Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15868

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
AWB 16 / 14315
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder gaat uit van bestaand familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar meerderjarige zoon, maar verleend geen mvv omdat er volgens verweerder geen sprake is van een meer dan gebruikelijke (emotionele) afhankelijkheid tussen eiseres en referent.

De rechtbank is van oordeel dat door de wijze waarop verweerder in de onderhavige zaak de belangenafweging heeft ingekleed, verweerder de facto slechts heeft getoetst aan één belang, namelijk of sprake is van more than normal emotional ties. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan het vereiste dat verweerder alle betrokken belangen dient af te wegen. Voorts heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt hoe de belangen van eiseres vervolgens zijn afgewogen aan het belang van de Nederlandse staat, dat volgens verweerder in deze bestaat uit een restrictief toelatingsbeleid.

Bovendien heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet genoegzaam heeft aangetoond dat er tussen haar en referent sprake is van more than normal emotinal ties. Eiseres is bijna 80 jaar en heeft medische problemen. Zij wordt financieel ondersteund door referent en voor de dagelijkse zorg is zij afhankelijk van de echtgenote van referent. Aan deze echtgenote van referent was en mvv nareis verleend, maar zij heeft deze mvv laten verlopen en is vrijwillig in Syrië achtergebleven om voor eiseres te zorgen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kan stellen dat eiseres niet afhankelijk is van de exclusieve zorg van referent, enkel vanwege het feit dat diens echtgenote die zorg op zich heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/14315

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. W. de Vilder),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Procesverloop

Op 10 april 2015 heeft eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij [naam referent] (referent).

Bij besluit van 3 december 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Bij besluit van 6 juni 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2016. Referent is verschenen, evenals de gemachtigde van eiseres. De gemachtigde van verweerder is met kennisgeving niet verschenen. Tevens is als tolk aanwezig F. Kanaan.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1937 en heeft de Syrische nationaliteit. Referent, geboren op [geboortedag] 1957 en eveneens van Syrische nationaliteit, is de (oudste) zoon van eiseres. Referent is op 19 januari 2015 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Referents echtgenote en beide minderjarige dochters hebben in de loop van 2015 een mvv gekregen in het kader van “nareis asiel”. Zijn dochters zijn ook daadwerkelijk naar Nederland gekomen. Zijn echtgenote heeft geen gebruik gemaakt van de aan haar verleende mvv, maar is in Syrië achtergebleven om voor eiseres te zorgen. Op 10 april 2015 heeft referent de hiervoor genoemde aanvraag ingediend voor eiseres. Eiseres beoogt verblijf bij referent. Eiseres heeft behalve referent nog vier andere kinderen. Een van deze kinderen is vier jaar geleden uit Syrië gevlucht. Sindsdien is niets meer van haar vernomen. Van de overige drie kinderen heeft er een de Duitse nationaliteit. De andere twee verblijven, net als referent, in Nederland.

2. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het belang van de Staat bij de in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te maken belangenafweging zwaarder weegt dan het belang van eiseres.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het besluit van verweerder. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het bestreden besluit een schending van haar recht op familieleven met referent oplevert. Zij heeft voldoende onderbouwd dat zij een (bijzondere) band met referent heeft en dat het niet mogelijk is het familieleven met hem in Syrië uit te oefenen vanwege de miserabele situatie aldaar. Verweerder heeft aan dit laatste onvoldoende gewicht toegekend, aldus eiseres. Tevens heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de zorg voor eiseres nu rust op de echtgenote van referent en deze echtgenote aldus als het ware wordt gedwongen in oorlogsgebied te verblijven, terwijl zij een mvv voor Nederland heeft gekregen. Bovendien dreigt eiseres op staat gezet te worden door de verhuurder van het appartement waar zij momenteel verblijft. Tot slot heeft eiseres een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar een specifieke zaak.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge paragraaf B7/3.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is tussen ouders en hun meerderjarige kinderen altijd sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Indien is vastgesteld dat sprake is van een beschermenswaardig familieleven, dient verweerder vervolgens na te gaan of weigering van het verblijf van de vreemdeling ook daadwerkelijk een schending artikel 8 van het EVRM oplevert.

Hierbij neemt verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw en breng deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen verweerder bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele zaak. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per zaak verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, heeft verweerder hierbij een zekere beoordelingsvrijheid.

