Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15465

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 10754
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Oromo. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het asielrelaas van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL16.1111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch. R. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebben stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was als tolk mevrouw L. Gammeren ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 3 juni 2015 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend. Bij besluit van 30 juli 2015 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam op 25 augustus 2015 gegrond verklaard (ECLI:NL:RBROT:2015:6137). Tevens heeft de genoemde rechtbank verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Op 14 december 2015 heeft een aanvullend gehoor plaatsgevonden. Vervolgens is op 22 februari 2016 een voornemen uitgebracht. Bij brief van 14 maart 2015 heeft eiser zijn zienswijze schriftelijk ingediend. Bij brief van 31 maart 2016 heeft eiser een aanvullende zienswijze ingediend.

2 In onderhavige procedure is in geschil of verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel als ongegrond heeft kunnen afwijzen.

3 Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij te vrezen heeft voor de Ethiopische regering. Nadat zijn vader en zijn broer zijn vermoord vanwege hun banden met het Oromo Liberation Front (OLF) is eiser door Ethiopische regering beschuldigd van het feit dat hij banden heeft met het OLF. Om deze reden is eiser gearresteerd en vijf maanden vastgehouden. Uiteindelijk heeft hij kunnen ontsnappen en het land kunnen verlaten. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij vanwege zijn etniciteit als Oromo, dagelijks en op school, slecht werd behandeld.

4 Gelet op de omstandigheid dat de aanvraag dateert van vóór 20 juli 2015, heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vw 2000 zoals deze bepaling luidde vóór 20 juli 2015.

5 Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe eerstens aangevoerd dat verweerder het ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen identiteitskaart heeft overgelegd. Zijn identiteitskaart lag thuis en omdat hij op de vlucht was kon van hem niet worden verwacht dat hij naar zijn dorp zou gaan om te kijken of er een verhoogde activiteit rondom zijn huis was. Hij kon het risico niet nemen omdat hij uit detentie was gevlucht. Daarbij worden OLF aanhangers snel vervolgd.

Voorts heeft eiser – samengevat – aangevoerd dat hij bestrijdt dat hij ten aanzien van zijn eigen rol en de rol van zijn vader binnen het OLF summier heeft verklaard. Hij bestrijdt dat hij ten aanzien van de werkzaamheden van zijn vader slechts algemene informatie heeft genoemd welke via publieke bronnen verkrijgbaar is. In het bestreden besluit ontbreekt (wederom) een nadere toelichting waarom verweerder van mening is dat eiser summier heeft verklaard over de rol van zijn vader binnen het OLF. De verwijzing naar twee internetpagina’s met daarin slecht algemene informatie over de OLF is een onvoldoende motivering nu uit de gehoren blijkt dat eiser andere en meer gedetailleerder informatie heeft verschaft over zijn eigen sympathie. Daarbij wordt aan eiser tegengeworpen dat hij geen "andere relevante zaken" kan noemen. Echter, niet wordt inzichtelijk gemaakt op welke andere relevante zaken verweerder doelt.

6 De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, nadat de relevante elementen van het asielrelaas zijn vastgesteld, de geloofwaardigheid van die elementen wordt beoordeeld. Vervolgens worden de relevante elementen die als geloofwaardig worden aangenomen en de elementen die als ongeloofwaardig worden aangemerkt, niet enkel los van elkaar, maar ook in onderlinge samenhang gewogen. De rechtbank wijst hierbij op paragraaf C1/3.3 van de Vc 2000 en de door verweerder gehanteerde werkinstructie bij de nieuwe integrale geloofwaardigheidstoets (werkinstructie 2014/10). In deze werkinstructie wordt uitgewerkt op welke wijze in de praktijk tot een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling wordt gekomen. Het is van belang om de geloofwaardigheid per element te beoordelen.

