Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15712

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
C/09/499520 / HA ZA 15-1256
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst ter beëindiging gerezen geschil, met voldoende bepaalbare inhoud. Geen geslaagd beroep op de gestelde wilsgebreken. Gelet op karakter vaststellingsovereenkomst is er geen ruimte voor beoordeling van geschilpunten over bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tot uitgangspunt genomen feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/167
RCR 2017/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/499520 / HA ZA 15-1256

Vonnis van 14 december 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.P. van Veenendaal te Den Haag,

tegen

de eenpersoons besloten vennootschap

1. [B] BVBA,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] , België,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

2. de naamloze vennootschap

[C ] NV,

gevestigd te [vestigingsplaats 3] , België,

gedaagde in conventie,

3. de naamloze vennootschap

[D] NV,

gevestigd te [vestigingsplaats 3] , België,

gedaagde in conventie,

4. [X],

wonende te [woonplaats] , België,

gedaagde in conventie,

advocaat voorheen mr. A.N.A. Buyserd te Den Bosch, thans zonder advocaat.

Partijen zullen hierna [A] , [B] , [C ] , [D] en [X] genoemd worden. De laatste vier genoemde partijen worden hierna ook gezamenlijk aangeduid als [B] c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de vier exploten van dagvaarding van 30 september 2015, met 23 producties;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende (voorwaardelijke) eis in reconventie, met 5 producties;

  • -

    het tussenvonnis van 9 maart 2016, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft gelast;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met 12 producties;

1.2.

Op de rolzitting van 22 juni 2016 heeft mr. Buyserd zich onttrokken als advocaat van [B] c.s. Nadat er zich voor hen geen nieuwe advocaat heeft gesteld, is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] heeft als enig aandeelhouder en enig bestuurder [Y] (hierna: [Y] ).

2.2.

[X] is enig bestuurder van [B] , [C ] en [D] .

2.3.

De Italiaanse vennootschap Play Mart Co Srl (hierna: Play Mart) verkoopt wereldwijd onder meer indoor en outdoor kinderspeelplaatsen. [X] was verkoper bij Play Mart.

2.4.

Bij e-mailbericht van 4 november 2010 heeft de vennootschap naar buitenlands recht Kids City Asia Co. Ltd. (hierna: Kids City) Play Mart benaderd voor het leveren en aanleggen van een kinderspeelplaats te Phnom Penh, Cambodja.

2.5.

In februari 2013 hebben [X] , [Y] en twee personen namens Kids City een Engelstalige overeenkomst met als opschrift “Contract/order information 06022013 - AR - 0001” getekend. Bovenaan het contract is ook een logo van Play Mart vermeld alsmede “Play Mart/ [B]” en het adres “[adres 1] [vestigingsplaats 3] Belgium”. De overeenkomst vermeldt een prijs van € 550.000, exclusief btw. Bij deze overeenkomst behoort een addendum genaamd “Addendum 1 to contract 06022013 - AR - 0001 ”, waarin onder meer is vermeld: “This contract limits itself to the Kids Discovery Center and has nothing to do with other concepts installed elsewhere in the building.”

2.6.

Met betrekking tot deze overeenkomst heeft Kids City op 25 oktober 2013 een meerwerkopdracht (hierna: de meerwerkopdracht) verstrekt. De meerwerkopdracht vermeldt een prijs van € 50.000, exclusief btw.

2.7.

Op 3 april 2014 heeft [X] een Engelstalige akte met als opschrift “GUARANTY” getekend, waarin onder meer het volgende valt te lezen:

“ [X] acknowledges that he entered into a contract (by himself and on behalf of [B] bvba) dated [ ] and a subsequent contract dated [ ] with Kids Asia Co. Ltd (“Kids City”) for the supply of certain items (…) related to a Kids Discovery Center (…)”

2.8.

Op 4 april 2014 hebben Kids City en [A] een overeenkomst gesloten met als opschrift “AGREEMENT”. Deze overeenkomst, waarin [A] is aangeduid als “ [E] ”, luidt voor zover van belang, als volgt luidt:

“Taken into account that:

A. With reference to -C- of this agreement, Parties were both involved in a contract between Kids City on the one hand and [X] and/or [B] bvba on the other, dated January 26 2013 with number 26012013-AR-0001. Kids City entered another agreement wiht [X] and/or [B] bvba on October 30, 2013, with number 2510213-AR-0001. Both contracts are attached hereto and form part of this Agreement; hereafter both separately and together are called The Contract;

B. Kids City experienced severe troubles with the execution of the Contract by [X] and/or [B] bvba in such a way that delivery in time, even completion of the Project (implementation of the Contract), seemed no longer possible;

C. In an attempt to find a solution, it became clear that [B] / [X] was facing serious liquidity problems and spent the money paid by Kids City to execute the Contract for other purposes. Furthermore [X] committed forgery by pretending to Kids City that [E] and/or [Y] ( [Y] ) [Y] had signed the contract of January 26 as well. According to [E] , [E] and/or [Y] was never in fact asked to sign the Contract, never signed it, never gave power of attorney to anyone to do so and was never informed about this situation in advance or afterwards.

