Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15930

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
C-09-521924-KG ZA 16-1409
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verbod executie (Italiaans) Europees betalingsbevel in afwachting van de afloop van de heroverwegingsprocedure bij de rechtbank Florence.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/521924 / KG ZA 16-1409

Vonnis in kort geding van 20 december 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats ] ,

eiser,

advocaat mr. J.C. Hardam te Schiedam,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te […] , [plaats ] , Italië,

gedaagde,

advocaat mr. R. de Falco te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en ' [gedaagde] '.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van [gedaagde] van 7 december 2016, met producties;

- de brief van [eiser] van 8 december 2016, met producties;

- de op 9 december 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is profvoetballer van beroep. Sinds 1 januari 2014 staat hij als zodanig onder contract van de voetbalclub [X] .

2.2.

Op 17 juni 2012 heeft [eiser] - toen hij onder contract stond van voetbalclub [Y] in Italië - een schriftelijke volmacht ("Mandato") ondertekend, waarbij hij aan [gedaagde] - een advocate en spelersmakelaar - een exclusieve volmacht verstrekte om namens hem werkzaamheden te verrichten (zoals het voeren van onderhandelingen en het sluiten van contracten). Naast een verschuldigd percentage van 7% over door [eiser] te ontvangen vergoedingen en betalingen is in de volmacht een exclusiviteitsclausule opgenomen op overtreding waarvan een boete van € 100.000,-- is gesteld.

2.3.

Per 18 februari 2014 staat [eiser] in de Basisregistratie personen ('Brp') ingeschreven op het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [woonplaats ] . Met ingang van 28 april 2014 huurt [eiser] het appartement aan de [adres 2] te ( [postcode 2] ) [woonplaats ] , alwaar hij sedertdien - ondanks voormelde inschrijving in het Brp - feitelijk verblijft.

2.4.

Op 10 februari 2015 heeft de rechtbank te Florence ("Firenze') - op de voet van de "Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure" (hierna de 'EBB-verordening') - op verzoek van [gedaagde] een Europees betalingsbevel (hierna 'EBB') uitgevaardigd tegen [eiser] ter zake van een schuldvordering van (in totaal) € 161.175,87, te vermeerderen met rente, uit hoofde van de volmacht van 17 juni 2012.

2.5.

De betekening c.q. kennisgeving van het EEB aan [eiser] - zoals voorgeschreven in artikel 12 lid 5 van de EBB-verordening - heeft plaatsgevonden aan het adres [adres 3] te [woonplaats ] .

2.6.

Nadat van [eiser] geen verweer was ontvangen tegen het EBB, heeft de rechtbank te Florence het EBB op 21 juli 2015 onverwijld uitvoerbaar verklaard op de voet van artikel 18 van de EBB-verordening. De uitvoerbaarverklaring vermeldt als woonadres van [eiser] : [adres 3] te [woonplaats ] (postcode: " [nummer] "),

2.7.

Op 21 augustus 2015 heeft [gedaagde] krachtens het - uitvoerbaar verklaarde - EBB ten laste van [eiser] executoriaal (loon)beslag laten leggen onder diens werkgever, [de werkgever] , voor een bedrag van € 168.133,02, onverminderd verdere rente en kosten. Als gevolg van het beslag wordt maandelijks een bedrag van € 6.810,47 ingehouden op het salaris van [eiser] .

2.8.

[eiser] heeft de rechtbank Florence om heroverweging van het EBB verzocht op grond van artikel 20 van de EBB-verordening. Deze procedure is nog aanhangig. De voortgezette behandeling van die zaak is vastgesteld op 11 juni 2017 om 10.00 uur.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - [gedaagde] op straffe van verbeurte van een dwangsom te gebieden:

primair

- alle executoriale beslagmaatregelen jegens [eiser] onmiddellijk te staken c.q. op te schorten en gestaakt c.q. opgeschort te houden totdat de rechtbank Florence een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de rechtsgeldigheid van het EBB;

subsidiair

- de maandelijkse inhouding op het salaris van [eiser] te matigen tot een bedrag van
€ 500,--, in afwachting van de inhoudelijke uitkomst van de procedure bij de rechtbank Florence;

