Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15954

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
09/777031-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 7 april 2016 heeft een toen 15-jarige verdachte een 18-jarige jongen in Mariahoeve met een mes om het leven gebracht. De rechtbank Den Haag heeft de minderjarige dader veroordeeld tot 10 maanden jeugddetentie en voorwaardelijke jeugd-TBS onder (onder meer) de voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen in een gesloten Jeugdzorgplusinstelling. Verder moet hij de kosten van de begrafenis van het slachtoffer betalen aan de nabestaanden.

De minderjarige dader moet behandeld worden voor de bij hem vastgestelde stoornissen die een rol hebben gespeeld bij het delict om zo te voorkomen dat hij nog een keer een ernstig strafbaar feit begaat. Het voorwaardelijk kader van jeugd-TBS moet ervoor zorgen dat de dader deze behandeling ook echt gaat volgen en afmaakt.

Bij de duur van de op te leggen jeugddetentie heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de dader toen 15 jaar was en dat de wet bij daders van die leeftijd maximaal één jaar jeugddetentie toestaat. Naast de verminderde toerekeningsvatbaarheid speelt ook een rol dat de dader niet zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht maar dat het slachtoffer zelf de confrontatie heeft uitgelokt.

Hoewel het slachtoffer de dader in eerste instantie aanviel, vindt de rechtbank dat de dader zich niet met een mes tegen die aanval had mogen verdedigen. Er was een reële mogelijkheid voor de dader om weg te lopen of hulp van anderen in te roepen en bovendien is het gebruik van een mes in de situatie waarin de aanval bestaat uit schoppen en schelden buiten iedere proportie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777031-16

Datum uitspraak: 22 december 2016

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortdatum 2000]te [plaats] ,

adres: [adres]

thans preventief gedetineerd in (…).

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen met gesloten deuren van 14 juli 2016,

7 oktober 2016 en 8 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. van der Harg en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. I.A. van Straalen, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht, alsmede van hetgeen door de ter terechtzitting verschenen deskundigen en nabestaanden van het slachtoffer naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 april 2016 te ’s-Gravenhage het slachtoffer opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door het slachtoffer met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borstkas, althans in het bovenlichaam, te steken.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 7 april 2016 omstreeks 18:10 uur heeft in de nabijheid van het station Mariahoeve in Den Haag een confrontatie plaatsgevonden tussen het 18-jarige slachtoffer en de destijds 15-jarige verdachte. De verdachte heeft daarbij een mes tevoorschijn gehaald en tijdens de confrontatie is het slachtoffer met dit mes in zijn hart geraakt. Het slachtoffer heeft het mes zelf uit zijn borst getrokken, waarna de verdachte is weggerend. Het slachtoffer is met het mes in zijn hand vervolgens achter de verdachte aangerend. Enkele honderden meters verderop is het tot een handgemeen tussen hen gekomen waarbij over en weer is geslagen. Het slachtoffer is vervolgens in elkaar gezakt en korte tijd later overleden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord dan wel doodslag.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade heeft doodgestoken zodat hij ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, zoals impliciet subsidiair ten laste gelegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, evenals de officier van justitie, betoogd dat er geen bewijs voorhanden is voor de voor een veroordeling ter zake van moord noodzakelijke voorbedachte raad, zodat vrijspraak daarvan moet volgen.

Ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Er is geen sprake van opzet bij de verdachte omdat hij niet de bedoeling heeft gehad het slachtoffer te doden. De verdachte heeft enkele schijnbewegingen met het mes gemaakt en ter afschrikking één maal met zijn mes gezwaaid. Het mes bleef toen in de jas van het slachtoffer steken, waarna het slachtoffer het mes er uit trok.

Van opzet in voorwaardelijke zin is evenmin sprake. Zo er al een aanmerkelijke kans heeft bestaan op de dood van het slachtoffer in deze dynamische situatie, dan kan in elk geval niet worden bewezen verklaard dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Het gedrag van de verdachte was er geheel op gericht om het slachtoffer af te schrikken, en dat gold dus ook voor de zwaaiende beweging waarbij zijn mes in de borstkas van het slachtoffer terechtkwam. Het is onaannemelijk dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer en die kans op de koop toe zou hebben genomen. De verdachte is namelijk zeer jong, werd uit het niets door het slachtoffer aangevallen en alles vond binnen enkele seconden plaats.

Gelet op de hele situatie is er eerder sprake van een te onvoorzichtig dan wel onnadenkend uitgevoerde handeling van de verdachte, waarbij (de kans op) het uiteindelijk ingetreden gevolg nooit bij de verdachte is opgekomen en hij dit ook nooit heeft gewild.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging.