D. [B] and/or [X] acknowledged guilt and liability towards Kids City and offered Kids City the termination of the Contract, which Kids City accepted on the basis that [B] and/or [X] remain liable for any damage suffered by Kids City as a result of the breach of the Contract;

E. Kids City requested [E] to complete the Project as defined in the Contract (hereafter: the Project), as much as possible within the outlines of the Contract.

Parties have come to terms and desire to put the terms of their agreement in writing.

Agree as follows

1. Kids City reconfirms that the Contract has been terminated;

2. [E] will complete the Project as mentioned in the Contract as soon as this Agreement is signed by both parties and Kids City had made in its first payment owing under this Agreement to [E] ;

3. Unless this Agreement states otherwise, both Parties shall respect the terms and conditions as mentioned in the Contract. Therefore these terms and conditions form part of this Agreement. The Contract itself however forms no part of this Agreement. The fact that [E] will execute this agreement within the outlines of the Contract cannot and will not be interpreted as a take-over of the Contract by [E] nor have Kids City requested [E] to do so;

(…)

6. Payment:

a. Consistent with art. 13 and 14 of the Contract (mr. 260122013) the price is set at

€ 275.000,- including the execution and implementation of the contract nr. 25102013

(…)”

2.9.

Op 20 augustus 2014 hebben [X] en [Y] een overeenkomst ondertekend, die onder meer als volgt luidt:

Ondergetekenden:

1: [B] bvba, ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [X] , gevestigd aan de [adres 2] te [vestigingsplaats 2] , België

en/of

[X] , thans woonachtig aan de [adres 2] te [woonplaats] , België

en/of

alle aan [B] bvba en/of [X] gelieerde bedrijven of vennootschappen, hoe dan ook genaamd,

hierna ieder afzonderlijk en alle tezamen verder te noemen ‘ [X] ’ enerzijds

en

2: [A] bv, ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [Y] , gevestigd aan de [adres 3] , [postcode] [vestigingsplaats 4] Nederland, hierna verder te noemen: [A]

anderzijds.

In aanmerking nemende dat:

A: [X] op 26 januari 2013 een overeenkomst is aangegaan met KidsCityAsia voor het ontwerp, de ontwikkeling, productie en levering van een ‘Kids Discovery Centre’ in Phnom Penh, Cambodja.

[X] daarnaast op 30 oktober 2013 een aanvullende overeenkomst met KidsCityAsia heeft afgesloten voor de levering van meerwerk.

Partijen verklaren bekend te zijn met de inhoud van beide overeenkomsten (hierna gezamenlijk en ieder afzonderlijk verder te noemen: het project) en daarvan afschriften in hun bezit te hebben.

De gezamenlijke overeenkomsten een waarde vertegenwoordigden van € 600.000,- omzet, exclusief aanvullende vergoedingen, zoals in het project met KidsCityAsia is overeengekomen;

B: [X] op of omstreeks 24 februari 2014 inmiddels € 325.000,- van KidsCityAsia had ontvangen, teneinde het project te kunnen (laten) uitvoeren;

C: Partijen op of omstreeks 24 februari 2014 hebben vastgesteld, dat [X] de van KidsCityAsia ontvangen gelden voor andere doeleinden had aangewend, waardoor hij niet langer in staat was om zijn verplichtingen jegens KidsCityAsia en jegens de leveranciers die in opdracht namens of van [X] prestaties ten behoeve van het project hadden geleverd, te kunnen voldoen;

D: Partijen op of omstreeks 24 februari 2014 hebben vastgesteld, dat [X] in ieder geval een bedrag van € 235.900,- van de van KidsCityAsia ontvangen gelden voor andere doeleinden heeft aangewend dan voor de uitvoering van het project en dientengevolge aan het project heeft onttrokken;

E: dat [X] op of omstreeks 24 februari 2014 een bedrag van € 96.362,54 aan onbetaalde en deels reeds vervallen facturen ten faveure van het project had openstaan, waaronder een vordering van in totaal € 53.371,96 van [A] ;