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

Het EBB en de uitvoerbaarverklaring ervan zijn op een ondeugdelijke wijze tot stand gekomen. Het EBB is destijds immers naar/op een adres verzonden/betekend waarop [eiser] niet woonde, dan wel verbleef. [gedaagde] wist dat, althans had dat kunnen weten. Als gevolg van het niet-bereiken van het EBB heeft [eiser] geen verweer kunnen voeren tegen het EBB, wat hij zeker zou hebben gedaan als hij daarvan wel (tijdig) kennis had gekregen. [eiser] bestrijdt namelijk de juistheid van de door [gedaagde] gestelde vordering; hij heeft zich steeds aan alle afspraken met haar gehouden. In verband met een en ander heeft [eiser] een heroverwegingsprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Florence. [gedaagde] maakt misbruik van haar executiebevoegdheid, althans handelt onrechtmatige jegens [eiser] , door - ondanks het voorgaande - het loonbeslag ten laste van [eiser] te handhaven.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het feit dat [eiser] een heroverwegingsprocedure aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Florence, biedt hem - op grond van artikel 23 aanhef en onder c van de EBB-verordening - de mogelijkheid om bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het EBB in te dienen wegens buitengewone omstandigheden. De Uitvoeringswet betreffende de EBB-verordening bepaalt - in artikel 10 - dat op dergelijke verzoeken tot opschorting artikel 438 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering van toepassing is. Gelet op het voorgaande gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het onderhavige kort geding een procedure ex artikel 23 aanhef en onder c van de EBB-verordening betreft (de situaties zoals bedoeld in artikel 23 aanhef en onder a en b doen zich hier niet voor). Derhalve dient te worden onderzocht of sprake is van zodanige buitengewone omstandigheden die meebrengen dat de tenuitvoerlegging van het EBB moet worden opgeschort.

4.2.

Als niet (voldoende gemotiveerd) weersproken staat vast dat het EBB destijds - op basis van door [gedaagde] bij het verzoek tot uitvaardiging van het EBB verstrekte informatie - is verzonden naar c.q. betekend op het adres [adres 3] te [woonplaats ] , op welk adres [eiser] woonde noch verbleef. In de rechtsverhouding tussen partijen behoren de gevolgen daarvan geheel voor rekening en risico van [gedaagde] te komen. Het lag immers op haar weg om de rechtbank Florence te voorzien van de juiste informatie over de woon- c.q. verblijfplaats van [eiser] . De juiste verblijfplaats van [eiser] blijkt overigens uit een WhatsApp-bericht van [eiser] aan (een vertegenwoordiger van?) [gedaagde] van 24 september 2014, waarin [eiser] aangeeft dat hij woont op (appartements)nummer [nummer 2] van het appartementencomplex gelegen aan de [adres 3] - [nummer 3] te ( [postcode 3] ) [woonplaats ] .

4.3.

Op grond van het voorgaande en gelet op het bepaalde in artikel 20 van de EBB-verordening - waarin onder andere is bepaald dat een verzoek tot heroverweging kan worden ingediend indien de verweerder de vordering buiten zijn schuld niet heeft kunnen betwisten - kan niet worden uitgesloten dat de rechtbank Florence besluit dat de door [eiser] verzochte heroverweging gegrond is.

4.4.

Voorts dient op grond van het vorenstaande te worden aangenomen dat [eiser] niet in staat is geweest zich (behoorlijk) te verweren tegen het EBB voordat het uitvoerbaar werd verklaard, terwijl de oorzaak daarvan buiten zijn invloedssfeer lag, maar binnen die van [gedaagde] . Verder moet ervan worden uitgegaan dat [eiser] (tijdig) verweer zou hebben gevoerd tegen de vordering van [gedaagde] indien hij wel kennis had gekregen van het EBB. Alsdan zou het EBB niet onverwijld uitvoerbaar zijn verklaard op de voet van artikel 18 van de EBB-verordening, maar zou de procedure volgens het gewone burgerlijk procesrecht zijn voortgezet. [gedaagde] zou dan niet al hebben beschikt over een executoriale titel en had dus ook geen executoriaal loonbeslag kunnen leggen. Daar komt bij dat aan een loonbeslag inherent is dat de gevolgen (zeer) ingrijpende gevolgen heeft voor de beslagene (in casu: [eiser] ).

4.5.

In de hiervoor geschetste omstandigheden moet worden geconcludeerd dat sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 23 aanhef en onder c van de EBB-verordening. Dit betekent dat de primaire vordering van [eiser] zal worden toegewezen op de hieronder in het dictum vermelde wijze. Aan het vorenstaande doet niet af het door [eiser] - als productie 8 - overgelegde ontvangstbewijs. [eiser] verbindt zelf aan die productie geen enkele conclusie; hij doet er in ieder geval geen enkel beroep op, noch in de dagvaarding, noch in de pleitnota, noch in de verklaringen (van zijn advocaat) op de zitting. [gedaagde] heeft die productie slechts zijdelings aan de orde gesteld in haar twee termijn op de zitting. Daaraan moet echter reeds worden voorbijgegaan omdat [eiser] daar niet meer op heeft kunnen reageren.

4.6.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. Wel zal worden bepaald dat de dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

4.7.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt [gedaagde] met ingang van 24 uur na het uitspreken van dit vonnis alle executoriale beslagmaatregelen jegens [eiser] krachtens het EBB op te schorten en opgeschort te houden totdat de rechtbank Florence heeft beslist in de heroverwegingsprocedure, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- bij overtreding daarvan;

5.2.

bepaalt dat de dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 4.6 vermeld;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.200,61, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 288,-- aan griffierecht en € 96,61 aan dagvaardingskosten;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2016.

jvl