Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15612

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
C/09/505102 / HA ZA 16-159
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afsluiting belangrijke toegangsweg naar een tuincentrum vanwege reconstructiewerkzaamheden. Overheidsaansprakelijkheid op grond van het égalité-beginsel. Rapportage van door de gemeente ingeschakelde deskundige wordt gebrekkig bevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/92
RVR 2017/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/505102 / HA ZA 16-159

Vonnis van 14 december 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE KATWIJK,

zetelende te Katwijk,

gedaagde,

advocaat mr. F.L. Oudshoorn te Katwijk.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 januari 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 13 april 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de akte overlegging producties van [eiseres] van 25 augustus 2016, met producties;

  • -

    het e-mailbericht van de rechtbank aan partijen van 17 augustus 2016 met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering van [eiseres] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 25 augustus 2015 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

1.3.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [eiseres] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De brief van mr. Bonnet van 20 september 2016 is aan het proces-verbaal gehecht. In dit vonnis wordt voor zover nodig op de inhoud van de opmerkingen van mr. Bonnet ingegaan.

2. De feiten

2.1.

[eiseres] exploiteert een tuincentrum aan de [adres] te [vestigingsplaats] , gemeente Katwijk. Het bedrijf bestaat uit een overdekt winkelgedeelte van 3.500 m2 en een buitenterrein van 700 m2, waar een uitgebreid assortiment voor huis, tuin en dier wordt aangeboden. Het tuincentrum is zes dagen per week geopend van 8.30 tot 18.00 uur (van maandag tot en met donderdag), tot 20.30 uur (op vrijdag koopavond) en tot 17.00 uur (op zaterdag). Het tuincentrum is gelegen aan de noordelijke buitenrand van [vestigingsplaats] op de Noordwijkerweg. De meest belangrijke toegangsweg tot het tuincentrum is de Brouwerstraat, die uitmondt in de Noordwijkerweg.

2.2.

Op 28 mei 2009 heeft de gemeenteraad van de gemeente besloten tot het treffen van een aantal maatregelen ter verbetering van de hoofdinfrastructuur in [vestigingsplaats] in verband met een aantal bestemmingsplannen en bouwplannen. Een van de maatregelen is de herinrichting van de Brouwerstraat tot 30 km-weg. In overleg met bewoners en andere belanghebbenden is hiervoor een ontwerp opgesteld. Op 22 mei 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college) het definitieve ontwerp opgesteld en op 23 mei 2012 heeft het college hiertoe verkeersbesluiten genomen.

2.3.

Bij brief van 28 januari 2013 heeft het college aan V.O.F. [eiseres] (hierna: de vof), de vennootschap die het in 2.1 bedoelde tuincentrum destijds exploiteerde, meegedeeld dat de werkzaamheden voor de herinrichting van de Brouwerstraat op 11 februari 2013 zouden starten en dat de Brouwerstraat tijdens de werkzaamheden volledig zou zijn afgesloten.

2.4.

Het herinrichtingsplan is uitgevoerd in de periode 12 februari tot en met 19 juli 2013. Gedurende deze periode is de Brouwerstraat op doordeweekse dagen van 07:00 uur tot 17:00 uur in beide richtingen afgesloten geweest voor doorgaand verkeer. [eiseres] heeft een deel van zijn bedrijf overgeplaatst naar een gehuurde locatie in [plaats] .

2.5.

Een aantal vennootschappen, waaronder de vof, heeft op 19 februari 2013 bij de voorzieningenrechter bestuursrecht van deze rechtbank om het treffen van een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 12 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen, waarbij onder meer is overwogen dat de gemeente wettelijk niet gehouden was tot het nemen een verkeersbesluit ten behoeve van de herinrichtingswerkzaamheden aan de Brouwerstraat.

2.6.