F: [X] na 24 februari 2014 niet in staat is gebleken om zijn financiële problemen tot een oplossing te brengen in die zin dat voorzetting van het project door [X] mogelijk zou zijn;

G: Partijen in overleg met KidsCityAsia hebben vastgesteld, dat het resterende bedrag, dat KidsCityAsia nog voor de uitvoering van het project aan [X] moest voldoen, te weten

€ 275.000,-, voldoende was om - onder voorwaarden - het project alsnog te kunnen voltooien;

H: Partijen tezamen met KidsCityAsia hebben besloten om onder voorwaarden (1) de overeenkomsten voor het project met [X] te beëindigen en (2) Kids CityAsia een nieuwe doch met gelijke strekking overeenkomst aan te laten gaan met [A] om het project alsnog te voltooien voor het resterende bedrag van € 275.000,-, exclusief contractueel overeengekomen onkosten.

Partijen verklaren kennis te hebben van die overeenkomst tussen KidsCityAsia en [A] en daarvan een afschrift in hun bezit te hebben, waaronder de verklaring van [X] dat hij verantwoordelijk is en aansprakelijk is en blijft voor de ontstane schade;

I: Partijen zijn overeengekomen, dat (1) [A] de openstaande facturen van voor 24 februari 2014 ten titel van het project, gericht aan [X] en anders dan afkomstig van [A] zelf, namens [X] zal voldoen en dat (2) [X] de door hem aan het project onttrokken

€ 235.900,- eveneens aan [A] zal voldoen doch na verrekening, zoals in deze overeenkomst is bepaald;

J: [A] conform afspraak (zie -I (1)-) voor het totaal van € 42.990,58 aan facturen namens [X] heeft voldaan en bij [X] een vordering van gelijke hoogte heeft ingediend;

K: Partijen thans hun afspraken alsnog schriftelijk wensen te bevestigen.

Komen als volgt overeen.

1: Op deze overeenkomst zijn geen andere afspraken van toepassing, tenzij die schriftelijk en door beide partijen ondertekend zijn overeengekomen;

2: [X] erkent en herhaalt dat hij aan [A] in ieder geval verschuldigd is:

1: € 50.000,- factuurnummer 014-01 van 24 februari 2014,

2: € 3.371,96 factuurnummer 014-02 van 24 februari 2014 en

3: € 42.990,58 factuur 014-04 van 5 juni 2014.

[X] erkent eveneens dat de betalingstermijnen van voornoemde facturen ver zijn overschreden;

[X] zal voornoemde facturen onvoorwaardelijk aan [A] voldoen en zich niet beroepen op enige juridische of administratieve verplichting, waaraan [A] volgens Belgisch of Nederlands recht zou moeten voldoen, alvorens tot betaling over te gaan;

3: Partijen stellen vast, dat op 24 februari 2014 door [X] € 79.100,- ten faveure van het project is voldaan, welk bedrag is aangevuld met € 10.000,- voor eventuele uitgaven door [X] , waarover hij geen verantwoording heeft hoeven of kunnen afleggen. De totale uitgaven van [X] ten titel van het project worden derhalve door partijen vastgesteld op

€ 89.100,-. Daarenboven heeft [X] van KidsCityAsia een bedrag ontvangen van € 6.500,- voor een proefopdracht vooruitlopend op het project, welk bedrag zou worden verrekend

met het project, hetgeen niet meer hoeft plaats te vinden. Voornoemde € 6.500,- wordt derhalve als uitkering aan [X] beschouwd;

4: [X] erkent en herhaalt, dat hij aan [A] een bedrag verschuldigd is ter grootte van 50% van het batig saldo dat resteert na oplevering van het project door [A] , te rekenen over het volledige project (zie -7-) onder aftrek van de onder -2- vermelde bedragen;

5: [X] erkent dat door de betaling € 42.990,58 aan facturen door [A] (zie -J-) geen sprake meer is van crediteuren die ten titel van het project nog rechten op hem dan wel het project kunnen doen laten gelden. Voor zover en indien daarvan toch nog sprake wordt, is dat volledig voor rekening en risico van [X] ;

6: [X] erkent, dat hij op generlei wijze [A] en/of [Y] buiten hun weten partij heeft gemaakt in enige overeenkomst, hoe dan ook genaamd, waardoor derden rechten kunnen doen laten gelden op [A] en/of [Y] , anders dan in de overeenkomst die [X] met KidsCityAsia had afgesloten en waarvoor hij een bekentenis heeft afgelegd. [X] vrijwaart [A] en/of [Y] voor alle kosten, waaronder die voor juridische bijstand indien daarvan toch sprake is of wordt;