Eerdere confrontaties

Het wrange in het dossier is dat de verdachte en het slachtoffer ooit vrienden waren en veel met elkaar optrokken. Om redenen die de rechtbank niet duidelijk zijn geworden hebben zij ruzie gekregen waarbij het op verschillende momenten tussen hen tot fysiek geweld is gekomen. Eind 2015 hebben de verdachte en het slachtoffer bij winkelcentrum Mariahoeve met elkaar gevochten. De verdachte heeft daarover verklaard dat het duwen en trekken was en dat het slachtoffer hem ook klappen gaf. Daarna is het uitgepraat en was het weer goed. Vlak voor 7 april 2016 heeft opnieuw een vechtpartij tussen hen plaatsgevonden in het centrum van Den Haag. Bij deze vechtpartij zijn de verdachte en het slachtoffer al snel uit elkaar gehaald door hun aanwezige vrienden. Over deze vechtpartij wordt door een getuige onder meer verklaard dat het de verdachte was die in volle vaart, intimiderend op het slachtoffer afkwam. Volgens een andere getuige vielen er over en weer rake klappen.

De verdachte heeft zelf over dit gevecht gezegd dat het één op één was en dat het ongeveer 10 seconden duurde. Toen werden ze uit elkaar gehaald.

De confrontatie op 7 april 2016

Op camerabeelden is te zien dat het slachtoffer en zijn vriendin op 7 april 2016 rond 18.00 uur in een bushokje bij station Mariahoeve zaten. De verdachte kwam ongeveer vijf minuten later aanlopen vanaf de Hofzichtlaan. Het slachtoffer heeft tegen zijn vriendin gezegd dat hij even naar die jongen ging om te praten en liep in de richting van de verdachte op het Aegonplein. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte kwam aanlopen en 10 seconden later enigszins zijwaarts achteruit stapte. Te zien is dan dat het slachtoffer een trapbeweging maakte in de richting van de verdachte.

De vriendin van het slachtoffer heeft gezien dat de verdachte en het slachtoffer elkaar schopten. De schoppen waren over en weer even hard en er werd ook gepraat en gescholden. Ze heeft ook gezien dat de verdachte op een gegeven moment naar achteren liep en dat het slachtoffer achter hem aan liep.

Een getuige heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de jongens ruzie hadden en dat er aanrakingen tussen hen beiden waren maar niet met kracht. De verdachte liep steeds achteruit om de ander te ontwijken. De getuige heeft geen vechtpartij en geen wapens gezien. Er was vooral verbaal geweld, maar het kwam op hem enorm bedreigend over. Het slachtoffer bewoog, wild gebarend. Het slachtoffer was de agressor en het was duidelijk dat de verdachte in een benarde situatie zat, aldus de getuige.

Omdat de getuige niet heeft gezien dat er door het slachtoffer schoppen zijn uitgedeeld aan de verdachte, wat de verdachte en de vriendin van het slachtoffer wel verklaren, moet de rechtbank het ervoor houden dat de getuige alleen het laatste gedeelte van de confrontatie tussen het slachtoffer en de verdachte heeft waargenomen, vlak voordat de verdachte van het slachtoffer wegrende.

Na het incident heeft de vriendin van het slachtoffer nog even met hem gesproken. Hij zei tegen haar dat hij gestoken was. Zij vroeg hem wie het gedaan had en hoorde hem zeggen dat het de verdachte was.

De verdachte is diverse malen gehoord en heeft telkens gelijkluidende verklaringen afgelegd. Deze komen op het volgende neer. Toen verdachte op het Aegonplein liep, kwam het slachtoffer boos en dreigend op hem aflopen en begon hij direct te schelden. De verdachte had geen zin om met het slachtoffer te vechten en heeft “ga weg” naar het slachtoffer geroepen. Het slachtoffer heeft meermalen trappen aan de verdachte gegeven onder meer tegen zijn borst. De verdachte ging steeds een stukje naar achteren toen het slachtoffer trapte. De verdachte had het mes in zijn zak en haalde dit tevoorschijn toen het slachtoffer niet ophield. Hij heeft het mes opengevouwen en vastgeklikt en hield het mes in zijn hand naast zijn lichaam. Het slachtoffer heeft het mes gezien. Hij werd nog bozer en kwam weer op de verdachte af. De verdachte ging “naar voren duiken” om het slachtoffer af te schrikken maar deze schrok daar niet van. De verdachte heeft verklaard dat hij bij dit afschrikken een voet naar voren zette en met zijn bovenlijf en schouder naar voren bewoog om het slachtoffer af te schrikken. Het slachtoffer kwam telkens naar voren. Hij trapte weer richting de verdachte en toen heeft de verdachte een zwaaiende beweging met het mes gemaakt naar voren, ter hoogte van de borst van het slachtoffer. Tegelijkertijd kwam het slachtoffer naar voren. Tijdens de zwaaiende beweging is het mes door de jas van het slachtoffer gegaan en is daar vast blijven zitten. De verdachte heeft telkens benadrukt een zwaaiende beweging te hebben gemaakt en geen stekende beweging.

