Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1579

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
C/09/482313 / HA ZA 15-155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Schadevergoedingsvordering na uitspraak EHRM (Romet v. Nederland). Verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/36 met annotatie van Kluwer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/482313 / HA ZA 15-155

Vonnis van 17 februari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar publiek recht

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(MINISTERIE VAN VEILIGHEID & JUSTITIE),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 januari 2015,

  • -

    de conclusie van antwoord, met 15 producties,

  • -

    het tussenvonnis van 20 mei 2015, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,

  • -

    de akte “overlegging stuk met toelichting” aan de zijde van [eiser] ,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 november 2015,

  • -

    de brief van mr. Struycken voornoemd met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal, die als hierin opgenomen zullen worden beschouwd.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

Vermissing en misbruik rijbewijs

2.1.

[eiser] is eind september 1995 zijn rijbewijs kwijtgeraakt.

2.2.

Op 3 november 1995 heeft [eiser] aangifte gedaan van de vermissing van zijn rijbewijs.

2.3.

In de periode vanaf de vermissing van het rijbewijs tot en met 14 maart 1997 - de datum waarop aan [eiser] een nieuw rijbewijs is afgegeven - is met behulp van het vermiste rijbewijs van [eiser] door derden een groot aantal auto’s op zijn naam gesteld. In totaal zijn in die periode 1737 kentekenregistraties van motorvoertuigen op naam van [eiser] gesteld en kentekenbewijzen afgegeven.

(Rechts)gevolgen

2.4.

Vervolgens zijn met deze auto’s diverse overtredingen van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (Wahv) begaan, zoals het niet verstrekken van keuringsbewijzen (apk), overtreding van de toegestane maximum snelheid en overtreding van een parkeerverbod. Als gevolg van deze overtredingen zijn aan [eiser] diverse boetebeschikkingen opgelegd.

2.5.

Daarnaast zijn, als gevolg van de kentekenregistraties, aan [eiser] belastingaanslagen opgelegd van meer dan één miljoen euro.

2.6.

In mei 1996 is de bijstandsuitkering van [eiser] beëindigd.

2.7.

[eiser] is op grond van de Wahv, vanwege het niet betalen van de hem opgelegde boetes, van 7 tot 14 juni 1996 (zeven dagen) in gijzeling genomen.

2.8.

Op 28 juni 1996 heeft de politie [eiser] gehoord als zogeheten ‘katvanger’ . Tegen [eiser] is geen strafrechtelijke vervolging ingesteld.

2.9.

Bij brief van 1 juli 1996 heeft de raadsman van [eiser] bezwaar gemaakt bij de officier van justitie tegen diverse aan [eiser] opgelegde boetebeschikkingen, op grond van het feit dat [eiser] niet de beschikking had gehad over de voertuigen waarmee de overtredingen waren begaan. De advocaat heeft in dezelfde brief bericht van de vermissing van het rijbewijs en aangifte gedaan van valsheid in geschrifte door de gebruikers van de betreffende voertuigen. Daarnaast heeft de advocaat de officier van justitie verzocht om ervoor zorg te dragen dat het vermiste rijbewijs ongeldig zou worden verklaard en dat landelijk via de centrale computer zou worden doorgegeven dat een ieder wordt aangehouden die gebruik maakt van het betreffende rijbewijs, met de navolgende toelichting:

“De heer [eiser] heeft getracht dit op advies van rechercheur C (…) zelf te bewerkstelligen, doch men wenst dat op de afdeling afgifte rijbewijzen van de gemeente niet te doen voordat een nieuw rijbewijs is aangevraagd en daarvoor heeft de heer [eiser] geen geld temeer omdat hem al maanden een uitkering wordt geweigerd, omdat hij zoveel auto’s op zijn naam heeft staan.”

2.10.

[eiser] is wederom in gijzeling genomen van 18 december 1996 tot 22 januari 1997 (35 dagen).

2.11.

[eiser] heeft, na een aanvraag daartoe, op 14 maart 1997 een nieuw rijbewijs verkregen. Met ingang van die datum konden er door derden geen kentekenregistraties meer plaatsvinden met behulp van het vermiste rijbewijs.

2.12.

In 1997 of 1998 is [eiser] , tot begin 2004, ondergedoken.

2.13.

[eiser] is op 8 januari 2004 opnieuw op grond van de Wahv in gijzeling genomen. [eiser] is op 26 januari 2004 in vrijheid gesteld (19 dagen). [eiser] heeft in die periode de navolgende procedures gestart.

