Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1591

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
C-09-505044-KG ZA 16-152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter van de Haagse rechtbank heeft in kort geding beslist dat eiser in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling niet kan worden verplicht zich (ook) nog te laten begeleiden door een psycholoog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/505044 / KG ZA 16-152

Vonnis in kort geding van 19 februari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. W.H. Jebbink te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van de Staat van 10 februari 2016, met productie;

- de op 11 februari 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft [eiser] - bij arrest van 18 juli 2003 - veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaar wegens - in het bijzonder - de moord op Pim Fortuyn en het bedreigen van diens chauffeur.

2.2.

Bij besluit van 25 april 2014 (hierna 'het Besluit') heeft het Openbaar Ministerie [eiser] met ingang van 2 mei 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling is - onder andere - de volgende bijzondere voorwaarde verbonden:

"- dat u (voorzieningenrechter: [eiser] ) gedurende de proeftijd wordt verplicht zich te laten begeleiden door een psycholoog of psychiater. Deze begeleiding heeft tot doel u te begeleiden bij de sociaal-emotionele kant van het re-integreren in de maatschappij. De psycholoog/psychiater zal de reclassering over de voortgang rapporteren en de begeleiding duurt zolang de psycholoog/psychiater dit, na overleg met reclassering en CVv.i. (voorzieningenrechter: Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling, een onderdeel van het Openbaar Ministerie), noodzakelijk acht".

Ingevolge het Besluit is Reclassering Nederland (hierna 'de Reclassering') belast met het houden van toezicht op de naleving van die voorwaarde. Onder meer met het oog daarop is in het Besluit opgenomen dat [eiser] moet meewerken aan het reclasseringstoezicht.

2.3.

In verband met voormelde bijzondere voorwaarde heeft [eiser] zich - met instemming van de Reclassering - gemeld bij psychiater dr. [psychiater 1] te [plaats 1] , (hierna ' [psychiater 1] '). Vervolgens heeft [psychiater 1] - met het oog op de begeleiding van [eiser] - gedurende de periode van 28 mei 2014 tot en met 10 maart 2015 ongeveer maandelijks gesproken met [eiser] .

2.4.

In een telefoongesprek van 9 februari 2015 heeft [psychiater 1] aan de Reclassering medegedeeld dat voortzetting van het contact met [eiser] niet meer nodig is.

2.5.

Bij brief van 12 maart 2015 heeft [psychiater 1] - voor zover hier van belang - het volgende bericht aan de Reclassering:

"Tenslotte: zoals ik al telefonisch met u heb besproken zijn er op dit moment geen (noodzakelijke, noch voldoende) feiten, of factoren die langere psychiatrische begeleiding door mij noodzakelijk en/of zinvol maken. Betrokkene heeft zelf voldoende aangegeven zijn re-integratie in het maatschappelijk verkeer aan te kunnen, en er zijn van mijn kant geen argumenten om dat tegen te spreken. Langere begeleiding door mij heeft mijns inziens dan ook geen meerwaarde. Ik heb jl. dinsdag 10 maart 2015, in goed overleg met betrokkene, ons contact beëindigd en afscheid van hem genomen"

2.6.

Op 14 december 2015 is aan [eiser] medegedeeld dat hij in het kader van de, aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden, bijzondere voorwaarden zal worden begeleid door een psycholoog.

2.7.

Bij brief van 11 januari 2016 heeft het Openbaar Ministerie, althans de CVv.i., het volgende bericht aan de advocaat van [eiser] :

"Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw faxbericht van 29 december 2015.

In uw brief stelt u dat u geen motivering in mijn eerdere brief heeft aangetroffen voor het inschakelen van een psycholoog in het kader van de voorwaarden v.i. Ik zal mijn besluit hieronder nader motiveren.