Het slachtoffer trok het mes eruit en de verdachte is weggerend. Het slachtoffer is nog achter de verdachte aan gerend en haalde hem in. Daarna vond een tweede confrontatie tussen beiden plaats, waarbij het slachtoffer de verdachte een bloedneus heeft geslagen. Het slachtoffer is vervolgens in elkaar gezakt.

Het slachtoffer is op 7 april 2016 om 18.40 uur overleden.

Uit de sectie op het lichaam van het slachtoffer bleek dat er sprake was van een steekkanaal van minimaal 3 centimeter, waarbij beide hartkamers en een kransslagader zijn geperforeerd. De conclusie van de forensisch patholoog is dat het intreden van de dood van het slachtoffer wordt verklaard door verwikkelingen van bij leven ingewerkt uitwendig scherprandig snijdend en perforerend geweld aan de borstkas links, te weten 1 steek.

Dergelijke steekletsel wordt opgeleverd met substantiële krachtsinwerking, aldus de patholoog.

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer dodelijk in zijn hart is getroffen door het mes dat door de verdachte met een zwaaibeweging in de borstkas van het slachtoffer is gestoken.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is vereist dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Hierbij hangt het sterk af van de gelegenheid tot nadenken, maar ook van de overige feitelijke omstandigheden waaronder het feit is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit of de voorbedachte raad bewezen kan worden.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, nu uit geen van de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte van tevoren heeft besloten het slachtoffer te doden en zich daar enige tijd op heeft beraden. De verdachte dient dan ook van de impliciet primair tenlastegelegde moord te worden vrijgesproken.

Het opzet

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er bij de verdachte sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte zogenaamd ‘boos opzet’ had om het slachtoffer te doden, dan wel dat sprake was van bewuste schuld bij de verdachte. Hij heeft altijd verklaard dat het niet de bedoeling was om het slachtoffer om te brengen en ook overigens biedt het dossier onvoldoende aanwijzingen om van een dergelijke vorm van opzet uit te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat wel kan worden bewezen dat er bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden. Of sprake is van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat het (behoudens contra-indicaties) niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer heeft aanvaard.

Zoals de rechtbank hierboven reeds heeft vastgesteld bevonden de verdachte en het slachtoffer zich in een dynamische situatie, waarin het slachtoffer de verdachte steeds probeerde te trappen, stonden zij op korte afstand van elkaar en kwam het slachtoffer steeds richting de verdachte lopen, terwijl de verdachte probeerde het slachtoffer met het mes af te schrikken door met het mes in zijn hand een stap naar voren te doen en gelijktijdig met zijn bovenlichaam naar voren te bewegen. Uiteindelijk heeft de verdachte met een zwaaibeweging het mes in de linkerzijde van de borstkas van het slachtoffer gestoken. Daarbij is het mes in de borstkas van het slachtoffer blijven steken. Uit het sectierapport volgt dat van enige substantiële krachtsinwerking sprake is geweest. De kans dat het slachtoffer als gevolg van deze handeling van de verdachte komt te overlijden is als aanmerkelijk te beschouwen, nu het immers algemeen bekend is dat zich in de borst vitale organen, zoals het hart en de longen bevinden. Deze gedraging, bestaande uit het op korte afstand naar voren zwaaien van een mes op borsthoogte van een steeds naar de verdachte toe bewegende persoon, is zozeer gericht op het intreden van de dood dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is uit het dossier niet gebleken en de omstandigheid dat de verdachte mogelijk onnadenkend of te onvoorzichtig is geweest is in elk geval geen contra-indicatie voor een bewezenverklaring van het voorwaardelijk opzet.

Conclusie

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

op 7 april 2016 te Den Haag het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd, door het slachtoffer met een mes in de borstkas te steken.