In de Werkinstructie 2015/4 is met betrekking tot de mee te wegen belangen het volgende gesteld:

In in paragraaf 2.5.2 staan als belangen van de staat genoemd:

a. a) de openbare orde en nationale veiligheid,

b) het voorkomen van wanorde en nationale veiligheid,

c) de bescherming van de gezondheid en de goede zeden,

d) de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen,

e) het economisch welzijn van het land.

In paragraaf 2.5.3 staan als belangen van de vreemdeling (in ieder geval) genoemd:

a. a) inmenging en verblijfsduur,

b) objectieve of subjectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen,

c) banden met andere landen,

d) asielgerelateerde aspecten,

e) banden van de vreemdeling of diens gezin/familie met Nederland of met het land van herkomst,

f) medische omstandigheden,

g) more than normal emotional ties (bij meerderjarige kinderen).

Ten aanzien van punt g. More than normal emotional ties (meerderjarige kinderen) wordt nog het volgende verduidelijkt:

In de Vc 2000 (B7/3.8) is opgenomen dat tussen meerderjarige kinderen en hun ouders altijd sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Pas in de belangenafweging betrek je of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen het meerderjarige kind en diens ouder(s) (more than normal emotional ties).

6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in de onderhavige zaak sprake is van beschermingswaardig familieleven. Conform het gestelde in de Vc 2000 heeft verweerder dit ook in het bestreden besluit en het daaraan en grondslag liggen primaire besluit tot uitdrukking gebracht door te stellen dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

Vervolgens heeft verweerder echter gesteld dat eiseres, ondanks het bestaan van familieleven, alleen rechten kan ontlenen aan artikel 8 EVRM – en daarmee verblijf in Nederland kan verkrijgen – indien sprake is van een meer dan gebruikelijke (emotionele) afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Verweerder heeft vervolgens gekeken naar de medische en financiële omstandigheden van eiseres. Verweerder heeft deze belangen niet als zelfstandig belang meegewogen, maar slechts geplaatst in de toets of er wel of geen sprake is van more than normal emotional ties. Datzelfde geldt voor de asielgerelateerde aspecten die eiseres naar voren heeft gebracht (althans voor zover dit geen argumenten zijn die in een asielprocedure thuishoren) en de objectieve (en subjectieve) belemmeringen om het familieleven in Syrië uit te oefenen. In het bestreden besluit wordt hieromtrent immers vermeld dat beide belangen slechts een rol kunnen spelen indien sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

7. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gemaakte belangenafweging

onvolledig is geweest, dan wel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan de belangen van eiseres. De rechtbank baseert dit op het volgende.

Zoals uit het gestelde in de Vc 2000 blijkt, dient verweerder bij de belangenafweging niet enkel te beoordelen of sprake is van more than normal emotional ties, maar dienen hierbij alle aanwezige belangen te worden betrokken en dienen de belangen van eiseres vervolgens te worden afgezet tegen die van de Nederlandse staat.

Door de wijze waarop verweerder in de onderhavige zaak de belangenafweging heeft ingekleed heeft verweerder de facto slechts getoetst aan één belang, namelijk of sprake is van more than normal emotional ties. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de vereiste belangenafweging. Voorts heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt hoe de belangen van eiseres vervolgens zijn afgewogen aan het belang van de Nederlandse staat, dat volgens verweerder in deze bestaat uit een restrictief toelatingsbeleid.

8. De rechtbank is tevens van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat er tussen haar en referent sprake is van more than normal emotinal ties. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

In de Werkinstructie 2015/4 wordt ten aanzien van punt g. More than normal emotional ties (meerderjarige kinderen) gesteld dat getoetst dient te worden of de afhankelijkheidsrelatie de gebruikelijke banden die tussen gezinsleden bestaan overstijgt. De banden moeten zo sterk zijn dat als gevolg van de scheiding de betreffende gezinsleden niet in staat zijn zelfstandig te functioneren. Hierbij mag worden betrokken of anderen in staat zijn de zorg voor het gezinslid op zich te nemen.

Van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer sprake is van medische of psychische problematiek en de gezinsleden zonder de zorg van exclusief dat ene gezinslid niet kunnen functioneren.

