Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15529

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2016
Datum publicatie
27-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 85, SGR 16/503 en SGR 16/1622
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2478, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv). Misbruik van recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/85, SGR 16/503 en SGR 16/1622

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder

(gemachtigde: mr. R.Z.J. Coret).

Procesverloop

In de zaak 16/85

Bij brief van 14 oktober 2014 heeft verweerder aan eiser desgevraagd uitgelegd hoe het archief van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) is opgebouwd en hoe daarin het beste gezocht kan worden.

Bij besluit van 4 december 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

In de zaak 16/503

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft verweerder het verzoek van eiser om kennisneming van stukken met betrekking tot Zuid-Molukse zaken gedeeltelijk ingewilligd door in negen delen een inzage dossier te verstrekken van in totaal 5524 pagina’s.

Bij besluit van 28 december 2015 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 24 februari 2016 heeft eiser toestemming geweigerd kennis te nemen van de met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank overgelegde stukken indien hierin de weigeringsgronden per passage zijn vermeld. Aangezien aan de door eiser gestelde voorwaarde niet is voldaan, heeft de rechtbank geen kennis genomen van de door verweerder met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank overgelegde stukken.

In de zaak 16/1622

Bij besluit van 20 augustus 2015 heeft verweerder het verzoek van eiser om kennisneming van stukken met betrekking tot de rapporten over antisemitisme, racisme en rechtsextremisme gedeeltelijk ingewilligd door een inzagedossier van tien bewerkte fotokopieën te verstrekken.

Bij besluit van 29 januari 2016 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 18 april 2016 heeft eiser toestemming geweigerd kennis te nemen van de met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank overgelegde stukken indien hierin de weigeringsgronden per passage zijn vermeld. Aangezien aan de door eiser gestelde voorwaarde niet is voldaan, heeft de rechtbank geen kennis genomen van de door verweerder met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank overgelegde stukken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2016 waar de drie beroepen gelijktijdig zijn behandeld samen met vier beroepen van eiser tegen de minister van Defensie met de nummers SGR 15/2047, SGR 15/3180, SGR 15/9148 en SGR 16/308. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd en [persoon] . In de zaken tegen de minister van Defensie wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling kan worden toegekomen ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de beroepen van eiser ontvankelijk zijn. De rechtbank heeft in de verweerschriften aanleiding gezien schriftelijk vragen te stellen aan eiser en verweerder. Eiser heeft bij brief van 5 september 2016 de aan hem gestelde vragen beantwoord. Verweerder heeft bij brief van 14 september 2016 de aan hem gestelde vragen beantwoord.

2. Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) (onder meer de uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

Dit uitgangspunt dient ook te gelden voor verzoeken tot kennisneming van documenten op grond van artikel 51, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv). Weliswaar hoeft een verzoeker geen belang te stellen voor het indienen van een dergelijk verzoek, maar de reden voor het indienen van een verzoek om kennisneming kan wel relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van misbruik van recht (vergelijk Afdelingsuitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1585).

3. Eiser heeft desgevraagd meegedeeld dat hij met de Wiv- en ook Wob-verzoeken die hij indient, beoogt een unieke verzameling historisch materiaal te verkrijgen en te behoeden voor vernietiging door dit materiaal te publiceren en voor een ieder toegankelijk te maken op zijn internetsites Stichtingargus.nl en inlichtingendiensten.nl. Het voordeel hiervan is dat onderzoekers, journalisten en historici niet zelf tijdrovende Wob en/of Wiv-procedures hoeven te voeren. Onderwerp van de verzameling zijn documenten waaruit blijkt hoe de veiligheidsdiensten functioneren na de Tweede Wereldoorlog. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij in navolging van een aantal organisaties uit de Verenigde Staten van Amerika op deze wijze een digitaal schaduwarchief wil creëren van informatie die anders door de toepassing van de Archiefwet na verloop van tijd verloren zou gaan. Verder wijst hij erop dat andere landen de door veiligheidsdiensten verzamelde informatie niet na 20 jaar vernietigen, maar zelf actief openbaar maken.