7: Het batig saldo, zoals bedoeld onder -4- wordt als volgt berekend:

- Aanneemsom (* 1): € 600.000,-

- Vastgestelde uitgaven door [X] € 89.100,- -/-

Hypothetisch saldo per februari 2014 € 510.900,-

- Uitgaven [A] ter voltooiing project (*2) ntb

- loonwerk [A] (*3) € 75.000,-

-/-

Batig saldo ntb

(ntb: nader te bepalen)

(*1): De aanneemsom is enkel van toepassing indien door KidsCityAsia alle facturen worden voldaan die door [A] ten titel van het project bij KidsCityAsia worden ingediend. Mocht daarvan geen sprake zijn, dan wordt de aanneemsom evenredig neerwaarts bijgesteld.

(*2) : [A] houdt volledige administratie bij van alle project gerelateerde (on)kosten, welke niet door [X] ter discussie kunnen worden gesteld.

(*3): [A] rekent voor loonwerk (uitvoerende werkzaamheden tbv het project, anders dan voor coördinatie, ontwerp en administratie) € 75.000,- te rekenen vanaf het moment van daadwerkelijke productie.

Partijen maken voor ieder aanspraak op 50% van het batig saldo, zoals hierboven bedoeld. Een voorlopige raming is als bijlage toegevoegd. Aan de raming kunnen geen rechten worden ontleend;

8: Het batig saldo (zie -7-) wordt uiterlijk op 1 oktober 2014 vastgesteld, zonodig onder aftrek van eventuele kosten en/of inkomsten, waarover op dat moment nog geen zekerheid bestaat.

Voor eventuele resterende afrekeningen gelden gelijke afspraken.

[A] zal [X] na 1 oktober 2014 conform factureren, welke factuur niet door [X] zal worden betwist, tenzij de inhoud daarvan niet correspondeert met de afspraken, zoals vastgelegd in deze overeenkomst;

9: [X] zal te rekenen vanaf 1 november 2014, zal [X] maandelijks een bedrag van

€ 1.500,- exclusief BTW aan [A] voldoen ter betaling in termijnen van alle openstaande en nog in te dienen van facturen van [A] aan [X] .

Betalingen ter zake moeten voor de 5-de dag van iedere maand door [A] zijn ontvangen. [X] is gehouden aan tijdige melding indien hij incidenteel verstek (doch tot een maximum van 2 keer per jaar) moet laten gaan;

10: Partijen komen voorts overeen, dat iedere twee maanden wordt bezien, in welke mate de onder -9- bedoelde termijnen kunnen worden verhoogd. Die coulance van [A] laat onverlet dat [A] de enige partij is die de termijnen kan vaststellen, evenals de aanvullende voorwaarden, waaronder rente;

11: Het niet nakomen van de hierboven overeengekomen betalingsregeling verplicht [X] tot onmiddellijke en volledige betaling van het nog openstaande saldo, te vermeerderen met rente en eventuele incassokosten, zulks op eerste verzoek van [A] en zonder dat daarvoor eerst aanmaning of sommatie is vereist.

Daarnaast verbeurt [X] in dat geval aan [A] een niet voor wettelijke matiging vatbare boete van € 100,- per dag, voor iedere dag dat de betaling, zoals hierboven bedoeld, uitblijft en wel te rekenen vanaf 5 werkdagen, nadat [A] een dergelijk verzoek aan [X] heeft gedaan;

12: Onverminderd het onder -9- t/m -11- gestelde, is [X] jegens [A] gehouden tot een zo spoedig mogelijke en volledige betaling van alle vorderingen die [A] krachtens deze overeenkomst op [X] heeft. Het is [X] niet toegestaan om de vorderingen van [A] achter te stellen op andere crediteuren of persoonlijke uitgaven. Mocht daarvan sprake worden, dan is [X] jegens [A] gehouden aan onmiddellijke en volledige betaling van het nog openstaande saldo, inclusief de rente en eventuele incasso kosten, als ware sprake van een situatie zoals beschreven onder -11-;

13: Ter meerdere zekerstelling dat [X] aan zijn verplichtingen jegens [A] zal voldoen geeft hij in onderpand:

1) het eigendom -na aftrek van hypothecaire lasten- van de woning van [X] , gelegen aan de [adres 2] [woonplaats] , België. [X] verklaart, dat de woning een overwaarde bevat van tenminste € 400.000,- en dat hij gerechtigd is het pand onbezwaard in onderpand te geven. [X] zal voor 1 oktober 2014 ervoor zorg dragen, dat het onderpand, zoals hier bedoeld op de daartoe aangewezen wijze wordt geformaliseerd. Voor zover en indien daarvan geen of onvoldoende sprake wordt, zal e.e.a. d.m.v. en notariele acte worden geregeld.