In de periode van juni 2014 tot maart 2015 heeft begeleiding van dhr. [eiser] plaatsgevonden door psychiater [psychiater 1] . Deze psychiater heeft in maart 2015 aan de reclassering laten weten dat de begeleiding is afgerond.

Het doel van de begeleiding door een psychiater of psycholoog is het re-integreren in de maatschappij vanuit sociaal-emotioneel oogpunt.

Uit de informatie die de psychiater aan de reclassering heeft gegeven is onvoldoende duidelijk geworden of dit doel is bereikt.

Ik acht voortzetting van de begeleiding door een psycholoog geïndiceerd.

Daar komt bij dat uw client zich sterk verzet tegen het contact met de reclassering in het kader van de meldplicht, waardoor de reclassering geen zicht krijgt op de resocialisatie en eventuele risicofactoren.

(…)

Om te kunnen komen tot een wijziging dan wel afbouw van de voorwaarden wil ik meer inzicht verkrijgen in het sociaal emotioneel welbevinden van uw cliënt en in het risico op recidive."

2.8.

Op 7 februari 2016 heeft [eiser] , althans zijn advocaat, bezwaar gemaakt tegen de in de brief van 11 januari 2016 aangevoerde argumenten voor de begeleiding door een psycholoog.

2.9.

Bij e-mailbericht van 4 februari 2016 heeft het Openbaar Ministerie aan [eiser] medegedeeld dat hij zich op 17 februari 2016 om 13.30 uur dient te melden bij psycholoog dr. [psycholoog] te [plaats 2] .

2.10.

[eiser] heeft zich tot op heden gehouden aan de voorwaarden die aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling zijn verbonden.

3 Het geschil

3.1.

Na vermindering van eis vordert [eiser] , zakelijk weergegeven, de Staat te verbieden om - op basis van het Besluit - aan [eiser] gedurende de proeftijd (opnieuw) de verplichting op te leggen tot het ondergaan van begeleiding door een psycholoog of psychiater, dan wel de betreffende bijzondere voorwaarde in het Besluit te schorsen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

Omdat [psychiater 1] het niet langer noodzakelijk achtte dat hij [eiser] nog verder zou begeleiden met het oog op diens terugkeer in de samenleving, is - na overleg met de Reclassering - de begeleiding na het laatste gesprek op 10 maart 2015 beëindigd. In die situatie handelt de Staat onrechtmatig door van [eiser] te verlangen dat hij zich ook nog (verplicht) laat begeleiden door een psycholoog. De redenen die daarvoor worden aangevoerd deugen ook niet.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] baseert zijn vordering op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven.

4.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter laat de (tekst van de) hier ter discussie staande bijzondere voorwaarde, waaraan [eiser] dient te voldoen in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling, niets aan duidelijkheid te wensen over: [eiser] dient zich - met het oog op de sociaal-emotionele kant van zijn re-integratie in de maatschappij - te laten begeleiden door òf een psycholoog, òf een psychiater, zolang deze dat - na overleg met de Reclassering en de CVv.i. - noodzakelijk acht.

4.3.