Bij brief van 19 augustus 2014 heeft [eiseres] de gemeente verzocht om in verband met de volledige afsluiting van de Brouwerstraat op grond van het égalité-beginsel een bedrag van € 161.900 aan nadeelcompensatie toe te kennen. Laatstgenoemd bedrag bestaat uit de volgende componenten:

“(…)

- gederfde brutowinst € 146.000

- af: besparing door exploitatie locatie [plaats] € 21.000 -/-

- kosten verplaatsen deelonderneming naar [plaats] pm

- margederving incourante voorraad € 27.000

- extra reclamekosten € 2.400

- kosten adviseurs € 7.500

totaal € 161.900

(…)”

2.7.

Op 31 oktober 2014 heeft de gemeente, op voordracht van [eiseres] , Lengkeek Expertises (hierna: Lengkeek) opgedragen een advies uit te brengen in verband met de door [eiseres] verzochte nadeelcompensatie.

2.8.

Lengkeek heeft bij haar onderzoek vier vragen beantwoord: of er voldoende causaal bestaat tussen het optreden van de gemeente en de gestelde schade (i), wat de hoogte is van het omzetverlies (ii), of een eventueel nadeel redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van [eiseres] behoort te blijven (iii) en wat de hoogte is van de geleden schade (iv).

2.9.

In haar eerste expertiserapport van 24 december 2014 (hierna: het eerste expertiserapport) heeft Lengkeek de gemeente geadviseerd aan [eiseres] geen vergoeding toe te kennen. In het rapport is vraag i bevestigend beantwoord en is het onder ii bedoelde omzetverlies berekend op € 159.201, exclusief btw. Met betrekking tot vraag iii heeft Lengkeek geconcludeerd dat het nadeel ten laste van [eiseres] dient te blijven, omdat het omzetverlies 6,75% bedraagt van de gemiddelde jaaromzet over de jaren 2010, 2011 en 2012 van € 2.358.941, exclusief BTW, waarmee de door Lengkeek toegepaste drempel van 15% (wegens het normaal maatschappelijk risico) niet werd overschreden. De onder iv bedoelde schade heeft Lengkeek (pro forma) als volgt berekend:

“(…)

- berekend omzetverlies: € 159.201

- belangpercentage: 40,4%

- berekend belangverlies € 64.317

- extra kosten € 28.767

- margederving incourante voorraad € 15.920

€ 109.004

- aftrek wegens normaal maatschappelijk risico van 25% € 27.251 -/-

totaal € 81.753

(…)”

2.10.

Naar aanleiding van dit eerste expertiserapport heeft op 17 februari 2015 een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij [eiseres] haar commentaar heeft gegeven.

2.11.

In het tweede expertiserapport van 9 maart 2015 heeft Lengkeek vervolgens de beantwoording van de vragen i en ii gehandhaafd. Met betrekking tot vraag iii heeft Lengkeek onder meer het volgende geschreven:

“Voor de toetsing of het nadeel niet geheel of ten dele ten laste van verzoeker dient te blijven is aansluiting gezocht met hetgeen daarover in de literatuur en jurisprudentie is ontwikkeld. Uitgangspunt is daarbij onder meer dat de belangen van een of meer betrokkenen niet onevenredig geschaad mogen worden, in vergelijking met anderen die in een vergelijkbare positie verkeren. Voorts wordt aangenomen dat een ondernemer altijd in bepaalde mate rekening dient te houden met het risico van maatregelen die zijn bedrijfsvoering beïnvloeden.

Allereerst wordt getoetst of het ondervonden nadeel een drempel van 15% omzetverlies overschrijdt. Deze drempel wordt geacht een indicatie te zijn van de omvang van het omzetverlies dat wordt geacht te behoren tot het normaal aanvaardbaar ondernemersrisico. Mocht het omzetverlies de drempel overschrijden, dan wordt de omvang van het nadeel berekend.

Voor de bepaling van de 15% drempel wordt uitgegaan van de gemiddelde jaaromzet over de voorgaande drie jaren, in dit geval 2010, 2011 en 2012. De gemiddelde jaaromzet bedraagt € 2.358.941 exclusief btw.

De omzetderving berekenden wij op € 159.201 exclusief btw. Hiermee bedraagt de omzetderving € 159.201 / € 2.358.941 = 6,75% en blijft daarmee onder de drempel van 15%.

Dit nadeel blijft hiermee geheel ten laste van verzoeker.