Onderpand wordt niet eerder verbeurd, voordat [X] 14 dagen na schriftelijke aankondiging door [A] in de gelegenheid is gesteld om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen;

14: Aanvulling of wijziging van deze overeenkomst, inclusief die van incidentele aard, zijn enkel rechtsgelding indien schriftelijk overeengekomen en door beide partijen ondertekend.

15: De bedoeling van deze overeenkomst prevaleert boven de eventuele juridische nietigheid daarvan en verplicht partijen daar alsnog naar te handelen;

16: Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.”

2.10.

Onder deze overeenkomst heeft [X] twee keer zijn handtekening gezet; één keer onder de naam “ [B] bvba” en één keer onder zijn eigen naam.

2.11.

Uit hoofde van de in 2.9 bedoelde overeenkomst is € 3.000 voldaan aan [A] .

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I [B] , [C ] , [D] en [X] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [A] van € 93.362,54, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 september 2015 tot de dag van algehele voldoening;

II voor recht verklaart dat [B] c.s. jegens [A] wanprestatie hebben gepleegd;

III voor recht verklaart dat [B] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens [A] ;

IV [B] c.s. veroordeelt tot betaling van de door [A] gemaakte advocaatkosten van € 5.808, inclusief btw;

een en ander met veroordeling van [B] c.s. in de kosten van de procedure.

3.2.

[A] legt hieraan, samengevat, de volgende stellingen ten grondslag. De in r.o. 2.5 bedoelde overeenkomst is gesloten tussen [B] en [X] enerzijds en Kids City anderzijds. Deze overeenkomst heeft betrekking op de ontwikkeling, het ontwerp en de realisatie van het Kids Discovery Center te Phnom Penh, Cambodja. Bij de uitvoering van deze overeenkomst hebben [B] en [X] ruim 70% (€ 235.900) van de door Kids City aan [B] betaalde voorschotten aan het project onttrokken, als gevolg waarvan het project in februari 2014 tot stilstand is gekomen. [B] en [X] hebben aan Kids City voorgesteld om het project verder te laten lopen via [A] . Ten behoeve daarvan heeft [A] met Kids City in april 2014 de in r.o. 2.8 bedoelde overeenkomst gesloten. Daarnaast is [A] op 20 augustus 2014 met [B] c.s. de in r.o. 2.9 bedoelde overeenkomst aangegaan op grond waarvan laatstgenoemden € 96.362,54 dienden te betalen aan [A] . Dit bedrag bestaat uit onbetwiste facturen die [A] namens en op verzoek van [B] c.s. heeft voldaan met betrekking tot het project en uit facturen van [A] zelf aan [B] c.s. die door [B] c.s. nog niet konden worden voldaan. [B] c.s. hebben uiteindelijk € 3.000 aan [A] betaald en zijn in gebreke gebleven met de betaling van het resterende bedrag, € 93.362,54. Hiermee zijn [B] c.s. de artikelen 2 en 11 van de overeenkomst van 20 augustus 2014 niet nagekomen. Daarnaast hebben [B] c.s. onrechtmatig gehandeld jegens [A] , hieruit bestaande dat [B] c.s. de overeenkomst van 20 augustus 2014 zijn aangegaan terwijl zij van plan waren die nimmer (volledig) na te komen. In het bijzonder geldt dat [B] c.s. wisten dan wel behoorden te weten dat zij de in artikel 13 bedoelde zekerheidsstelling nimmer konden nakomen omdat [X] niet zelfstandig kan beschikken over zijn woning. Op grond van het voorgaande moeten [B] c.s. de advocaatkosten van € 5.808, inclusief btw, vergoeden die [A] heeft moeten maken.

3.3.

[B] c.s. voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[B] vordert, onder de voorwaarde dat de rechtbank van oordeel is dat niet Play Mart maar [B] partij was bij de koopovereenkomst van 6 februari 2013, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I [A] veroordeelt tot betaling aan [B] van € 364.100, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2014 tot de dag van algehele voldoening;

II [A] veroordeelt in de volledige proceskosten van [B] , te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proces-en nakosten tot de dag van algehele voldoening.

3.6.