Op zichzelf erkent de Staat dat de begeleiding van [eiser] door een psychiater als afgerond kan worden beschouwd. De voorzieningenrechter begrijpt dat de Staat beoogt aan te voeren dat met de bijzondere voorwaarde wordt bedoeld dat [eiser] wordt begeleid door een psychiater en/of een psycholoog en dat de voorwaarde dus de ruimte biedt om [eiser] te verplichten zich, na de beëindiging van de begeleiding door een psychiater, te laten begeleiden door een psycholoog. Daaraan moet echter worden voorbijgegaan, gelet op de helderheid van de tekst van de voorwaarde en nu feiten en/of omstandigheden, op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat die bedoeling ook kenbaar was voor [eiser] , zijn gesteld noch gebleken. Dit laatste klemt te meer, nu uit adviezen waarop het Besluit mede is gebaseerd - in het bijzonder (i) het multidisciplinair gedragsdeskundig onderzoek van psychiater [psychiater 2] en klinisch-psycholoog [klinisch-psycholoog] van 23 februari 2014, (ii) het reclasseringsadvies van 23 februari 2014 en (iii) het aanvullende reclasseringsadvies van 17 maart 2014 - volgt dat de begeleiding (slechts) door één persoon, zijnde een psychiater òf een psycholoog, behoeft plaats te vinden. Daarin wordt immers - min of meer eensluidend - aangegeven dat het moet gaan om een 'coachend' contact met een gedragsdeskundige die dient als klankbord en ter versterking van beschermende factoren en die [eiser] tot steun kan zijn bij zijn terugkeer in de samenleving. Hij/zij moet [eiser] in dat kader kunnen voorzien van advies en feedback. Blijkens het aanvullende reclasseringsadvies van 17 maart 2014 is - in dat verband - voor de psychiater/psycholoog een bijzondere taak weggelegd met het oog op het versterken van de relatie van [eiser] (met - naar moet worden aangenomen - zijn partner), waar toch de nodige dynamiek zal zijn. De hier aan de orde zijnde bijzondere voorwaarde betreft derhalve geen psychiatrische en/of psychologische behandeling die [eiser] moet ondergaan, wat de Staat ook erkent. Zonder nadere toelichting, die niet wordt gegeven, valt in ieder geval niet in te zien dat de hiervoor vermelde begeleiding moet worden gegeven door een psychiater én een psycholoog. Van de gedragsdeskundige wordt - anders dan de Staat lijkt te suggereren - ook niet verwacht dat hij een uitspraak doet over het recidiverisico ten aanzien van [eiser] .

4.4.

Ter voldoening aan de bijzondere voorwaarde heeft [eiser] vanaf 28 mei 2014 (ongeveer) maandelijks contact gehad met psychiater [psychiater 1] . Op 10 maart 2015 heeft [psychiater 1] de begeleiding van [eiser] beëindigd, omdat - naar zijn mening - [eiser] zijn re-integratie in de maatschappij zelfstandig aankan en verdere begeleiding niet noodzakelijk en/of zinvol is. Blijkens het voortgangsverslag van de reclassering van 16 november 2015, had [psychiater 1] daaraan voorafgaand - tijdens een telefonisch overleg op 9 februari 2015 - aan de Reclassering gemeld dat hij de begeleiding van [eiser] niet meer nodig acht, onder opgave van de redenen daarvoor. Zijn standpunt heeft hij in zijn brief van 12 maart 2015 aan de Reclassering herhaald. Daarmee is - volledig - voldaan aan de bijzondere voorwaarde, in die zin dat de verplichte begeleiding is afgerond.

4.5.

Voor zover de Staat heeft aangevoerd, dan wel willen aanvoeren, dat de Reclassering had moeten instemmen met de beëindiging van de begeleiding door [psychiater 1] , kan hij daarin niet worden gevolgd. Blijkens de tekst van de voorwaarde wordt de duur van de begeleiding (enkel) bepaald door de betreffende psycholoog of psychiater, zij het na - en niet in - overleg met de Reclassering. Daaraan is - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - voldaan. De voorwaarde bepaalt overigens ook dat overleg over de voorgenomen beëindiging moet plaatsvinden met de CVv.i. Voor zover dit laatste niet is gebeurd, kan niet worden aangenomen dat dat consequenties moet hebben. Zoals hiervoor al aangegeven was de Reclassering - aan wie het Openbaar Ministerie het toezicht op de naleving van de voorwaarden had opgedragen en die in dat verband de belangrijkste gesprekspartner was voor zowel [eiser] als [psychiater 1] - op de hoogte van de beëindiging. Bovendien rustte op [psychiater 1] slechts de plicht om de beëindiging van de begeleiding (vooraf) te bespreken met de CVv.i. De CVv.i. behoefde daarmee niet akkoord te gaan. In die situatie kan het eventuele verzuim van [psychiater 1] om de CVv.i. op de hoogte te stellen niet meebrengen dat de begeleiding als niet-beëindigd moet worden beschouwd. Overigens moet ervan worden uitgegaan dat de CVv.i. op enig moment bekend raakte met de beëindiging van de begeleiding, terwijl gesteld noch gebleken is dat zij daartegen binnen een redelijke termijn bezwaar heeft gemaakt, wat in het voorkomende geval wel op haar weg had gelegen. Tot slot is van belang dat de Staat op zichzelf erkent dat de begeleiding door een psychiater als afgerond kan worden beschouwd.