4. Verweerder en de minister van Defensie in de tegelijkertijd behandelde zaken met bovenvermelde nummers ten aanzien van de militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst (MIVD) hebben erop gewezen dat zij zich aanvankelijk coöperatief hebben opgesteld en eiser informatie hebben verschaft over de inrichting van hun archieven. Ook hebben zij gepoogd een werkbare relatie met eiser op te bouwen om zo veel als mogelijk aan zijn omvangrijke verzoeken te kunnen voldoen. Na verloop van tijd hebben zij evenwel ervaren dat eisers proceshouding leidde tot een zodanig beslag op de capaciteit van de bestuursorganen dat dit ten koste ging van de uitvoering van hun kerntaken en de behandeling van andere Wob- en Wiv-verzoeken, zelfs na personele uitbreiding. Zo bleek dat het verstrekken van informatie aan eiser weer leidde tot nieuwe inzageverzoeken naar aanleiding van die verstrekte stukken en bleef eiser, ondanks overleg over de afdoening van zijn verzoeken, procedures voeren over de termijn van afhandeling (indienen van ingebrekestellingen, klachten en beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit) en over de gehanteerde weigeringsgronden (bezwaren, beroepen en hoger beroepen), maar ook en steeds meer over de staat van verweerders archieven. Verweerders dienst, de AIVD, heeft alleen al ter beantwoording van onderhavig informatieverzoek tweeënhalf jaar aan Fte nodig gehad voor het gereed maken van deze documentenverzameling voor archivering in het kader van de Archiefwet. Verweerder en de minister van Defensie hebben aangegeven dat de handelwijze van eiser lijkt op een vrijwel niet te stillen behoefte aan informatie.

5. Eiser heeft op de door de rechtbank gestelde vragen geantwoord dat hij de afgelopen vijf jaren ongeveer 97 Wob/Wiv-verzoeken heeft ingediend bij de AIVD en ongeveer 73 bij de MIVD.

Verweerder heeft op de door de rechtbank gestelde vragen geantwoord dat eiser de afgelopen vijf jaren 123 Wiv-verzoeken heeft afgedaan. Daarnaast is eiser in zes procedures als gemachtigde voor derden opgetreden bij het doen van Wiv-verzoeken. Regelmatig heeft eiser niet alleen verzocht om kennisneming van één bestuurlijke aangelegenheid, maar van een compleet historisch archief, te weten alle rapportages, in brede zin, die verweerder of een rechtsvoorganger, heeft opgesteld over een onderwerp. Het betreft dan ook zeer omvangrijke verzoeken, in de regel beduidend omvangrijker dan de verzoeken van derden. Naar aanleiding van door eiser ingediende verzoeken zijn de afgelopen vijf jaren 36.777 pagina`s verstrekt. Daarvoor heeft verweerder 92.349 pagina’s moeten verwerken.

Met betrekking tot de vraag hoeveel mankracht verweerder heeft besteed aan de afhandeling van de verzoeken van eiser heeft verweerder het volgende aangegeven. Voor duiding van het verzoek en administratieve handelingen is 0,6 Fte hiermee belast. Deze medewerker houdt zich alleen bezig met inzageverzoeken. Met het archiefonderzoek is 3,2 Fte belast. Omdat eiser veelal verzoekt om oude, en dus niet gedigitaliseerde, gegevens dienen deze digitaal te worden gemaakt alvorens deze bewerkt kunnen worden. Gemiddeld is hier een medewerker gedurende één dag in de week mee bezig. Met het bewerken van documenten is 4,2 Fte (fulltime) belast en met het maken van beschikkingen en de juridische afwikkeling van verzoeken 2 Fte (fulltime). De afgelopen vijf jaren is er aan de afhandeling van de verzoeken van eiser voor wat betreft het archiefonderzoek en het bewerken en scannen van gegevens in totaal 18.413 uren besteed. Daarbij zijn niet betrokken de uren die zijn besteed aan het maken van beschikkingen het voeren van juridische procedures en de administratieve afhandeling hiervan. Door de grote hoeveelheid verzoeken om kennisneming van eiser, welke vrijwel altijd gevolgd worden door langdurige juridische procedures, is verweerder niet in staat op verzoeken van anderen binnen de wettelijke termijn te besluiten. Tussen 18 augustus 2014 en 9 september 2016 heeft verweerder in totaal € 7.407,70 aan proceskosten, griffierecht en reiskosten aan eiser betaald. Er zijn geen gegevens bekend over dwangsommen die aan eiser zijn uitgekeerd.