[B] legt hieraan, samengevat, ten grondslag dat de in r.o. 2.9 bedoelde overeenkomst nietig is, omdat deze niet voldoet aan de vereisten voor contractsoverneming, althans omdat de verplichtingen daarin voor één of meer van gedaagden niet voldoende bepaalbaar zijn. Daarnaast heeft [B] deze overeenkomst vernietigd, omdat zij tot stand is gekomen door (economische) bedreiging en/of misbruik van omstandigheden. Dit leidt tot het volgende:

- voor zover [A] inkoopfacturen heeft betaald voor het project, kan [A] deze als onverschuldigd betaald terugvorderen;

- derden kunnen hun inkoopfacturen sturen aan [B] ter betaling. Dan zal blijken of zij wellicht één of meer inkoopfacturen hebben gecrediteerd;

- [A] heeft recht op een vergoeding voor werkzaamheden omdat [Y] als “site manager” heeft opgetreden. [A] kan de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden, na behoorlijke opgaaf en verantwoording van [B] vergoed krijgen;

- [B] heeft als contractant en verkoper recht op de inkomsten uit het project. Zij zal deze deels moeten vorderen bij [X] en deels bij [A] ;

- [X] heeft geen recht op inkomsten uit het project, anders dan zijn onkostenvergoeding en inkomen als sales manager. Voor zover hij uit het project andere gelden heeft ontvangen, dient hij deze aan [B] terug te betalen.

De inkomsten uit het project, die niet op de juiste plaats zijn beland, zijn als volgt:

a. a) Kids City heeft voor het project € 550.000 betaald plus € 50.000 voor meerwerk. De totale koopsom was dus € 600.000;

b) [X] heeft € 235.900 aan het project onttrokken. Hij maakte in totaal € 89.100 aan onkosten. Derhalve dient [X] aan [B] per saldo € 146.800 terug te betalen;

c) [A] heeft van Kids City kennelijk het restantbedrag van (€ 600.000 -/- € 235.900 =)

€ 364.100 ontvangen. Deze omzet dient [A] aan [B] te betalen. [A] kan vervolgens bij [B] een opgave indienen van daadwerkelijk verrichte werkzaamheden;

d) [B] heeft derhalve in hoofdsom te vorderen van [X] € 146.800 en van [A]

€ 364.100. Zij zal van die bedragen [Y] dienen te betalen (daadwerkelijk verrichte werkzaamheden) en derden (inkoopfacturen).

[B] legt aan haar vordering jegens [A] primair ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag en subsidiair onrechtmatige daad.

3.7.

[A] voert gemotiveerd verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

4.1.

[B] c.s. zijn in deze procedure verschenen zonder de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te betwisten.

4.2.

[B] c.s. hebben te kennen gegeven dat zij zich kunnen vinden in de toepasselijkheid van Nederlands recht op de geschilpunten in deze procedure. Daarmee hebben partijen – indien en voor zover nodig – een processuele rechtskeuze gemaakt voor dit recht.

4.3.

De onder I bedoelde vordering in conventie tot betaling van € 93.362,54 strekt tot nakoming van de in r.o. 2.9 bedoelde overeenkomst van 20 augustus 2014 (hierna ook: de overeenkomst). Deze vordering is gegrond op de artikelen 2, 9 en 11. Uit het lichaam van de dagvaarding kan worden afgeleid dat de onder II bedoelde verklaring voor recht betrekking heeft op het tekortschieten in de nakoming van deze bepalingen, hetgeen volgens [A] ook een onrechtmatige daad oplevert (vordering onder III).

4.4.

De rechtbank is met [B] c.s. van oordeel dat [A] onvoldoende heeft gesteld dat [C ] en [D] ook partij zijn bij de overeenkomst. Op dit punt heeft [A] slechts gesteld dat in de overeenkomst is vermeld dat deze is ondertekend door “alle aan [B] bvba en/of [X] gelieerde bedrijven of vennootschappen”. Dat is onvoldoende om te kunnen concluderen dat zij partij zijn bij de overeenkomst.

4.5.

Anders dan [B] c.s. betogen, zijn de in de overeenkomst neergelegde verplichtingen uit de overeenkomst die [A] nu inroept voldoende bepaalbaar: de overeenkomst kan in redelijkheid niet anders worden verstaan dan dat [X] het in artikel 2 genoemde bedrag dient te voldoen aan [A] , op de in artikel 9 overeengekomen wijze, waarbij in artikel 11 is geregeld dat bij niet nakoming van deze verplichting geldt dat de totale vordering ineens opeisbaar is. Met [X] wordt, gezien de aanduiding in de kop van de overeenkomst, gedoeld op de daarvoor genoemde [X] en [B] , die, naar niet in geschil is, allebei partij zijn bij de overeenkomst. [X] en [B] hebben daarmee allebei de hiervoor genoemde verplichtingen op zich hebben genomen en zijn hoofdelijk verbonden tot de nakoming ervan. Het in verband met de onvoldoende bepaalbaarheid gedane beroep op nietigheid van de overeenkomst faalt daarmee.