4.6.

Een en ander betekent dat aan de onderhavige bijzondere voorwaarde is voldaan in de onder 4.4 vermelde zin en dat [eiser] - in het kader van die voorwaarde - niet kan worden verplicht zich ook nog te laten begeleiden door een psycholoog. Dat [eiser] daartoe op grond van een andere - aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden - voorwaarde gehouden zou zijn, is gesteld noch gebleken. Overigens vindt de voorzieningenrechter het opmerkelijk dat [eiser] - na de beëindiging door [psychiater 1] van de begeleiding op 10 maart 2015 - voor het eerst op 14 december 2015 werd geïnformeerd over de eis dat hij ook nog dient te worden begeleid door een psycholoog. Het zou immers voor de hand hebben gelegen dat [eiser] daarmee kort na 10 maart 2015 zou zijn geconfronteerd. Een plausibele reden voor dat - lange - tijdsverloop, waarmee in feite is ingestemd met de beëindiging van de begeleiding, heeft de Staat niet gegeven. Gelet op het doel van de begeleiding door een psychiater of psycholoog kan de wens van een nader onderzoek door het Nationaal Instituut voor Forensische Psychiatrie, dat overigens niet heeft plaatsgevonden, daarvoor in ieder geval niet als deugdelijk argument worden beschouwd. Uit de verklaringen van de zijde van de Staat op de zitting blijkt dat de wens om [eiser] ook psychologisch te laten begeleiden in het bijzonder is ingegeven door de verslechterde contacten tussen [eiser] en de Reclassering sinds oktober 2015. Ook dat vormt - gelet op het doel van de voorwaarde - geen valide reden, te minder nu de Staat heeft aangevoerd dat bij de bepaling van de voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling bewust ervoor is gekozen om enerzijds de controle door de Reclassering en anderzijds de steun van een gedragsdeskundige te splitsen. In die situatie kan het niet zo zijn dat in geval van slechte communicatie tussen [eiser] en de Reclassering, waarvan overigens niet is komen vast te staan dat de oorzaak ervan enkel bij [eiser] moet worden gezocht, (nadere) begeleiding door een gedragsdeskundige moet plaatsvinden. Niet valt in te zien dat de gedragsdeskundige de taak van de Reclassering zou kunnen overnemen. Overigens heeft de Staat aangegeven dat [eiser] de voorwaarden - ondanks de verslechterde communicatie met de Reclassering - steeds is nagekomen.

4.7.

De slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden toegewezen op de hieronder in het dictum vermelde wijze.

4.8.

De Staat zal - als de in het ongelijk gestelde partij - worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt de Staat om [eiser] - op basis van het Besluit - gedurende de proeftijd opnieuw de verplichting op te leggen tot het ondergaan van begeleiding door een psycholoog of psychiater;

5.2.

veroordeelt de Staat in de proceskosten tot op dit vonnis in totaal begroot op
€ 972,75, waarvan:

a. € 895,-- te voldoen aan [eiser] (€ 816,-- aan salaris advocaat en € 79,-- aan griffierecht);

b. € 77,75, wegens explootkosten, in het voorkomende geval te vermeerderen met BTW, te voldoen aan de griffier van de rechtbank na ontvangst van een nota;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2016.

jvl