In de onderhavige zaak heeft eiseres gesteld medische problemen te hebben en heeft ze deze met stukken onderbouwd. Zij is bijna 80 jaar en is, mede gelet op haar medische problemen, zowel voor haar dagelijkse verzorging als financieel afhankelijk van referent. Referent is hieromtrent door verweerder gehoord en heeft aangegeven dat er geen familie meer in Syrië is die voor eiseres kan zorgen en dat hij evenmin een derde hiervoor kan inhuren, mede gelet op de oorlogssituatie aldaar.

Verweerder heeft deze argumenten niet weersproken, maar heeft ze niet doorslaggevend geacht, omdat niet is aangetoond dat de zorg die eiseres nodig heeft exclusief door referent geleverd moet worden. Verweerder heeft er in dit kader op gewezen dat die zorg nu immers ook door iemand anders wordt geleverd, te weten door de echtgenote van referent die vrijwillig in Syrië is achtergebleven om voor eiseres te zorgen.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat inderdaad niet gebleken is dat de zorg/verzorging die eiseres nodig heeft exclusief door referent geleverd moet worden, althans niet in die zin dat referent de enige is die de benodigde specifieke kennis en kunde heeft om juist die zorg te leveren die eiseres nodig heeft. De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres niet van de exclusieve zorg van referent afhankelijk is. De rechtbank betrekt hierbij dat verweerder niet heeft weersproken dat eiseres zorg/verzorging nodig heeft en dat er – met uitzondering van de echtgenote van referent – geen familie of andere personen in Syrië wonen die voor haar kunnen zorgen. Het feit dat de echtgenote de aan haar verleende mvv heeft laten verlopen en aldus vrijwillig in Syrië is achtergebleven, in plaats van zich bij haar man en minderjarige kinderen in het veilige Nederland te voegen, ondersteunt dit ook. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kan stellen dat eiseres niet afhankelijk is van de exclusieve zorg van referent, enkel vanwege het feit dat diens echtgenote die zorg op zich heeft genomen.

9. De rechtbank betrekt hierbij tevens het volgende. Door eiseres is een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel door te verwijzen naar een zaak die volgens eiseres vergelijkbaar is met de hare.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangedragen zaak niet vergelijkbaar is. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat in de aangedragen zaak wel sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Het ging hier om een vreemdeling die 24 uur per dag verzorging nodig had waarvoor zij exclusief afhankelijk was van de betrokken referent. Voorts verbleef zij in een vluchtelingenkamp waar zij de noodzakelijke zorg niet kon krijgen en kon zij geen aanspraak maken op faciliteiten.

Ter zitting is zijdens eiseres nader toegelicht dat het ging om eens deels verlamde moeder van een in Nederland verblijvende vluchteling. Deze moeder verbleef inderdaad in een vluchtelingenkamp zonder verdere voorzieningen, maar werd daar wel verzorgd door haar dochter.

De rechtbank is van oordeel dat de zaak die eiseres heeft aangedragen niet geheel vergelijkbaar is met de zaak van eiseres. Zo heeft eiseres wel toegang tot noodzakelijk zorg en faciliteiten, in die zin dat zij de door haar benodigde medicijnen kan krijgen en onlangs nog opgenomen is geweest in het ziekenhuis. In zoverre is derhalve geen sprake van vergelijkbare gevallen.

Daar tegenover staat dat verweerder in die andere zaak heeft aangenomen dat de vreemdeling voor de benodigde zorg exclusief afhankelijk was van de betrokken referent, terwijl ook deze vreemdeling – net als eiseres - de facto door een ander familielid werd verzorgd. Dit maakt niet dat eiseres hierdoor een geslaagd beroep toekomt op het gelijkheidsbeginsel, maar dit gegeven onderschrijft wel hetgeen de rechtbank onder rechtsoverweging 8 heeft overwogen, te weten dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat eiseres niet afhankelijk is van de exclusieve zorg van referent, enkel vanwege het feit dat diens echtgenote die zorg op zich heeft genomen.

10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is. Tevens volgt hieruit dat, zoals eiseres heeft aangevoerd, geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar, zodat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

11. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

12. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten, die zijn begroot op € 992,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 496,- per punt en wegingsfactor 1). Verder zal verweerder het door eiseres betaalde griffierecht moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 992,-;

- veroordeelt verweerder in het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 december 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.