4 De strafbaarheid van het feit

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat het feit strafbaar is en dat een beroep op noodweer niet kan slagen. Weliswaar was er sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, maar de verdediging was noch noodzakelijk, noch geboden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een beroep op noodweer gedaan en verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De gedragingen van de verdachte tijdens het incident zijn volgens de verdediging te beschouwen als verdedigend en niet aanvallend. Het was juist het slachtoffer dat de aanval zocht. Er was duidelijk sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte en de gedraging van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging tegen die aanranding. Daar komt bij dat het slachtoffer drie jaar ouder was dan de verdachte en bovendien een geoefend kickbokser was, die de verdachte ongeremd en agressief aanviel. Er is hierdoor sprake van een significant verschil in lichaamskracht. Weliswaar wordt door vrienden verklaard dat de verhoudingen in eerdere ruzies min of meer gelijkwaardig waren maar dit waren kortdurende vechtpartijtjes waarvan onduidelijk was hoe serieus ze waren en bovendien waren er vrienden aanwezig die de twee al snel uit elkaar haalden. Over het onderhavige incident heeft de verdachte heel duidelijk verklaard hoe agressief het slachtoffer was en hoe bang de verdachte voor hem was, waarbij voorts de verklaringen van getuige W. van belang zijn, die onder meer spreekt over een zeer dreigende situatie en een hele duidelijke scheve verhouding in lichaamskracht. Door de verdediging is gewezen op de verklaring van de verdachte inhoudende dat hij eerst het mes had getoond en daarna een aantal schijnbewegingen heeft gemaakt en een ongerichte zwaaiende beweging heeft gemaakt in een poging het slachtoffer af te schrikken en de aanval te stoppen of een ontsnapping mogelijk te maken. Hij wilde hem niet raken maar het slachtoffer bewoog op hetzelfde moment weer naar voren. Er is dus geen sprake van disproportionaliteit. Aan een 15-jarige moeten voorts niet dezelfde eisen van proportionaliteit worden gesteld als aan een volwassene.

Aan het roepen naar omstanders heeft verdachte niet gedacht en voor de verdachte heeft zich evenmin een reële en redelijke vluchtkans voorgedaan. Toen duidelijk was wat het slachtoffer van plan was, was wegrennen voor de verdachte geen reële optie meer.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht luidt: niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke, aanranding.

Vereist is dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waarvan ook sprake is bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat het slachtoffer degene was die de confrontatie met de verdachte opzocht en daarbij verbaal agressief was en schoppende bewegingen heeft gemaakt. Deze aanval van het slachtoffer moet in redelijkheid als zodanig bedreigend voor de verdachte worden beschouwd dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van voormelde bepaling. Aldus is sprake van een noodweersituatie.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was en of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding ook geboden was (te weten het zogenoemde subsidiariteit en proportionaliteitsvereiste).

Naar het oordeel van de rechtbank bestond er in het onderhavige geval geen noodzaak tot verdediging, aangezien sprake was van een situatie waarin er voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid was om zich aan de aanranding te kunnen onttrekken. Voorop staat dat de verdachte door met het mes op zak te lopen zichzelf in een situatie heeft gebracht, waarin hij – al dan niet zonder andere opties goed af te wegen – dat mes zou kunnen gebruiken, terwijl die andere opties er wel waren. De rechtbank acht in dit verband relevant dat de aanranding door het slachtoffer plaatsvond terwijl het nog volledig licht was en uit de camerabeelden blijkt dat op die plek op dat tijdstip veel mensen aanwezig waren. Het slachtoffer kwam op de verdachte aflopen midden op het Aegonplein. Het slachtoffer had de verdachte niet vast maar schold hem uit en probeerde hem te schoppen. De verdachte bevond zich dus niet in een benarde positie. De rechtbank is daarom van oordeel dat het wegrennen in deze situatie een reële en redelijke optie was, zoals de verdachte dat ook daadwerkelijk heeft gedaan nadat hij het slachtoffer met het mes had gestoken en het slachtoffer dit mes uit zijn borst had getrokken. Dat het slachtoffer ouder en sterker was en sneller kon rennen, laat onverlet dat het wegrennen toch als een reële optie moet worden beschouwd, omdat niet kan worden uitgesloten dat het slachtoffer de verdachte wellicht had laten wegrennen.

Ook had de verdachte kunnen roepen of anderszins de aandacht trekken van andere mensen of juist richting andere mensen kunnen rennen. Dat het slachtoffer niet op opmerkingen van omstanders reageerde betekent niet dat omstanders niet te hulp zouden zijn geschoten als de verdachte daarom had geroepen.

Het trekken van en het zwaaien met een mes is naar het oordeel van de rechtbank bovendien disproportioneel geweest. Het tonen en vervolgens zwaaien van een mes richting de borstkas van het slachtoffer staat in geen enkele redelijke verhouding tot het schelden en schoppen door het slachtoffer, ook niet als die enige jaren een vechtsport heeft beoefend. Evenmin is de jeugdige leeftijd van de verdachte een omstandigheid die maakt dat hij zich – in tegenstelling tot volwassenen – met een mes tegen een aanval die bestaat uit schelden en trappen mag verdedigen. Aanvaarding van de door de verdediging betoogde ‘omgekeerde’ Garantenstellung voor jongeren zou ertoe leiden dat iedere minderjarige zich in beginsel met een mes tegen een onverhoedse aanval zou mogen verdedigen met alle ernstige gevolgen van dien. Door politie, justitie maar ook ouders en scholen wordt er niet voor niets opgetreden tegen kinderen die een mes bij zich dragen. Juist om te voorkomen dat ruzies, waarin jongeren zo gemakkelijk in verzeild lijken te raken, zo uit de hand lopen zoals in het geval van de verdachte en het slachtoffer.