4.6.

Gezien de considerans en de verdere inhoud van de overeenkomst en de door partijen gegeven toelichting over de aanleiding voor het sluiten daarvan – die kort gezegd is gelegen in het eerder dat jaar gerezen geschil tussen [Y] en [X] waarbij ook [B] betrokken was – is de overeenkomst een vaststellingsovereenkomst, ter beëindiging van de tussen [A] ( [Y] ) en [X] bestaande geschillen, waarbij ook [B] betrokken was. Het karakter van de vaststellingsovereenkomst brengt met zich mee dat als uitgangspunt heeft te gelden dat partijen daaraan zijn gebonden.

4.7.

[B] c.s. beroepen zich op een wilsgebrek bij de totstandkoming van de overeenkomst, door te stellen dat deze tot stand is gekomen onder invloed van (economische) bedreiging en/of misbruik van omstandigheden. [A] heeft de hiertoe gestelde feiten en omstandigheden gemotiveerd besproken, zodat deze thans niet vaststaan. Ook als deze gestelde feiten en omstandigheden wel zouden komen vast te staan, kunnen deze de door [B] c.s. daaraan verbonden conclusie niet dragen. De rechtbank licht dat als volgt toe.

4.8.

De door [B] c.s. gestelde feiten en omstandigheden houden in dat [A] (in de persoon van haar directeur [Y] ) [X] op 24 februari 2014 heeft uitgenodigd bij hem thuis langs te komen. [Y] bleek het project in Cambodja naar zich toe te willen trekken en alle winst voor zichzelf te willen houden, aldus [B] c.s. die stellen dat [X] hiermee niet akkoord ging, waarop [Y] zou hebben gezegd bepaalde informatie te zullen doorspelen aan SPI Global Play AB hetgeen ertoe zou leiden dat [X] “voor heel veel geld te grazen zou worden genomen”. [B] c.s. stellen dat [X] die avond onder druk overstag is gegaan en dat partijen sindsdien gebrouilleerd zijn. Daarmee hebben deze feiten en omstandigheden betrekking op een gesteld wilsgebrek in de op 24 februari gesloten mondelinge overeenkomst, die vervolgens bij het sluiten van de overeenkomst op 20 augustus 2014 door partijen tot uitgangspunt is genomen. Gesteld noch gebleken is van feiten of omstandigheden op grond waarvan de door [B] c.s. gestelde wilsgebreken kunnen worden aangenomen met betrekking tot de overeenkomst van 20 augustus 2014. Voor zover [B] c.s. hebben willen betogen dat de gestelde wilsgebreken aangaande de overeenkomst van 24 februari 2014 doorwerken in de overeenkomst van 20 augustus 2014, gaat dit betoog niet op, aangezien de overeenkomst van 20 augustus 2014 niet voortbouwt op de op 24 februari 2014 gesloten overeenkomst, maar ertoe strekt een eind te maken aan het geschil dat eind februari 2014 tussen partijen is ontstaan. Aan bewijslevering wordt gezien het voorgaande niet toegekomen. Voor voorwaardelijke vernietiging van deze overeenkomst was gezien het voorgaande geen grond.

4.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de gebondenheid aan hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is geregeld en tot uitgangspunt is genomen, is er geen ruimte meer voor [B] c.s. om deze kwesties nu ter discussie te stellen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de verweren van [B] c.s. die ertoe strekken de verschuldigdheid van de in artikel 2 van de overeenkomst genoemde facturen te betwisten en gestelde nietigheid van de overeenkomsten van 24 februari 2014 en 4 april 2014. Deze standpunten hebben betrekking op overeenkomsten waarvan het bestaan en/of de inhoud ervan door partijen tot uitgangspunt zijn genomen bij het sluiten van de overeenkomst: de overeenkomst neemt tot uitgangspunt en bouwt voort op hetgeen is vervat in de overeenkomst van 4 april 2014. [X] en [B] hebben in de overeenkomst erkend dat [X] uit hoofde van de overeenkomst van 24 februari 2014 de factuurbedragen verschuldigd is en partijen hebben afspraken gemaakt over betaling daarvan. [B] c.s. kunnen nu niet terugkomen op de door hen en [A] bij beëindiging van het geschil tot uitgangspunt genomen geldigheid van de overeenkomst van 24 februari 2014 en op de gehoudenheid van [X] om de in de overeenkomst genoemde facturen te betalen. [B] c.s. kunnen evenmin nu alsnog de door hen en [A] ( [Y] ) tot uitgangspunt genomen inhoud van de overeenkomst van 4 april 2014 ter discussie stellen, nog daargelaten het feit dat Kids City geen partij is in deze procedure, hetgeen een ander obstakel daarvoor is.

in conventie voorts

4.10.