Overigens blijft ook het omzetverlies van alleen de vestiging [vestigingsplaats] onder de drempel van 15%. Het omzetverlies van de vestiging [vestigingsplaats] bedraagt € 275.733, zijnde 11,69%. Hierbij merken wij op dat het opsplitsen van het assortiment over 2 vestigingen (kamer-, en terrasplanten in [plaats] respectievelijk tuinmeubelen en bbq’s in [vestigingsplaats] ), mogelijk een negatief effect heeft gehad op in ieder geval de omzet in [vestigingsplaats] . Impulsaankopen van tuinmeubelen of bbq’s door bezoekers die voor de aankoop van planten een bezoek aan het tuincentrum brachten vielen weg.

Nu ook het omzetverlies van alleen [vestigingsplaats] onder de drempel van 15% blijft, komen ook de extra kosten die verzoeker heeft gemaakt ten aanzien van de vestiging [plaats] niet voor vergoeding in aanmerking. Immers ook zonder deze extra kosten zou de drempel van 15% omzetderving niet zijn gehaald.

Naar aanleiding van de mondelinge toelichting van partijen tijdens voornoemde hoorzitting zijn wij wel van mening dat in verband met het feit dat pas op het laatste moment duidelijk werd dat de weg een groot deel van de tijd volledig zou zijn afgesloten, verzoeker niet tijdig heeft kunnen inspelen op de situatie. Indien verzoeker wel tijdig zou zijn geïnformeerd had hij bij het inkopen voor het nieuwe seizoen rekening kunnen houden met een mogelijk lagere omzet. Hiermee had mogelijkerwijs voorkomen kunnen worden dat een deel van de voorraad incourant zou worden. Daarnaast had verzoeker de locatie [plaats] kunnen huren waardoor meer omzet in [plaats] gerealiseerd had kunnen worden, met een lager omzetverlies tot gevolg.”

Naar aanleiding van deze bevindingen heeft Lengkeek bij de beantwoording van vraag iv aan de gemeente geadviseerd een schadevergoeding van € 18.022 met betrekking tot “margeverlies op incourante voorraad en resultaatderving door het later openen van de vestiging [plaats] ” toe te kennen, berekend als volgt:

“(…)

- gemiste omzet € 48.555

- belangpercentage 40,4%

- berekend belangverlies € 19.616

- af: besparing kosten € 11.506 -/-

- bij: margederving incourante voorraad € 15.920

- aftrek wegens normaal maatschappelijk risico van 25% € 6.008 -/-

totaal € 18.022

(…)”

2.12.

Nadat [eiseres] haar schriftelijk commentaar op het tweede expertiserapport had gegeven, heeft Lengkeek haar advies in het definitieve rapport van 1 juni 2015 gehandhaafd.

2.13.

Bij brief van 8 juli 2015 heeft het college aan [eiseres] meegedeeld dat op grond van het advies van Lengkeek een schadevergoeding uit hoofde van nadeelcompensatie van

€ 18.022 zal worden uitgekeerd, welk bedrag vervolgens aan [eiseres] is betaald.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 77.313, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 69.813 vanaf 12 november 2014 tot de dag van algehele voldoening, en de gemeente veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Hieraan legt [eiseres] , samengevat, de volgende stellingen ten grondslag. De gemeente heeft onrechtmatig gehandeld door te weigeren niet de volledige door [eiseres] geleden schade als gevolg van de herinrichtingswerkzaamheden aan de Brouwerstraat, althans een aanzienlijk deel daarvan, te vergoeden. De gemeente had naast het reeds betaalde bedrag van € 18.022 nog een vergoeding van € 69.813 aan [eiseres] moeten uitkeren. Daarnaast dient de gemeente op te komen voor de door [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand van € 5.000 en de kosten van de financieel deskundige van € 2.500.

3.3.

De gemeente voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat er aan de werkzaamheden aan de Brouwerstraat geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit van de gemeente ten grondslag ligt en dat er evenmin een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opgestaan tegen het besluit van de gemeente tot toekenning van het aan [eiseres] betaalde bedrag. Hieruit volgt dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering bij de burgerlijke rechter.