De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de gekozen verdediging van de verdachte tegen de aanranding van het slachtoffer niet noodzakelijk was omdat de verdachte zich had kunnen en moeten onttrekken aan de aanval. De verdediging door de verdachte was evenmin geboden.

Het beroep op noodweer wordt verworpen en het feit is derhalve strafbaar.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de verdachte strafbaar is en dat een beroep op noodweerexces naar haar oordeel dient te worden verworpen, aangezien de verklaringen van de verdachte hiervoor geen onderbouwing bieden.

5.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank van oordeel is dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, wordt een beroep op noodweerexces gedaan, hetgeen leidt tot een ontslag van alle rechtsvervolging.

Uit de verklaringen van de verdachte volgt dat hij vanaf het moment dat het slachtoffer dreigend op hem af kwam heel erg bang was voor het slachtoffer. De gedraging van de verdachte was het directe gevolg van die angst die hem bekroop door de aanval van het slachtoffer. De verdachte was bang om fors mishandeld te worden en hierdoor heeft hij eenmaal om zich heen gezwaaid met het mes, waarmee hij onbedoeld een dodelijke verwonding heeft veroorzaakt. De verdachte heeft niet dusdanig disproportioneel gehandeld dat hem een beroep op noodweerexces moet worden ontzegd.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 41, tweede lid, Wetboek van Strafrecht luidt: niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

Dat bij de verdachte sprake is geweest van een dergelijke hevige gemoedsbeweging is niet komen vast te staan noch aannemelijk geworden. De rechtbank wil aannemen dat de verdachte schrok toen hij het slachtoffer ineens op zich af zag komen en dat hij daardoor zelfs zijn blikje cola uit zijn handen liet vallen, maar verder bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten die de aanwezigheid van een dusdanige hevige angst kunnen ondersteunen, dat van een hevige gemoedstoestand als bedoeld in artikel 41 lid 2 Wetboek van Strafrecht kan worden gesproken. Uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat hij welbewust gekozen heeft voor het maken van de fatale beweging, omdat hij het slachtoffer, die steeds opnieuw op hem afkwam, wilde afschrikken. Daarbij komt dat verdachte al twee keer eerder had gevochten met het slachtoffer en er ook overigens geen aanwijzingen zijn dat de verdachte zo bang was voor het slachtoffer dat hij zozeer door emoties was overmand dat deze doorslaggevend zijn geweest bij de zwaai die de verdachte met het mes heeft gemaakt richting het slachtoffer.

Derhalve is geen sprake van een gedraging die het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding en dient

het beroep op noodweerexces naar het oordeel van de rechtbank te worden verworpen. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem impliciet primair tenlastegelegde, te weten moord, wordt vrijgesproken en dat hij ter zake van het impliciet subsidiair tenlastegelegde, te weten doodslag, wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 11 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte voorwaardelijk wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden een opnameverplichting in een forensische kliniek en een meldplicht bij de jeugdreclassering. Verzocht is om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij het opleggen van een straf rekening te houden met de conclusie van het Pro Justitia onderzoek, te weten verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Voorts heeft de raadsman de rechtbank gevraagd er bij het opleggen van jeugddetentie rekening mee te houden dat de verdachte werd aangevallen en nooit heeft gewild dat het slachtoffer zou overlijden. De verdediging ziet ruimte in behandeling van de verdachte in een ambulant kader. Zo de rechtbank een ambulante behandeling niet passend acht, dan dient behandeling in een jeugdzorgplusinstelling plaats te vinden. De verdachte is niet op zijn plaats in een justitiële jeugdinrichting en ook niet in een forensische kliniek. De populatie aldaar is schadelijk voor zijn ontwikkeling, aldus de raadsman.

Ten aanzien van het Pro Justitia rapport is betoogd dat er door de opstellers van het rapport onvoldoende rekening is gehouden met de feitelijke gang van zaken op 7 april 2016, namelijk dat de verdachte handelde uit zelfverdediging en dat het slachtoffer de confrontatie heeft opgezocht. In het rapport worden conclusies getrokken op basis van feiten en omstandigheden die onvoldoende zijn gebleken of zijn geconcretiseerd. De rol van het slachtoffer wordt niet besproken of uitgewerkt en er wordt gesuggereerd dat het conflict te wijten zou zijn aan de agressie die de verdachte oproept. Het is verder de vraag of het onderzoek de conclusie kan dragen dat sprake is van een lichte verstandelijke beperking.