Bestuursrechtelijke procedure
2.14. Op 13 januari 2004 heeft [eiser] de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer (hierna: RDW) verzocht om (een aantal) kentekenregistraties aan te passen.

2.15.

Bij besluit van 2 april 2004 heeft de RDW de tenaamstelling van 240 kentekens met ingang van die datum vervallen verklaard, waardoor de bijhorende kentekenbewijzen ongeldig werden. De overige van de in totaal 1737 tenaamstellingen (zie 2.3) waren vóór

2 april 2004 reeds vervallen. De RDW heeft de vervallenverklaring niet, zoals verzocht, met terugwerkende kracht vervallen verklaard, omdat “daarmee de zuiverheid van dat register (Rb: het kentekenregister) ernstig zou worden aangetast.”

De RDW adviseert [eiser] in dit besluit om in het geval hij niet verantwoordelijk is geweest voor de voertuigen vóór de datum van vervallenverklaring, zich te wenden tot de instanties die hem in verband met deze voertuigen aansprakelijk hebben gehouden, zoals de officier van justitie en de Belastingdienst.

2.16.

[eiser] heeft tegen deze beslissing - tevergeefs - bezwaar gemaakt bij de RDW en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Vervolgens heeft [eiser] , nadat het beroep door de rechtbank ongegrond was verklaard, beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De Afdeling heeft in haar uitspraak van 7 december 2005 de beslissing van de rechtbank in stand gelaten.

2.17.

[eiser] heeft zich op 10 februari 2006 met een klacht tegen de Staat gewend tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Hij heeft zich beroepen op schending van de artikelen 5, 6, 7 en 8 EVRM. Het EHRM heeft op 14 februari 2012 uitspraak gedaan en een schending van artikel 8 EVRM vastgesteld (EHRM, 14 februari 2012, no. 7094/06). Kort gezegd acht het hof het recht op respect voor het privé-leven geschonden omdat het feit dat het vermiste rijbewijs op het moment van melding van die vermissing niet ongeldig is verklaard, misbruik van de identiteit van [eiser] door anderen mogelijk maakte. Het EHRM heeft in dit verband het volgende overwogen:

“3. The Court's assessment

a. Interference

37. The Court takes the view that the failure to invalidate the applicant's driving license as soon as the applicant reported it missing, which made abuse of the applicant's identity by other persons possible, constitutes an ‘interference’ with the applicant's right to respect for his ‘private life’.

b. In accordance with the law

38. The applicant's submissions notwithstanding, the Court accepts that the interference had a basis in domestic law, namely section 123 of the Road Traffic Act and section 40 of the Vehicle Registration Regulations as construed by the Administrative Jurisdiction Division.

39. As regards Directive 95/46/EC, on which the applicant relies, the Court notes that for purposes of the Convention it binds domestic authorities only in the form in which it has been transposed into domestic law (see mutatis mutandis K.R.S. v. the United Kingdom (dec.), no. 32733/08, 2 December 2008, and M.S.S. v. Belgium and Greece [GC], no. 30696/09, § 250, 21 January 2011).

c. Legitimate aim

40. The Court accepts that the interference pursued a ‘legitimate aim’, namely the ‘protection of the rights and freedoms of others’.

d. Necessary in a democratic society

41. The sole remaining question is whether the interference was ‘necessary in a democratic society’.

42. The Court does not consider it necessary to delve into the question, debated between the parties, whether the applicant took sufficient action in respect of the false registrations of vehicles in his name. It observes that on 3 November 1995 the applicant reported his driving license stolen. It considers that from that day onward the domestic authorities were no longer entitled to be unaware that whoever might have the applicant's driving license in his or her possession was someone other than the applicant.

43. Yet the applicant's driving license was invalidated only on 14 March 1997, when the applicant obtained a replacement. After that date, apparently, no further vehicles were unlawfully registered in the applicant's name. Plainly, therefore, swift administrative action to deprive a driving license of its usefulness as an identity document was possible and practicable. The Government have not satisfied the Court that such action could not have been taken immediately after the applicant reported that he had lost possession and control of the document.

44. There has accordingly been a violation of Article 8 of the Convention.

(…)

VI. Application of Article 41 of the Convention

62.
Article 41 of the Convention provides:

“If the Court finds that there has been a violation of the Convention or the Protocols
thereto, and if the internal law of the High Contracting Party concerned allows only partial
reparation to be made, the Court shall, if necessary, afford just satisfaction to the injured
party.”

The applicant claimed compensation of pecuniary and non-pecuniary damage and costs
and expenses.