[eiseres] BV en de vof

4.2.

De gemeente heeft allereerst betwist dat [eiseres] vorderingsgerechtigde is, omdat het tuincentrum te [vestigingsplaats] ten tijde van de reconstructie van de Brouwerstraat werd gedreven door de vof en volgens de gemeente niet is gebleken dat de vof haar vordering heeft overgedragen aan [eiseres] . Dit verweer gaat niet op, gelet op het volgende.

4.3.

Vast staat dat het tuincentrum te [vestigingsplaats] dat [eiseres] thans exploiteert ten tijde van de reconstructiewerkzaamheden aan de Brouwerstraat werd gedreven door de vof. De rechtbank leidt uit de overgelegde oprichtingsakte van [eiseres] B.V., de bijbehorende inbrengbeschrijving en de notariële akte van inbreng (productie 8 en 9 bij de dagvaarding), allen daterend 28 februari 2014, af dat de drie broers [A] , [B] en [C] aandeelhouders en tevens bestuurders waren van [X] B.V. en dat deze B.V. vervolgens [eiseres] B.V. heeft opgericht. Daarbij zijn de aandelen volgestort door inbreng in die opgerichte vennootschap van (kort gezegd) de door de oprichter (feitelijk: de broers) gedreven onderneming met alle daartoe behorende activa en passiva, voor de waarde per 1 oktober 2013. Die “gedreven onderneming” betrof de toenmalige vof. Dit leidt tot de conclusie dat alle rechten en verplichtingen van de vof zijn overgegaan op de B.V., en dat de vof daarmee ook haar vordering jegens de gemeente heeft ingebracht in [eiseres] , zoals ter zitting door de accountant van [eiseres] desgevraagd is bevestigd.

Vaststellingsovereenkomst?

4.4.

De gemeente stelt zich verder op het standpunt dat, aangezien partijen vrijwillig hebben meegewerkt aan de totstandkoming van het expertiserapport van Lengkeek en er volgens de gemeente geen klemmende bezwaren tegen dit rapport zijn aangevoerd, partijen ook gebonden zijn aan de conclusies van het deskundigenrapport als ware dit een vaststellingsovereenkomst. De enige uitzondering hierop is als het rapport zodanige gebreken vertoond dat het naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om partijen daaraan gebonden te achten.

4.5.

Naar de rechtbank begrijpt stelt de gemeente zich hiermee op het standpunt dat het definitieve rapport van Lengkeek een vaststelling is ter uitvoering van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is. Bij een vaststellingsovereenkomst, zo volgt uit artikel 7:900 lid 1 BW, binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid omtrent wat tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mochten afwijken. Dat partijen in dit geval een vaststellingovereenkomst hebben gesloten, is niet gebleken. [eiseres] heeft dit ook nadrukkelijk weersproken. In ieder geval is ontoereikend dat, zoals de gemeente heeft aangevoerd, Lengkeek op voorspraak van [eiseres] door de gemeente is benoemd en dat [eiseres] heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de rapporten van Lengkeek. Het verweer van de gemeente op dit punt wordt dan ook verworpen.

Nadeelcompensatie

4.6.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan het centrale geschilpunt, namelijk de vraag of de gemeente is gehouden om meer dan het reeds uitgekeerde bedrag aan schadevergoeding aan [eiseres] te betalen. Hierbij wordt het volgende voorop gesteld.

4.7.

De vordering is gebaseerd op het égalité-beginsel. In de rechtspraak is de regel ontwikkeld dat de onevenredig nadelige - dat wil zeggen buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een overheidshandeling of

overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap moeten worden verdeeld. Uit deze regel vloeit een tweetal, naast elkaar bestaande, vereisten voort: (i) er moet sprake zijn van een abnormale last in die zin dat de schade buiten het normale maatschappelijke of normale ondernemersrisico moet vallen. Daarnaast (ii) moet, indien er meerdere getroffenen zijn, sprake zijn van een speciale last, dat tot uitdrukking brengt dat een specifieke burger of beperkte groep burgers in vergelijking tot anderen onevenredig zwaar door een overheidshandeling moet zijn getroffen. De vraag of in een bepaald geval de gevolgen van een overheidshandeling buiten het normale maatschappelijk risico of het normale ondernemersrisico vallen, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang kan hierbij onder meer zijn enerzijds de aard van de overheidshandeling en het gewicht van het daarmee gediende belang alsmede in hoeverre die handeling en de gevolgen daarvan voorzienbaar zijn voor de derde die als gevolg daarvan schade lijdt, en anderzijds de aard en de omvang van de toegebrachte schade.