De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (de PIJ-maatregel) - onvoorwaardelijk of voorwaardelijk - is niet geïndiceerd, aangezien er onvoldoende verband bestaat tussen de tekortkomingen in de persoonlijkheid van de verdachte en het tenlastegelegde feit. Een PIJ-maatregel is disproportioneel nu niet kan worden aangetoond dat deze tekortkomingen een rol hebben gespeeld.

Subsidiair wordt verzocht om de PIJ-maatregel voorwaardelijk op te leggen met een gesloten plaatsing in Jeugdzorgplusinstelling, waarbij kan worden toegewerkt naar een ambulant kader voor verdere behandeling.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft de pas 18-jarige het slachtoffer met een mes in de borst gestoken als gevolg waarvan die korte tijd later is overleden. Met zijn handelen heeft de verdachte het meest kostbare bezit van het slachtoffer afgenomen, namelijk zijn leven. Daarmee heeft hij de familie van het slachtoffer hun zoon, broer en neef afgenomen. Ter terechtzitting zijn de ouders van het slachtofferen zijn jongste broer aanwezig geweest die hebben verteld dat het verlies van het slachtoffer voor hen onbeschrijfelijk groot is, het gemis van hem hen zo zwaar valt en dat zij het moeilijk vinden geen duidelijk antwoord te hebben gekregen op de vraag waarom de ruzie tussen hun zoon en de verdachte zo uit de hand heeft kunnen lopen.

De rechtbank realiseert zich dat geen straf dit verlies voor de nabestaanden kan vergoeden.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van d.d. 2 september 2016, van het klinisch multidisciplinair onderzoek Pro Justitia, verricht en ondertekend door [A] , gz-psycholoog en [B] , psychiater. Hierin komt onder meer het volgende naar voren:

Bij de verdachte is vastgesteld dat er sprake is van een ziekelijke stoornis, in de vorm van een gedragsstoornis NAO, van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van zwakbegaafdheid met hoofdzakelijk executieve functieproblemen en van een bedreigde persoonlijkheidsstoornis, die zich tot een narcistische persoonlijkheidsstoornis dan wel trekken daarvan dreigt te ontwikkelen. De onderzoekers zijn van mening dat de psychopathologie zijn wilsvrijheid gedeeltelijk heeft beperkt bij het plegen van het tenlastegelegde. Door zijn informatieverwerkingsproblemen is de verdachte minder goed in staat overzicht te krijgen en te bewaren in sociaal complexe situaties en is onvoldoende bij machte te overzien wat zijn gedrag voor effect heeft op anderen. Uit de observaties komt naar voren dat de verdachte moeite heeft de grenzen van anderen aan te voelen, deze grenzen, met name bij conflicten, gemakkelijk kan overschrijden en hierdoor een conflict kan ’voeden’, waardoor hij irritatie en agressie kan uitlokken bij de ander. Vanuit zijn bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling is hij verhoogd krenkbaar. De verdachte verklaart zelf dat de denigrerende opmerkingen van het slachtoffer hem erg hebben gekwetst. In gedragskundige zin betekent dit dat zijn kwetsbaar zelfgevoel sterk onder druk is komen te staan, op grond waarvan gevoelens van boosheid zijn geluxeerd, waarvan De verdachte niet los kon komen, waar hij in bleef hangen en waar De verdachte uiting aan heeft moeten geven tegenover het slachtoffer door bijvoorbeeld te schelden. De verdachte kan of wil weinig inzicht geven in de redenen waarom hij zich minder veilig voelde en daarom een mes aanschafte na de zomer van 2015. Hij heeft daarmee een risicovolle situatie gecreëerd, hetgeen past bij het beeld dat hij onvoldoende over adequate oplossingsvaardigheden beschikt en onvoldoende kan overzien wat de risico’s zijn van het op zak hebben van een mes. De verdachte heeft echter slechts (zeer) beperkt inzage gegeven in zijn innerlijke belevingen en drijfveren en de onderzoekers konden door zijn inconsequente en soms tegenstrijdige antwoorden geen wezenlijk duidelijk beeld van de situatie krijgen.

Op grond van de psychopathologie bestaat een verhoogde kans op recidive. Het risico komt dan met name voort uit het bij de zwakbegaafdheid passende beperkte overzicht op complexe situaties en de gevolgen van zijn eigen handelen, op zijn beperkte oplossingsvaardigheden en op de bij de gebrekkige ontwikkeling passende narcistische component die met name voorkomt in de interactie met anderen, zoals de verhoogde krenkbaarheid, het onvoldoende aanvoelen van grenzen, de neiging conflicten te verergeren door een ander (onbedoeld) uit te dagen. Het is aannemelijk dat de verdachte door deze factoren sneller in conflict komt met anderen.