A. Pecuniary and non-pecuniary damage

63. The applicant claimed the following sums in respect of pecuniary and non-pecuniary
damage:
a. 83,701.86 euros (EUR), the estimated sum which he had lost in respect of lost social-
security benefits;
b. EUR 11,000 towards the interest on debts which he was unable to service as a result of
having lost his income;
c. EUR 500, the estimated total of the fines which he had had to pay, which had been
advanced by members of his family;
d. EUR 4,530 for the time that he spent in detention, calculated according to domestic rates;

e. EUR 100,000 in a single sum for “emotional damages” and the resulting loss of earning
capacity in the future.

64. The Government submitted that these claims were unsubstantiated and in any case
unreasonably high. They also questioned the likelihood that the applicant would ever have
had any future income not derived from social security.

65. Rule 60 of the Rules of Court provides, inter alia, that “the applicant must submit
itemised particulars of all claims, together with any relevant supporting documents”, failing
which “the Chamber may reject the claim in whole or in part”. The attention of the
applicant’s representative was drawn to this provision by the Registrar at the appropriate
stage of the proceedings.

66. As to pecuniary damage, itemised particulars and supporting documents are entirely

lacking. The Court therefore rejects the claims under these heads in their entirety.

67. The Court accepts however that the applicant suffered non-pecuniary damage as a result
of the violation found. Deciding on an equitable basis, it awards the applicant EUR 9,000
under this head.

B. Costs and expenses

68. The applicant claimed the following sums in respect of costs and expenses:
(…)

69. The Government drew attention to the absence of precision of these claims and the lack
of supporting documents.

70. The Court notes that these claims are entirely unspecified and unsupported by
documentary evidence. Having regard to the dear terms of Rule 60 and referring to
paragraph 65 above, it therefore rejects them.”

2.18.

[eiser] heeft in de EHRM-procedure zijn totale schade begroot op een bedrag van € 199.731,61. Het door het EHRM toegekende bedrag van € 9.000 heeft de Staat aan [eiser] betaald.

Artikel 12 Sv-procedure
2.19. [eiser] heeft op 12 februari 2004 een klaagschrift ingediend bij het gerechtshof Amsterdam, waarin hij de beslissing van de officier van justitie om geen strafvervolging in te stellen jegens diegenen die op zijn naam auto’s hebben laten registreren, bestrijdt.

2.20.

Bij beschikking van 22 juni 2005 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard. Daarbij heeft het hof het voorstel van de advocaat-generaal onderschreven om tot een eenmalige sanering over te gaan van de talloze procedures waarin [eiser] ongewild verwikkeld is geraakt, om zo de problematiek van [eiser] op te lossen.

2.21.

Bij klaagschrift van 23 juni 2005 heeft [eiser] het hof verzocht de beslissing te herzien. Bij tussenbeslissing van 15 januari 2007 heeft het hof aan de advocaat-generaal verzocht waarom schoning van de documentatie van [eiser] achterwege was gebleven. Uit een brief van 13 november 2008 van het OM blijkt dat de schoning van de documentatie destijds abusievelijk achterwege is gelaten; eind 2008 vindt alsnog de schoning plaats van alle CJIB-zaken. Het hof heeft het klaagschrift bij beschikking van 26 maart 2009 alsnog ongegrond verklaard.

Boetebeschikkingen
2.22. [eiser] heeft op 18 juni 2004 beroep ingesteld tegen de beslissingen van de officier van justitie ten aanzien van 39 op grond van de Wahv opgelegde boetebeschikkingen die aan [eiser] werden verzonden in de periode van 28 mei 1997 tot en met 28 september 1999. In zijn uitspraak van 19 juli 2005 heeft de kantonrechter de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht en de boetebeschikkingen inhoudelijk beoordeeld. De kantonrechter heeft de beroepen gegrond geacht en de boetebeschikkingen vernietigd. Daartoe overwoog de kantonrechter onder meer:

“3.2. In de Wahv is geregeld, zakelijk weergegeven, dat de kentekenhouder aansprakelijk is in gevallen waarin niet aanstonds kan worden vastgesteld wie de bestuurder is (…). Bedoelde aansprakelijkheid impliceert dat de overheid ervoor zorg dient te dragen dat de kentekenregistratie uiterst zorgvuldig dient plaats te vinden. Voorts mag van de overheid verwacht worden dat zo veel mogelijk wordt voorkomen dat onjuiste of onterechte registraties plaatsvinden.

3.3.