In het algemeen geldt dat de gemeente in het kader van haar overheidstaak werkzaamheden

aan de door haar beheerde wegen mag laten verrichten, ook als die enige schade voor bedrijven opleveren. Het behoort tot het normale ondernemersrisico dat dit soort werkzaamheden zo nu en dan enige hinder en daaruit voortvloeiende (omzet)schade veroorzaken.

4.8.

[eiseres] heeft gesteld dat zij schade heeft geleden en dat er sprake is van causaal verband tussen deze herinrichtingswerkzaamheden en de door haar geleden schade. Allereerst zijn de werkzaamheden veel te laat aangekondigd, namelijk pas op 28 januari 2013, terwijl de werkzaamheden al op 11 februari 2013 zijn gestart. Verder werd de Brouwerstraat niet alleen plotseling, maar ook volledig afgesloten gedurende de normale winkelopeningstijden overdag. Daarnaast heeft de gemeente (zonder nader overleg) ervoor gekozen om de werkzaamheden in het voorjaar te verrichten, in welke periode [eiseres] normaliter de meeste omzet behaalt. In dat verband is tevens van belang dat [eiseres] haar inkopen een half jaar voor het seizoen doet. [eiseres] betoogt dan ook op grond van voormelde feiten en omstandigheden dat de door de gemeente uitgevoerde herinrichtingswerkzaamheden niet tot het normale ondernemersrisico van [eiseres] kunnen worden gerekend.

4.9.

Niet is geschil is dat [eiseres] schade heeft geleden ten gevolge van de afsluiting van de Brouwerstraat gedurende de werkzaamheden. Evenmin is tussen partijen in geschil dat deze schade kan worden begroot op totaal € 109.004, zoals Lengkeek heeft berekend. Dit bedrag heeft betrekking op de gezamenlijke exploitatie van de tuincentra van [eiseres] in [vestigingsplaats] en [plaats] . De gemeente heeft voorts niet weersproken dat [eiseres] in vergelijking met andere nabij gelegen tuincentra onevenredig zwaar is getroffen, omdat haar tuincentrum in [vestigingsplaats] als enige vrijwel geheel afhankelijk is van de bereikbaarheid via de Brouwerstraat. Hieruit volgt dat is voldaan aan het onder (ii) genoemde vereiste van de speciale last.

4.10.

Vervolgens is aan de orde (i) of sprake is van een abnormale last in die zin dat de geleden schade valt buiten het normale ondernemersrisico. Lengkeek heeft in het definitieve expertiserapport een – niet nader gemotiveerde – drempel van 15% aan omzetverlies toegepast. [eiseres] heeft de toepassing van deze drempel gemotiveerd, en naar het oordeel van de rechtbank ook terecht, bekritiseerd. In lijn met de bestuursrechtelijke jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) stelt de rechtbank voorop dat bij de beantwoording van de vraag in hoeverre de schade als gevolg van de werkzaamheden onder het normaal maatschappelijk risico valt, in beginsel een (omzet)drempel mag worden gehanteerd. De toepassing van een dergelijke drempel moet wel deugdelijk worden gemotiveerd. Verder moet worden gelet op alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. De rechtbank is van oordeel dat een deugdelijke motivering in het besluit van de gemeente ontbreekt, en dat de gemeente aldus het advies van Lengkeek niet heeft kunnen volgen. Lengkeek heeft door het hanteren van een drempelmethode de afweging in de kwestie van [eiseres] gereduceerd tot één gezichtspunt: namelijk of de omvang van de schade uitstijgt boven een bepaald percentage van de omzet op jaarbasis. Dit terwijl [eiseres] juist een aantal van belang zijnde feiten en omstandigheden heeft aangedragen, die maken dat de keuze voor een dergelijke omzetdrempel niet gerechtvaardigd is. Die feiten en omstandigheden heeft Lengkeek ten onrechte niet bij haar advisering betrokken. Dit wordt verderop nog nader toegelicht.