6. Door eiser wordt niet betwist dat zijn verzoeken veel beslag leggen op de personele capaciteit van verweerder, maar hij is evenwel van mening dat hij doordat hij niet de hele verzameling tegelijk opvraagt, maar dit gefaseerd doet voldoende rekening houdt met het uit zijn verzoeken voortvloeiende capaciteitsbeslag op het overheidsapparaat. Als voordeel van het door hem op internet te plegen schaduwarchief noemt hij dat onderzoekers, journalisten en historici niet zelf tijdrovende Wob/Wiv-procedures hoeven te voeren.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser met zijn inzageverzoeken beoogt een digitaal schaduwarchief van verweerders archieven aan te leggen. Eiser heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser omvangrijke delen van verweerders archief opvraagt, welke verzoeken een groot beslag op de (personele) capaciteit van verweerder leggen, zoals onder rechtsoverweging 5 is vermeld.

Eiser heeft meegedeeld dat hij met zijn schaduwarchief beoogt een unieke verzameling historisch materiaal te verkrijgen en deze te behoeden voor vernietiging door dit materiaal te publiceren en voor een ieder toegankelijk te maken op door hem beheerde internetsites.

De rechtbank is van oordeel dat het recht op informatie dat in de Wob en de Wiv geregeld is daarvoor niet is bedoeld. Dit recht heeft niet tot doel de werking van de Archiefwet, op grond waarvan na verloop van tijd documenten kunnen worden vernietigd, als zodanig tegen te gaan.

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat eisers beweegreden omvangrijke delen van verweerders archief op te vragen teneinde verder niet nader gespecificeerde informatie voor andere burgers toegankelijk te maken, geen redelijk doel is. Het aanleggen van een schaduwarchief door eiser om dat doel te bereiken is niet geëigend, niet efficiënt en in strijd met het systeem van de Wiv en de Wob. Nog daargelaten dat het raadplegen van de door eiser opgevraagde informatie door derden een onzekere toekomstige gebeurtenis is, overweegt de rechtbank dat de wetgever met de Wiv en de Wob een laagdrempelige mogelijkheid heeft gecreëerd voor burgers om openbaarmaking van bij de overheid berustende documenten te verzoeken, desgewenst met hulp van een rechtsbijstandverlener. Hiermee is de openbaarheid voldoende gewaarborgd. Deze omstandigheden, afgezet tegen de enorme inspanningen waartoe behandeling van eisers verzoeken verweerder dwingt, maken dat eiser het recht op het verzoeken om informatie dat de Wob en de Wiv hem bieden zodanig evident zonder redelijk doel gebruikt dat het aanwenden van dat recht blijk geeft van kwade trouw. De rechtbank voelt zich gesteund in dit oordeel door eisers verklaring ter zitting dat hij van het innen van dwangsommen en proceskosten mede zijn broodwinning maakt.

9. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat eiser de bevoegdheid de Wiv verzoeken in te dienen zodanig evident heeft aangewend zonder redelijk doel dan wel voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, dat het aanwenden van die rechten en bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Er is misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarvoor de Wiv is gebruikt.

10. Nu de beroepen misbruik van recht inhouden zijn deze beroepen dientengevolge niet-ontvankelijk.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, voorzitter, en mr. E.S.G. Jongeneel en mr. M.M. Meijers, leden, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.