De ouders hebben onvoldoende overwicht op hun zoon en zijn vanuit hun liefdevolle betrokkenheid geneigd zijn gedrag te vergoelijken, waardoor de verdachte onvoldoende op zijn persoonlijke verantwoordelijkheden wordt gewezen, wordt belemmerd in het ontwikkelen van adequate probleemoplossende vaardigheden en indirect wordt gestimuleerd te externaliseren, de oorzaak van problemen bij anderen te leggen en zichzelf als slachtoffer te zien. De autonomie-ontwikkeling van de verdachte staat onder druk doordat de separatie tussen de ouders en De verdachte door een overbeschermende en verwennende opvoedingsstijl onvoldoende op gang komt, hetgeen een negatief zelfgevoel en gebrek aan identiteit in de hand werkt. Dit maakt de verdachte krenkbaar en kan tot een verdere narcistische pantsering met persoonlijkheids-pathologie leiden.

Onderzoekers zijn van mening dat zowel de pathologie als de omstandigheden van De verdachte interventie behoeven om de kans op recidive te verlagen en een adequate persoonlijkheidsontwikkeling te bevorderen. De afgelopen jaren is ambulante behandeling ingezet, waarbij het zelfbepalende gedrag van de verdachte onvoldoende kon worden doorbroken en men er niet in slaagde de ouders in hun gezag te herstellen. Om het recidivegevaar en de scheefgroei in de ontwikkeling af te wenden is klinische behandeling noodzakelijk. Een consequent behandelklimaat, waaraan hij zich niet kan onttrekken is noodzakelijk.

De (sociale) zelfredzaamheid dient te worden gestimuleerd en de schoolgang dient te worden gewaarborgd, waarbij hij positieve, op de toekomst gerichte ervaringen kan opdoen die zijn zelfgevoel kunnen versterken. Het is noodzakelijk de interactie tussen de verdachte en zijn groepsgenoten nauwkeurig te observeren, zodat hij zich bewust kan worden van zijn contactuele valkuilen en nieuwe vaardigheden en oplossingsstrategieën in sociale situaties kan aanleren.

Zodra de behandelinstelling dit mogelijk acht dient naar terugplaatsing bij de ouders toegewerkt te worden. Intensieve ouderbegeleiding gericht op het opvoedingsklimaat is noodzakelijk.

Om de behandeling te waarborgen, ook wanneer de verdachte zich zou willen onttrekken, hetgeen bij de behandeling van narcistische problematiek als de onderhavige als een intrinsiek bij de behandeling passend fenomeen kan worden gezien, adviseren onderzoekers om de behandeling vorm te geven in het kader van een voorwaardelijke maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, waarbij het meest aangewezen lijkt een plaatsing in een residentiële instelling die een gefaseerde behandeling biedt, in eerste aanleg gericht is op orthopedagogische beïnvloeding en afgestemd op LVB-populatie.

Ter terechtzitting heeft de psychologe [A] nog verklaard dat behandeling in Jeugdzorgplusinstelling de voorkeur heeft omdat zij gespecialiseerd zijn in de behandeling van jongeren met LVB-problematiek. Daarbij komt dat vanuit Jeugdzorgplusinstelling de ouders van verdachte intensief kunnen worden betrokken bij de behandeling en dat vanuit Jeugdzorgplusinstelling stap voor stap kan worden toegewerkt naar de terugkeer naar huis. Gelet op het schone strafblad van de verdachte is behandeling in een forensische setting nog niet aangewezen. Daar zou hij bovendien negatief beïnvloed kunnen worden door andere bewoners.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming, met name die van 30 september 2016 en 5 december 2016.

Hierin heeft de Raad zich achter het advies van het bovengenoemde rapportage geschaard. Naar voren komt onder meer:

Een klinische intramurale behandeling vanuit, in eerste instantie een gesloten setting in een jeugdzorginstelling is aangewezen om de bedreigde ontwikkeling aan te pakken en het diepgewortelde interactiepatroon tussen de ouders en de verdachte aan te pakken. De ouders zijn zich te weinig bewust dat zij een essentiële rol zullen moeten spelen en dat zij zelf mee zullen moeten veranderen. Zij zijn welwillend en gemotiveerd, echter inzicht ontbreekt nog. Thuisplaatsing dient geleidelijk, onder toezicht en gefaseerd te geschieden.

Naast delictanalyse bij de Waag adviseert de Raad om te bezien of er aldaar (naast de orthopedagogische aanpak) forensische expertise kan worden ingeroepen zowel op individuele als op systeembenadering. In samenspraak met de jeugdreclassering zijn de opties afgewogen en is de conclusie dat Jeugdzorgplusinstelling de meest geëigende instelling is. Om deze reden verzoekt de Raad aan de rechtbank om een ondertoezichtstelling uit te spreken en machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie te verlenen. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt niet geadviseerd omdat zulk een behandelsetting niet passend is bij de beschreven problematiek en minder mogelijkheden biedt voor het intensief betrekken en mee behandelen van het systeem en omdat de verdachte zich aldaar zou kunnen gaan optrekken aan de verharde populatie.