4.11.

Daarbij komt dat onbegrijpelijk is hoe het tweede rapport van Lengkeek zich verhoudt tot het eerste rapport. In het eerste rapport hanteert Lengkeek met betrekking tot het maatschappelijk risico de drempelmethode, terwijl zij in het tweede rapport zowel de drempelmethode als de kortingsmethode hanteert. De rechtbank acht het rapport van Lengkeek op dit punt innerlijk tegenstrijdig: enerzijds wordt op basis van de drempelmethode geconcludeerd dat alle schade valt binnen het normale ondernemersrisico en anderzijds wordt ten aanzien van slechts twee schadeposten (het margeverlies op incourante voorraad en de resultaatderving door het later openen van de vestiging [plaats] ) die drempel kennelijk alsnog buiten beschouwing gelaten.

4.12.

Daarnaast constateert de rechtbank dat Lengkeek haar advies om uitsluitend met betrekking tot twee schadeposten een vergoeding aan [eiseres] toe te kennen baseert op de omstandigheid dat [eiseres] pas zeer kort voor aanvang voor de werkzaamheden is meegedeeld dat de Brouwerstraat voor een groot gedeelte van de werkweek volledig afgesloten zou worden, waarmee [eiseres] geen rekening heeft kunnen houden. Dit zijn juist omstandigheden die Lengkeek had moeten meewegen bij beantwoording van de vraag of de geleden schade al dan niet buiten het normale ondernemersrisico valt.

4.13.

Gelet op de hiervoor besproken gebreken aan het (eind)rapport van Lengkeek, is dit rapport in zoverre een ontoereikende onderbouwing van de beslissing van de gemeente om aan [eiseres] een bedrag van € 18.022 aan schadevergoeding toe te kennen. Dit brengt mee dat de rechtbank zelf zal bepalen of de gemeente uit hoofde van het égalité-beginsel nog een aanvullend bedrag aan [eiseres] is verschuldigd.

4.14.

De rechtbank is van oordeel dat de door [eiseres] geleden schade ten gevolge van de afsluiting van de Brouwerstraat het normale ondernemersrisico overschrijdt. De aard van de overheidshandeling betreft de reconstructie van de Brouwerstraat in het publieke belang van de verbetering van de verkeersdoorstroming. De werkzaamheden zijn ingrijpend van aard en behoren niet tot de reguliere onderhoudswerkzaamheden. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking de duur van de wegafsluiting (ruim vier maanden) op doordeweekse dagen vanaf 7:00 uur tot 17:00 uur en dat de Brouwerstraat voor het tuincentrum in [vestigingsplaats] de meest belangrijke toegangsweg is. De werkzaamheden zijn verricht in het voorjaar, de periode van het jaar waarin [eiseres] normaliter haar hoogste omzet behaalt. Het tuincentrum in [vestigingsplaats] is tijdens de werkzaamheden wel via omleidingsroutes bereikbaar gebleven. Voorts is van bijzonder belang dat [eiseres] zich niet of nauwelijks op een volledige afsluiting van de Brouwerstraat heeft kunnen voorbereiden, omdat zij daarover pas twee weken voor de aanvang van de werkzaamheden is ingelicht. Tenslotte neemt de rechtbank nog in aanmerking dat [eiseres] , zoals Lengkeek heeft berekend, ten gevolge van de wegafsluiting ongeveer 11,69 % omzetverlies in [vestigingsplaats] en 6,75% in Rijsburg en [plaats] gezamenlijk heeft geleden. Dit alles afwegende rechtvaardigt de conclusie dat de door [eiseres] geleden schade het normale ondernemersrisico overschrijdt. Er is dus tevens voldaan aan het vereiste van de abnormale last.