Met gebruikmaking van een rijbewijs kan de houder daarvan een kenteken op zijn naam laten stellen. Al jaren is bekend dat gestolen rijbewijzen worden gebruikt om kentekens op naam te stellen van degene van wie het rijbewijs is gestolen. Pas nadat het rijbewijs ongeldig was geworden (was komen te vervallen) verviel de mogelijkheid om met dat rijbewijs kentekens te naam te stellen. Tot voor kort verviel een rijbewijs pas als een nieuw rijbewijs werd aangevraagd. Inmiddels is het zo dat door aangifte van verlies/diefstal van een rijbewijs met dat rijbewijs geen tenaamstelling meer mogelijk is. De periode dat van een gestolen rijbewijs gebruik gemaakt kan worden is daarmee is veel gevallen aanzienlijk bekort. Die verbetering heeft [eiser] niet kunnen baten.

3.4.

De raadsman van [eiser] heeft er op gewezen dat de autoriteiten hun verplichting om de juistheid van de gegevens van het kentekenregister te waarborgen niet naar behoren zijn nagekomen. Zowel politie- en justitieautoriteiten waren op de hoogte van de aangifte door [eiser] van het verlies van zijn rijbewijs en van het gebruik dat van dat rijbewijs werd gemaakt. Desondanks zijn maandenlang vele kentekens per dag op naam van [eiser] gesteld met gebruikmaking van dat rijbewijs.

3.5

Gezien hetgeen onder 2.2. is overwogen is voldoende komen vast te staan dat [eiser] enorme gevolgen heeft ondervonden van het gebruik/misbruik dat van zijn (gestolen) rijbewijs is gemaakt. Indien [eiser] geen enkel verwijt kan worden gemaakt over het gebruik/misbruik dat van zijn rijbewijs is gemaakt zijn vorenbedoelde gevolgen onaanvaardbaar. Indien [eiser] wel een verwijt valt te maken (bijv. katvangerschap) heeft te gelden dat de gevolgen van dat onjuiste handelen in geen verhouding staan tot zijn vergrijp. Dat betekent echter niet dat de initiële beschikkingen die [eiser] heeft gekregen nietig zijn, zoals de raadsman heeft aangevoerd.

3.6. (…)

In artikel 8 Wahv is een regeling gegeven ter voorkoming van het ontsporen van de aansprakelijkheid van de kentekenhouder. Hoewel de zaak van [eiser] niet precies onder de daar genoemde gevallen kan worden gerangschikt wordt beslist dat de officier van justitie, naar analogie van artikel 8 onder a. Wahv, de beschikkingen had moeten vernietigen. De beroepen zijn mitsdien gegrond.”

2.23.

Tegen deze uitspraak is geen beroep ingesteld.

Aansprakelijkstellingen en verdere verloop
2.24. Bij brief van 13 januari 2004 heeft de advocaat van [eiser] de Staat gemaand de gijzeling van [eiser] (zie 2.13) te beëindigen en alle dwangmaatregelen ter incasso van belastinggelden als gevolg van kentekenregistraties met behulp van het vermiste rijbewijs van [eiser] achterwege te laten. Voorts heeft de advocaat de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade van [eiser] als gevolg van de door hem ondergane gijzelingen en door hem of familieleden uitgezeten of betaalde boetes en belastingen.

2.25.

In 2004 zijn de bijstandsuitkeringen aan [eiser] weer hervat; [eiser] heeft nadien werk gevonden en geniet thans geen bijstandsuitkering.

2.26.

[eiser] is in 2006/2007 in behandeling geweest in verband met psychische klachten.

2.27.

Bij brief van 22 augustus 2008 heeft de advocaat van [eiser] onder verwijzing naar zijn brief van 13 januari 2004 de Staat het volgende bericht:

“In verband met een mogelijke schaderegeling in het kader van de procedure bij het EHRM voor het totaal van de vordering wil ik de verjaring stuiten ingevolge 3:316 BW voor de vordering in verband de kosten voor rechtsbijstand etc. en immateriële schade voor de gijzelingsperiode in de periode 8 januari 2004 tot en met 26 januari 2004.”

2.28.

Bij brief van 17 april 2014 heeft de advocaat van [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld voor een totale schade van € 199.731,61 minus de uitgekeerde € 9.000, te vermeerderen met de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I ingevolge artikel 392 Rv aan de Hoge Raad dan wel aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) als prejudiciële vragen voorlegt, kort gezegd, a) of de wetgeving ter zake van de registratie van kentekens strijdig is met elementaire grondbeginselen, b) of de machtiging tot gijzeling van [eiser] en de tenuitvoerlegging daarvan voldoen aan de wettelijke vereisten, c) of de gijzeling getoetst dient te worden door de rechter-commissaris en d) of de gegijzelde in de gelegenheid gesteld dient te worden een advocaat te raadplegen.