De Raad adviseert de maatregel PIJ voorwaardelijk op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering en een behandelverplichting bij Jeugdzorgplusinstelling en bij de Waag. In verband met plaatsing in Jeugdzorgplusinstelling is door de Raad een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing gevraagd. De Raad heeft voorts geadviseerd te bepalen dat de te stellen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De Raad heeft in zijn briefrapport van 5 december 2016 aangegeven dat de benodigde behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke of voorwaardelijk PIJ-maatregel ook kan worden verkregen bij de forensische kliniek voor jeugdpsychiatrie en orthopsychiatrie. Omdat de Raad van mening is dat de ouders intensief bij de behandeling betrokken moeten worden om de kans op succes te optimaliseren, gaat de voorkeur van de Raad uit naar plaatsing in Jeugdzorgplusinstelling hetgeen veel dichter bij de woonplaats van de ouders is gelegen. Doorplaatsing kan in dat geval soepel plaatsvinden, interventies kunnen doorlopen en het systeem kan intensief bij de behandeling betrokken worden. De ouders en de verdachte willen hier aan meewerken. De Raad heeft geconcludeerd dat de kans op herhaling van gewelddadig gedrag reëel aanwezig is indien de problematiek onbehandeld blijft. De Raad heeft verzocht om de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Ter terechtzitting heeft de raadsvertegenwoordiger nog laten weten dat de voor het forensische gedeelte noodzakelijke hulpverlening door De Waag binnen Jeugdzorgplusinstelling kan worden geboden.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en zal het advies overnemen. Op grond van de bevindingen en conclusies vanuit het hierboven samengevatte Pro Justitia-rapport komt zij tot het oordeel dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd ten tijde van het tenlastegelegde.

De rechtbank stelt vast dat het gepleegde feit voldoet aan de voorwaarden voor het opleggen van een PIJ-maatregel, voor wat betreft de strafmaat. Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater, de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. De rechtbank zal de PIJ-maatregel in voorwaardelijke vorm opleggen, om de hierna te noemen bijzondere voorwaarden te waarborgen.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel, in voorwaardelijke vorm, zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Dit betekent dat in het geval van tenuitvoerlegging van de maatregel verlenging ervan mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Gelet op de hiervoor geschetste bevindingen van het pro Justitia-rapport, het raadsonderzoek en het reëel aanwezige recidiverisico bij geen behandeling, is de rechtbank van oordeel dat ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van de duur van de op te leggen jeugddetentie stelt de rechtbank voorop dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit 15 jaar was. De wet bepaalt dat in die situatie een jeugddetentie van maximaal twaalf maanden kan worden opgelegd. Naast de hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte acht de rechtbank voor de omvang van de op te leggen jeugddetentie relevant dat de verdachte niet degene is geweest die de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht. Om deze redenen acht de rechtbank een jeugddetentie van 10 maanden meer passend en geboden.

De rechtbank acht het zorgelijk dat de verdachte geen openheid heeft willen geven over de achtergrond van het conflict met het slachtoffer en over sommige van zijn bezigheden buitenshuis, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat een aantal vragen met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden onbeantwoord is gebleven. De rechtbank wenst dit nadrukkelijk als aandachtspunt mee te geven aan de behandelaars.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

Inleiding

De vader van het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 3.151,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De vordering betreft materiële schade, te weten:

Ticket vader € 338,72

Ticket broer slachtoffer € 343,00

Kosten prepareren graf € 100,00

Kosten grafleges € 70,00

Kosten grafsteen € 300,00

Maaltijd uitvaart €1000,00

Maaltijd afscheid Nederland €1000,00

7.2.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.3.

Het standpunt van de verdediging

De vordering is door de verdediging niet betwist noch is enig ander verweer ter zake gevoerd.

7.4.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen en zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen.

Een en ander brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.151,72, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen is zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit, te weten moord, heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

DOODSLAG;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 10 maanden

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen


bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

- zich zal melden bij Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden op daartoe door deze instelling vastgestelde tijdstippen en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de jeugdreclassering noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van het gesloten behandelcentrum “de Jeugdzorgplusinstelling”, of zoveel korter als de behandelaars in overleg met de jeugdreclassering nodig achten, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling worden gegeven;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Waag, indien en voor zover dit door de jeugdreclassering nodig wordt geacht;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk is geworden aan die van de opgelegde jeugddetentie;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.151,72 vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de vader van het slachtoffer;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de vader van het slachtoffer, een bedrag van € 3.151,72, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M. Boone, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.F. Baaij, kinderrechter,

en mr. F.W. van Dongen, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. T.B. van Amen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2016.