4.15.

Partijen zijn het in zoverre eens dat tot het door de gemeente uitgekeerde bedrag van € 18.022 een post “margederving incourante voorraad” behoort van € 15.920 en voorts dat een korting van 25% voor aftrek wegens normaal maatschappelijk risico niet als onredelijk moet worden aangemerkt. Dit leidt ertoe dat, als de gemeente nog een aanvullend bedrag dient te vergoeden, dit volgens beide partijen als volgt moet worden berekend:

- berekend omzetverlies € 159.201

- belangpercentage 40,4%

- berekend belangverlies € 64.317

- extra kosten € 28.767

€ 93.084

- aftrek wegens normaal

ondernemersrisico van 25% € 23.271 -/-

totaal: € 69.813

4.16.

De rechtbank sluit zich bij deze door beide partijen onderschreven berekening aan, zodat de vordering in hoofdsom van € 69.813 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente.

Overig

4.17.

De door [eiseres] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten van

€ 7.500 heeft betrekking op de kosten ter vaststelling van de schade (artikel 6:96 lid 2 sub b BW). Met betrekking tot de post van € 5.000 stelt de gemeente zich op het standpunt dat dit bedrag onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank verwerpt dit verweer. [eiseres] heeft de factuur van Rechtklus.nl van 11 september 2015, waarbij voormeld bedrag (exclusief BTW) aan [eiseres] in rekening is gebracht, overgelegd. Daarnaast blijkt uit de gedingstukken dat mevrouw mr. […] van Rechtklus.nl de (motivering van) het verzoek tot nadeelcompensatie van [eiseres] van 9 augustus 2014 heeft opgesteld en dat zij [eiseres] heeft bijgestaan bij het leveren van commentaar op de concept-rapportages van Lengkeek. Daarmee is voldoende komen vast te staan dat [eiseres] de onderhavige kosten heeft gemaakt, zodat deze schadepost zal worden toegewezen.

4.18.

De post van € 2.500 met betrekking tot de kosten van de accountant van [eiseres] , waartegen de gemeente geen separaat verweer heeft gevoerd, zal worden toegewezen.

4.19.

De gemeente heeft zich verweerd tegen de vordering van [eiseres] om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hiertoe heeft de gemeente aangevoerd dat [eiseres] haar vordering op dit punt niet heeft onderbouwd en dat het belang van de gemeente zwaarder dient te wegen dan het bedrijfsbelang van [eiseres] omdat de gemeente betaalt uit publieke middelen. Indien het vonnis toch uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, dient daaraan de voorwaarde van zekerheidsstelling te worden verbonden, aldus de gemeente.

4.20.

Uitgangspunt is dat [eiseres] het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft. Bij de afweging van de belangen van partijen komt aan de omstandigheid dat de gemeente betaalt uit publieke middelen geen beslissende betekenis toe. Wel relevant is in hoeverre er sprake is van een restitutierisico, waarbij het aan de gemeente is om dit risico te concretiseren. Op dit punt is tijdens de comparitie aan de orde geweest of [eiseres] wegens haar financiële situatie valt onder bijzonder beheer van de bank, hetgeen [eiseres] gemotiveerd heeft weersproken. Daartegenover heeft de gemeente geen, althans onvoldoende, concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat er sprake is van een zodanig concreet restitutierisico dat het belang van [eiseres] moet wijken voor dat van de gemeente alsmede dat zekerheidsstelling geboden is. Bijgevolg zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zonder zekerheidsstelling.

4.21.

Bij deze uitkomst past dat de gemeente in de kosten van de procedure wordt veroordeeld. Deze kosten begroot de rechtbank op € 3.164,75, namelijk € 1.929 aan griffierecht, € 77,75 aan deurwaarderkosten en € 1.158 aan salaris advocaat (2 punten à

€ 579, volgens tarief III), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de gemeente tot betaling aan [eiseres] van € 77.313, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 69.813 vanaf 12 november 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de gemeente in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 3.164,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, indien de gemeente deze kosten niet voordien heeft voldaan;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op

14 december 2016.