II voor recht verklaart dat:
(i) de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem door tot strafvervolging over te gaan op grond van wetgeving, die strijdig is met de elementaire beginselen van het strafrecht, waarbij een strafsanctie kan worden opgelegd op de persoon op wiens naam het motorvoertuig in het kentekenregister staat geregistreerd in verband met de verplichting tot keuring van een motorvoertuig, zonder dat vaststaat dat de kenteken geregistreerde dit motorrijtuig doet deelnemen of toelaat dat het deelneemt aan het verkeer en hem derhalve dienaangaande een verwijt treft;

(ii) de Staat onrechtmatig (in strijd met artikel 430 lid 3 Rv) heeft gehandeld dan wel nagelaten, door niet, alvorens tot aanhouding en/of tenuitvoerlegging van een machtiging tot gijzeling over te gaan, deze machtiging tot gijzeling in persoon aan [eiser] te betekenen en hem alsnog aan te zeggen binnen twee dagen zijn verplichtingen na te komen en voorts tot ten uitvoerlegging is over gegaan terwijl [eiser] onmachtig was te betalen;

(iii) de Staat onrechtmatig heeft gehandeld dan wel nagelaten door bij de tenuitvoerlegging van een machtiging tot gijzeling [eiser] niet binnen 87 uur na de vrijheidsbeneming voor de rechter te geleiden ter toetsing van de rechtmatigheid van de detentie/gijzeling op basis van de onderliggende strafbeschikking;

(iv) de Staat onrechtmatig heeft gehandeld dan wel nagelaten door [eiser] na de vrijheidsbeneming niet binnen zes uur te voorzien van rechtsbijstand door een advocaat;

(v) de Staat jegens [eiser] onrechtmatig tekort is geschoten in zijn zorgplicht als registerhouder van het kentekenregister, welke zorgplicht erin bestaat dat het kentekenregister (basisregister) de feitelijke juiste gegevens bevat, en hem het recht tot correctie daarvan (met terugwerkende kracht) heeft ontzegd;

(vi) de Staat ten onrechte gegevens van [eiser] heeft verstrekt aan overheidsinstanties, die op basis van die gegevens tot strafbeschikkingen over zijn gegaan, zonder geverifieerd te hebben of deze gegevens juist waren;

en voorts:
(vii) de Staat veroordeelt tot betaling aan hem van een schadevergoeding van € 190.731,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2010, althans tot een door de rechtbank te benoemen deskundigen nader vast te stellen schadevergoeding, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

als ook:
(viii) de Staat veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten van € 2.000, en

(ix) de Staat veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt aan deze vorderingen, hierna puntsgewijs en samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag:

( a) De hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 7 december 2005 en de wijze waarop de RDW de persoonsgegevens (nog steeds) beheert, zijn in strijd met diverse bepalingen van de richtlijn 95/46 van het Europese Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 en de jurisprudentie van het HvJEU. Daarnaast is de wijze van verwerking van persoonsgegevens in het kentekenregister in strijd met het Verdrag bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en artikel 8 in verbinding met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de EU (het Handvest).

( b) De tenuitvoerlegging van de gijzeling jegens [eiser] was op diverse gronden ongeoorloofd. Zo geldt dat de totstandkoming van de machtiging tot gijzeling en de wijze waarop de gijzelingsbevelen, zonder betekening en aanzegging, ten uitvoer zijn gelegd, in strijd zijn met artikel 430 lid 3 Rv en had na de vrijheidsbeneming de gelegenheid moeten worden geboden tot raadpleging van een advocaat en binnen 87 uur toetsing door een onafhankelijke rechter moeten plaatsvinden.

( c) De vaststelling van een overtreding enkel op basis van controle van het kentekenregister vormt een ondeugdelijke grondslag voor strafbeschikkingen wegens verkeersgedrag. De wetgeving en praktijk met betrekking tot de vervolging voor verkeersovertredingen, waarbij louter wordt uitgegaan van de gegevensverwerking door de RDW, zonder de mogelijkheid van een beroep op onschuld of overmacht, is in strijd met artikel 1 Sr, de artikelen 6-7 en 47-49 van het Handvest en de artikelen 6-8, 13 en 18 EVRM en daarom is die wetgeving nietig.