In de overeenkomst is de verschuldigdheid van € 96.362,54 aan [A] erkend. Na de betaling van € 3.000 resteert een openstaand bedrag gelijk aan de gevorderde hoofdsom van € 93.362,54, met de betaling waarvan [X] en [B] in ieder geval vanaf de datum van dagvaarding in verzuim zijn.

4.11.

De aan de vordering onder I ten grondslag gelegde artikelen uit de overeenkomst betreffen enkel op [X] en [B] rustende verplichtingen, die hoofdelijk verbonden zijn tot de nakoming ervan. Noch uit hoofde van de overeenkomst noch anderszins bestaat grond voor de door [A] gestelde hoofdelijke verbondenheid van [X] met de andere gedaagden dan [B] . De vorderingen tegen [C ] en [D] dienen daarom te worden afgewezen.

4.12.

Voor toewijzing van de gevorderde wettelijke handelsrente bestaat geen grond nu de vordering is gebaseerd op een vaststellingsovereenkomst en bovendien onvoldoende vaststaat dat [X] handelde ter uitoefening van een bedrijf. Wel zullen [X] en [B] worden veroordeeld tot betaling van wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding.

4.13.

De vordering onder II is te onbepaald om te worden toegewezen, nog daargelaten de vraag welk belang [A] heeft bij toewijzing van deze vordering naast vordering I. Datzelfde geldt voor vordering III.

4.14.

De in de vordering onder IV genoemde advocaatkosten zijn kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Daarop is, nu niet gesteld of gebleken is dar partijen anders zijn overeengekomen, het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van toepassing. Toepassing van de wettelijke staffel leidt tot een toe te wijzen bedrag van

€ 1.708,63.

4.15.

[B] c.s. zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 3.330

(€ 1.909 aan griffierecht en € 1.421 aan advocaatkosten (1 punt tarief V).

4.16.

Het door [B] c.s. gevoerde verweer tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad en de onderbouwing daarvan geeft onvoldoende grond om de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad achterwege te laten. In de daarvoor vereiste belangenafweging geldt dat het belang van deze veroordeling is gegeven nu het gaat om betaling van een geldsom. Het door [B] c.s. gestelde restitutierisico is eveneens een in aanmerking te nemen aspect, dat echter niet steeds en niet zonder meer de doorslag behoeft te geven en dat in dit geval onvoldoende gewicht in de schaal legt.

in reconventie voorts

4.17.

De vordering is gebaseerd op de hiervoor behandelde standpunten van [X] over de nietigheid van de hiervoor geduide overeenkomsten en strandt op hetgeen daarover is overwogen. Dat betekent dat met de geldigheid van de overeenkomst van 20 augustus 2014 het lot van de vordering in reconventie is gegeven.

4.18.

De door [A] gevorderde volledige vergoeding van rechtsbijstand impliceert dat uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel dat vergoeding van advocaatkosten beperkt is tot de daarvoor in aanmerking komende redelijke buitengerechtelijke kosten en het forfaitaire advocatensalaris. Voor een uitzondering op deze regel is slechts plaats in zaken van rechten van intellectuele eigendom of in gevallen van misbruik van (proces)recht door de aansprakelijke persoon. Gesteld noch gebleken is dat een van beide uitzonderingen zich hier voordoet.

4.19.

[B] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [A] worden begroot op € 2.000 (nihil aan griffierecht en € 2.000 aan advocatenkosten (1 punt tarief VI).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [X] en [B] hoofdelijk tot betaling aan [A] van € 93.362,54, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum der dagvaarding (30 september 2015);

5.2.

veroordeelt [X] en [B] hoofdelijk tot betaling aan [A] van € 1.708,63;

5.3.

veroordeelt [X] en [B] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van [A] die tot aan deze dagvaarding zijn begroot op € 3.330;

5.4.

verklaart de onder 5.1 tot en met 5.3 bedoelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in conventie en in reconventie

5.6.

wijst de vordering af;

5.7.

veroordeelt [B] c.s. tot betaling van de proceskosten van [A] die tot aan deze dagvaarding zijn begroot op € 2.000;

5.8.

verklaart de onder 5.7 bedoelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.