 17 jaar oud was. Anderzijds heeft eiseres verklaard dat zij op haar 20e in de kerk hoorde dat dergelijke relaties niet mochten. Volgens verweerder is niet aannemelijk dat eiseres eerst op haar 20e heeft gehoord dat lesbische relaties niet worden geaccepteerd, zeker gezien de heersende negatieve maatschappelijke houding ten aanzien van homoseksualiteit in het algemeen en die van de katholieke kerk in Uganda in het bijzonder. Bovendien kan uit de verklaringen van eiseres – namelijk dat zij haar oma nooit heeft verteld over haar seksuele geaardheid omdat ze wist dat het binnen het katholieke geloof niet werd geaccepteerd en zij de kerkdienst, waarbij ze hoorde dat een lesbische relatie niet mocht, niet prettig vond omdat ze wist dat de boodschap voor haar bedoeld was – worden afgeleid dat eiseres al eerder kennis had van de heersende maatschappelijke opinie in de Ugandese samenleving. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het zeer bevreemdingwekkend is dat eiseres na de dood van haar oma ogenschijnlijk plotsklaps aan de vriendin van haar oma heeft verteld dat zij lesbisch is. Verweerder volgt eiseres niet in haar verklaring dat zij niet wist hoe slecht het was om lesbisch te zijn, nu eiseres op dat moment 22 jaar oud was en zij derhalve reeds twee jaar eerder in de kerk had gehoord dat een lesbische relatie slecht was en haar oma zich ook reeds in soortgelijke bewoordingen had uitgelaten toen zij eiseres en [vriendin] betrapte tijdens een vrijpartij. De verklaring van eiseres dat zij de vriendin van haar oma vertrouwde, heeft verweerder niet tot een ander standpunt geleid. Volgens verweerder is het tevens bevreemdingwekkend dat eiseres, terwijl zij wist dat een relatie tussen twee vrouwen verboden is, in het huis waar zij als dienstmeisje werkte, seksuele omgang met [vriendin] had. Het risico bestond immers dat zij zouden worden betrapt en aangezien eiseres reeds de nodige problemen had gehad vanwege haar relatie met [vriendin] , is niet aannemelijk dat zij een dergelijk groot risico nam, aldus verweerder. Verweerder heeft verder nog bevreemdingwekkend geacht dat eiseres, nadat zij was weggelopen bij de man voor wie zij werkte, terugkeerde naar haar dorp en dat zij en [vriendin] zich aldaar openlijk als geliefden gedroegen, terwijl zij wisten dat dergelijk gedrag onacceptabel was. Daarnaast is het opmerkelijk dat de dorpsgenoten zich ogenschijnlijk gemakkelijk gerust lieten stellen door de toezegging van de vriendin van de oma van eiseres dat zij eiseres weg zou sturen, terwijl de dorpsgenoten eiseres en [vriendin] in eerste instantie wilden slaan en stenigen. Ook is het opmerkelijk dat met het vertrek van eiseres het probleem is opgelost en dat [vriendin] schijnbaar probleemloos in het dorp kon blijven. Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder het element dat eiseres lesbisch is en in Uganda problemen heeft ondervonden vanwege haar relatie met [vriendin] niet geloofwaardig geacht.

21. Bij brief van 19 augustus 2015, verweerschrift van 3 november 2015 en brief van 4 januari 2016 heeft verweerder zich aanvullend op het standpunt gesteld dat bij een vreemdeling die afkomstig is uit een land waar men LHBT-gerichtheid niet accepteert en waar het strafbaar is gesteld, sprake zal zijn van een proces van bewustwording. De vreemdeling zal zich voor de vraag gesteld zien wat het betekent om anders te zijn dan hetgeen de maatschappij van hem verlangt/verwacht. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de LHBT-gerichtheid van een vreemdeling uit een dergelijk land ligt volgens de werkinstructie het zwaartepunt op de antwoorden op de vragen over de eigen ervaringen (bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot de seksuele gerichtheid. Volgens verweerder heeft hij in het bestreden besluit overwogen dat eiseres vage verklaringen over het proces van acceptatie en bewustwording heeft afgelegd, dat zij weinig informatie over haar vriendin [vriendin] kan verstrekken, dat zij tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen heeft afgelegd en dat verweerder dit heeft geplaatst in de context van onder andere het land van herkomst en de geloofsovertuiging. Uit het bestreden besluit komt derhalve voldoende naar voren dat en waarom de gestelde seksualiteit van eiseres niet geloofwaardig wordt geacht, aldus verweerder.

22. De rechtbank is van oordeel dat eiseres conform de gedragslijn en de werkinstructie is gehoord, nu uit het verslag van het nader gehoor van eiseres van

24 november 2014 volgt dat eiseres over de in de gedragslijn en werkinstructie genoemde thema’s vragen zijn gesteld en de voorbeeldvragen hierbij als richtlijn hebben gediend. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder conform de werkinstructie heeft beslist, nu uit het bestreden besluit gelezen in samenhang met de toelichting van verweerder, zoals samengevat in rechtsoverweging 20 en 21, voldoende blijkt dat verweerder zwaar gewicht heeft toegekend aan het proces van ontdekking van de seksuele gerichtheid en de wijze waarop eiseres daarmee stelt te zijn omgegaan en hoe hij de door eiseres gegeven antwoorden heeft gewaardeerd en onderling heeft gewogen.

23. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich op basis van de in het bestreden besluit gegeven motivering, zoals samengevat in rechtsoverweging 20, en de aanvullende motivering, zoals samengevat in rechtsoverweging 21, op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de homoseksuele gerichtheid van eiseres en haar relatie met [vriendin] niet geloofwaardig is. Hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, namelijk dat niemand weet of kan verklaren hoe hij of zij tot een bepaalde seksuele geaardheid komt, dat haar homoseksuele geaardheid voor haar een gegeven was en is, dat zij niet inconsistent heeft verklaard en dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Voor zover eiseres heeft verwezen naar hetgeen zij in de zienswijze heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hier in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op in is gegaan. Ten aanzien van de relatie met [vriendin] acht de rechtbank nog van belang dat eiseres ter zitting heeft bevestigd dat zij sinds haar vertrek uit Uganda geen contact meer heeft gehad met [vriendin] , dat zij geen kenbare pogingen heeft gedaan om haar te bereiken en ook geen kenbaar tracing verzoek heeft ingediend bij het Rode Kruis.

24. Nu verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de homoseksuele gerichtheid van eiseres en haar relatie met [vriendin] niet geloofwaardig is, heeft verweerder zich eveneens op goede gronden op het standpunt gesteld dat de problemen die eiseres als gevolg van deze homoseksualiteit en de relatie met [vriendin] stelt te hebben ondervonden niet geloofwaardig zijn. Hetgeen eiseres in dit verband heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.

25. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft aangevoerd ten aanzien van verweerders standpunt dat de wijze waarop eiseres stelt naar Europa te zijn gereisd niet geloofwaardig is. De rechtbank volgt verweerder dan ook in dit standpunt.

26. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de seksuele geaardheid van eiseres, haar relatie met [vriendin] , de daaruit voortvloeiende problemen, alsmede de wijze van uitreis uit Uganda ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

27. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft aangevoerd ten aanzien van de weigering van verweerder haar in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dan wel om toepassing te geven aan artikel 64 van de

Vw 2000.

28. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit de toetsing in rechte kan doorstaan.

29. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. R. Raat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2016.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).