(
d) Op 14 februari 2012 heeft het EHRM, in afwijking van de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2005, geoordeeld dat de Staat jegens [eiser] artikel 8 EVRM heeft geschonden door de wijze waarop de Staat jegens [eiser] het beheer heeft gevoerd over het kentekenregister. Daarmee staat vast dat de Staat jegens [eiser] is tekortgeschoten en dat als gevolg van dit tekortschieten in de periode van 3 november 1995 (de datum van aangifte van vermissing van het rijbewijs) tot en met 14 maart 1997 onrechtmatig 1737 kentekenregistraties op naam van [eiser] zijn gezet.

[eiser] heeft als gevolg hiervan grote financiële schade opgelopen, onder meer omdat hij zich vanwege de vervolgings- en incassopraktijken van de Staat schuil heeft moeten houden en daardoor jaren geen inkomsten heeft kunnen verwerven en evenmin een uitkering van de sociale dienst heeft kunnen ontvangen. Als gevolg daarvan ontstond een grote schuldenlast. Daarnaast heeft [eiser] immaterieel ernstig geleden en psychische schade opgelopen. De schade bedraagt € 190.731,86, althans kan worden bepaald door een door de rechtbank te benoemen deskundige. Het betreft het bedrag zoals dat ook in de procedure bij het EHRM is gevorderd, minus de som van € 9.000 die reeds door de Staat is uitgekeerd.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

[eiser] is, nadat hij zijn rijbewijs was kwijtgeraakt, slachtoffer geworden van identiteitsfraude. Een groot aantal auto’s is door derden met behulp van het vermiste rijbewijs in het kentekenregister op zijn naam gesteld. Als gevolg daarvan zijn hem boetes en belastingaanslagen opgelegd, is hij wegens wanbetaling meermalen gegijzeld, en is hem een bijstandsuitkering geweigerd omdat (naar eigen zeggen) hij als autohandelaar werd beschouwd. [eiser] is in 1997/1998 vervolgens ondergedoken tot begin 2004. Op 8 januari 2004 is hij opnieuw gegijzeld. Dat heeft [eiser] ertoe gebracht bij brief van 13 januari 2004 de Staat te sommeren de gijzeling te beëindigen en aansprakelijk te stellen voor de schade als gevolg van de gijzelingen, de boetes en de belastingaanslagen. Ook heeft [eiser] bij brief van 13 januari 2004 aan de RDW verzocht de kentekenregistraties aan te passen, heeft hij op

12 februari 2004 een klaagschrift op grond van artikel 12 Sv ingediend en heeft hij op

18 juni 2004 beroep ingesteld tegen hem opgelegde boetebeschikkingen.

4.2.

In de onderhavige procedure stelt [eiser] de Staat aansprakelijk op grond van onrechtmatige overheidsdaad. Meer in het bijzonder stelt [eiser] , met verwijzing naar de door hem gevorderde verklaringen voor recht en de daarbij gegeven toelichting, dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, zowel waar het heeft geacteerd op basis van enkel de gegevens uit het kentekenregister, zonder dat vaststond dat [eiser] zelf betrokken was bij de overtredingen (zie 3.1 sub i), als in het kader van de tenuitvoerlegging van de gijzeling (zie 3.1 sub ii), iii) en iv)). Daarnaast zou de Staat “als registerhouder van het kentekenregister” onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door niet te waarborgen dat het register de juiste gegevens bevat, door deze gegevens vervolgens zonder verificatie aan andere overheidsinstanties te verstrekken en bovendien te weigeren tot correctie van dat register (met terugwerkende kracht) over te gaan (zie 3.1 sub v) en vi). Dat onderscheidenlijk onrechtmatig handelen culmineert in de door [eiser] gevorderde schadevergoeding van € 190.731,86, aldus [eiser] . [eiser] heeft, zo begrijpt de rechtbank uit zijn verklaring ter comparitie, geen zelfstandig belang bij toewijzing van die verklaringen voor recht.

4.3.

De Staat beroept zich op verjaring van de vordering van [eiser] tot schadevergoeding. Dit beroep slaagt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.4.

Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW, hier van toepassing, verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. De korte verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen en de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.

4.5.

[eiser] is zijn rijbewijs kwijtgeraakt in september 1995. Hij heeft aangifte gedaan van vermissing op 3 november 1995, naar zijn zeggen als gevolg van het feit dat hem toen een verkeersboete werd opgelegd die hem niet aanging. De gevolgen van de identiteitsfraude hebben zich in 1996 in toenemende mate gemanifesteerd: [eiser] kreeg in dat jaar (onder meer) een groot aantal boetebeschikkingen en hij werd gegijzeld. Volgens [eiser] was ook gevolg van de identiteitsfraude dat hem een bijstandsuitkering werd hem onthouden (zie onder 2 in dit vonnis). De rechtbank is van oordeel dat [eiser] weliswaar eind 1995/begin 1996 bekend werd met de schade, doch dat hij toen nog niet voldoende aanknopingspunten had voor het vaststellen van onrechtmatig handelen van de Staat en daarmee het bestaan van eventuele aansprakelijkheid van de Staat voor die schade. De in 2.9 genoemde brief biedt in ieder geval onvoldoende basis om te concluderen dat [eiser] reeds toen daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot vergoeding van zijn in schade in te stellen. Andere feiten of omstandigheden die die conclusie wel kunnen dragen, heeft de Staat (op wie in deze de stelplicht en bewijslast rust) niet gesteld en zijn anderszins ook niet gebleken.

4.6.

De rechtbank neemt bij de verdere beoordeling van het verjaringsverweer het volgende tot uitgangspunt. Het EHRM heeft in zijn uitspraak van 14 februari 2012 geoordeeld dat het recht van [eiser] op privéleven in het geding was, doordat een positieve verplichting voortvloeiend uit artikel 8 EVRM was geschonden. Op grond van deze positieve verplichting hadden de betrokken autoriteiten na de aangifte van vermissing van het rijbewijs door [eiser] op 3 november 1995 dit rijbewijs ongeldig moeten maken, zoals blijkt uit rechtsoverweging 42 van het arrest van het EHRM: “swift administrative action to deprive a driving license of its usefulness as an identity document was possible and practicable. The Government have not satisfied the Court that such action could not have been taken immediately after the applicant reported that he had lost possession and control of the document.”

De uitspraak van het EHRM leidt niet tot vernietiging van het bestreden bestuursbesluit van de RDW en evenmin tot vernietiging van de betrokken rechterlijke uitspraak van de Afdeling. De uitspraak van het EHRM impliceert wel dat sprake is van met mensenrechten strijdig overheidshandelen en dat op de Staat een verplichting rust tot rechtsherstel. Dit rechtsherstel kan op verschillende wijzen worden gerealiseerd. In de onderhavige procedure vordert [eiser] rechtsherstel door de toekenning van een financiële vergoeding voor de door hem geleden materiële en immateriële schade uit hoofde van een actie uit onrechtmatige daad.

4.7.

Met het oordeel van het EHRM dat Nederland artikel 8 EVRM heeft geschonden, is de schending van een fundamenteel rechtsbeginsel gegeven, met het gevolg dat de Staat, mits aan de overige eisen voor onrechtmatige daad is voldaan, aansprakelijk is jegens [eiser] . In de stellingen van [eiser] ligt besloten dat het onrechtmatig handelen van de Staat mede is gelegen in een schending door de rechter (de Afdeling) van artikel 8 EVRM (onrechtmatige rechtspraak). In het licht van het door de Staat opgeworpen verjaringsverweer moet in dat geval echter, anders dan van de zijde van [eiser] is betoogd, [eiser] geacht worden met de schade en de aansprakelijke persoon bekend te zijn geweest op het moment dat de Afdeling uitspraak deed. Op dat moment moet hem immers duidelijk zijn geworden dat hem in nationaal verband geen rechtsherstel werd geboden: het besluit van de RDW bleef in stand en bijgevolg ook alle daar op geënte beslissingen. Dat betekent dat in dat geval de verjaring is aangevangen op 8 december 2005 en geacht moet worden te zijn gestuit bij de in 2.27 genoemde brief van 22 augustus 2008. In die brief heeft de advocaat van [eiser] aan de Staat bericht met het oog op de procedure bij het EHRM de verjaring te willen stuiten, onder verwijzing naar zijn eerdere brief van 13 januari 2004. Op 22 augustus 2008 is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar aangevangen, die afliep op 22 augustus 2013. De eerste brief waarin opnieuw aan de Staat wordt bericht dat aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding, dateert echter van 17 april 2014. De vordering was toen al verjaard. In de enkele omstandigheid dat de Staat het door het EHRM op 14 februari 2012 vastgestelde bedrag van € 9.000 aan [eiser] heeft betaald, zo dit al is gebeurd vóór

22 augustus 2013, ziet de rechtbank onvoldoende aanknoping om erkenning als bedoeld in artikel 3:318 BW aan te nemen.
4.8. Overigens zou ook indien de brief 13 januari 2004 van de advocaat van [eiser] aan de Staat met een uitdrukkelijke aansprakelijkstelling (2.24) in het kader van de in artikel 3:310 lid 1 BW genoemde criteria tot uitgangspunt wordt genomen en de verjaringstermijn dus de dag na 13 januari 2004 aanvangt, de vordering zijn verjaard. De advocaat van [eiser] heeft immers bij eerdergenoemde brief van 22 augustus 2008 de verjaring weliswaar gestuit, maar de toen aangevangen nieuwe verjaringstermijn is vervolgens op 22 augustus 2013 afgelopen zonder dat in de tussenliggende periode opnieuw is gestuit (zie hiervoor).

4.9.

In dit laatste verband merkt de rechtbank nog op dat, indien de procedure die [eiser] aanhangig heeft gemaakt bij het EHRM op 10 februari 2006 moet worden beschouwd als het instellen van een eis als bedoeld in artikel 3:316 lid 1 BW, geldt dat de op 14 januari 2004 aangevangen verjaringstermijn met ingang van eerstgenoemde datum in beginsel is gestuit en voorts opnieuw is aangevangen. Stuiting wordt in dat geval geacht niet te hebben plaatsgevonden als de eis wordt afgewezen, tenzij tijdig, binnen zes maanden, opnieuw een eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Ingevolge het tweede lid van dat artikel had [eiser] dus, gegeven het feit dat zijn eis tot vergoeding van schade door het EHRM bij uitspraak van 14 februari 2012 grotendeels is afgewezen, om de verjaring te stuiten een nieuwe eis bij de civiele rechter moeten instellen binnen zes maanden nadat de uitspraak van het EHRM in kracht van gewijsde ging, te weten uiterlijk op 14 augustus 2012. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Ook langs deze weg beredeneerd is de vordering dus verjaard.

4.10.

De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van [eiser] tot schadevergoeding is verjaard en zal worden afgewezen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of [eiser] aanspraak kan doen gelden op vergoeding van de door hem gestelde materiële en immateriële schade, die zoals door [eiser] op de comparitie is bevestigd, bestaat uit het bedrag van € 199.731,61 dat ook bij het EHRM is gevorderd en is opgebouwd uit de volgende elementen:

a. € 83.701,61, de geschatte som aan misgelopen sociale zekerheidsuitkeringen;

b. € 11.000, aan rente op schulden die [eiser] niet kon voldoen, omdat hij zijn inkomen verloren had;

c. € 500, de geschatte som van door hem – met geld van familieleden – betaalde boetes;

d. € 4.530, voor de dagen in detentie doorgebracht;

e. € 100.000, aan verlies aan toekomstige verdiencapaciteit en immateriële schade.

4.11.

Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat partijen terecht ervan zijn uitgegaan dat het enkele feit dat het EHRM op de voet van artikel 41 EVRM reeds oordeelde over de claim van [eiser] aan de onderhavige procedure niet in de weg staat.

Wel zou, ook in het geval de schadevergoedingsvordering niet was verjaard en daargelaten de beoordeling van de gestelde onrechtmatige daad en aansprakelijkheid, toewijzing van het grootste deel van die vordering reeds afstuiten op een gebrek aan onderbouwing daarvan. Dat gebrek aan onderbouwing, dat in het arrest van het EHRM van 14 februari 2012 al werd gesignaleerd (zie 2.17), is in de civiele procedure niet geheeld. Er zijn, kort gezegd, door [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden, al dan niet gestaafd met stukken, naar voren gebracht waaruit het causaal verband tussen het door [eiser] gestelde onrechtmatig handelen van de Staat en (het merendeel van) de schadeposten kan worden afgeleid en evenmin is de hoogte van de schade met stukken toegelicht.

4.12.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de vordering van [eiser] tot schadevergoeding op grond van verjaring wordt afgewezen en de verklaringen voor recht, waarbij hij geen zelfstandig belang heeft, daarmee ook. Op het voorgaande stuit eveneens af het verzoek van [eiser] tot prejudiciële verwijzing naar de Hoge Raad en het HvJEU. Nu de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, is beantwoording van de door [eiser] gestelde vragen niet noodzakelijk voor het wijzen van vonnis.

Proceskosten

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 6.706, waarvan € 3.864 aan griffierecht en € 2.842 aan salaris advocaat (2 punten à € 1.421).

4.14.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 6.706, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Bockwinkel, mr. W.A.G.J. Ferenschild en mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2016.1

1 type: 1959