Dat wil zeggen dat per relevant element bekeken moet worden welke omstandigheden op de geloofwaardigheid van dat relevante element van invloed zijn. De geloofwaardigheidsbeoordeling moet objectief, gestructureerd en transparant worden uitgevoerd. Dat betekent onder andere dat gebruik gemaakt moet worden van objectiveerbare bronnen en kenbaar gemotiveerd moet worden waarbij inzicht gegeven wordt in de weging. Ook moet rekening worden gehouden met de persoon van de vreemdeling en diens achtergrond. Indien de vreemdeling een relevant element niet of onvoldoende kan onderbouwen met documenten of ander objectief bewijsmateriaal, zal aan de hand van in de instructie beschreven geloofwaardigheidsindicatoren moeten worden getracht tot het oordeel geloofwaardig of ongeloofwaardig te komen.

7 Eiser heeft niet betwist dat zijn asielrelaas de volgende elementen bevat:

- eiser heeft verklaringen afgelegd omtrent zijn identiteit en nationaliteit;

- eiser heeft verklaard dat hij als OLF-sympathisant problemen heeft ondervonden met de Ethiopische autoriteiten; en

- eiser heeft verklaard dat hij tot de Oromo behoort en dat hij vanwege zijn etniciteit werd achtergesteld in het land van herkomst.

8 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de voornoemde elementen niet ten onrechte integraal ongeloofwaardig geacht. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

9 Anders dan eiser heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd dat het ontbreken van de identiteitskaart aan eiser kan worden tegengeworpen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bevreemdend is dat eiser tijdens zijn vlucht drie dagen in Dinsho, op ongeveer 10 kilometer van zijn woonplaats, heeft verbleven maar desondanks geen oprechte inspanning heeft verricht om zijn identiteitskaart in bezit te krijgen. Te meer nu hij naar eigen verklaring veel moeite heeft moeten doen om een identiteitskaart te kunnen verkrijgen. Voor zover eiser van mening is dat het te gevaarlijk was om te kijken of er een verhoogde activiteit rondom zijn woning was, heeft verweerder het niet ten onrechte aan eiser tegen kunnen tegenwerpen dat eiser ook geen moeite heeft gedaan om zijn identiteitskaart door een ander op te laten halen. De rechtbank acht hierbij onder meer van belang dat eiser in het nader gehoor heeft verklaard dat hij in Dinsho twee nachten bij een vriend van zijn vader heeft geslapen en met hem over zijn problemen heeft gesproken.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het eiser kan worden toegerekend dat hij zijn identiteitskaart niet heeft overgelegd zodat er in het verlengde hiervan twijfel is gerezen over zijn identiteit.

10 Het standpunt van eiser dat verweerder in het bestreden besluit niet nader heeft toegelicht waarom hij van mening is dat eiser summier heeft verklaard over zijn rol en de rol van zijn vader binnen het OLF, wordt eveneens niet gevolgd. Verweerder heeft in het voornemen, welke deel uitmaakt van het bestreden besluit, en in het bestreden besluit niet ten onrechte overwogen dat eiser slechts algemene informatie over het OLF heeft gegeven. Uit deze algemene informatie kan niet worden afgeleid dat hij zich actief heeft ingezet voor het OLF. Nu uit de verklaringen van eiser naar voren komt dat de activiteiten voor het OLF een grote rol hebben gespeeld zijn leven, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mocht worden dat hij meer over deze activiteiten zou kunnen verklaren dan dat hij heeft gedaan. Zoals bijvoorbeeld over de wijze waarop hij het OLF steunt, op welke wijze hij de partij financieel steunt en wat de reden is dat hij sympathisant is geworden nadat zijn vader is overleden. Ondanks dat eiser door verweerder voldoende in de gelegenheid is gesteld, heeft hij hier niet nader over verklaard. Daarbij heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser summiere verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van zijn contactpersoon en de rol van deze contactpersoon binnen de OLF.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mocht worden dat hij gedetailleerd over de rol van zijn vader binnen het OLF zou kunnen verklaren nu eiser heeft verklaard dat zijn vader het OLF steunde zolang als hij zich kon herinneren en dat zijn vader een bekend persoon zou zijn.

Dat eiser onzeker en bescheiden is en daarnaast weinig opleiding heeft genoten maakt niet dat van hem niet verwacht mag worden dat hij gedetailleerde verklaringen kan afleggen ten aanzien van zijn asielrelaas.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het vorenoverwogene het asielrelaas van eiser terecht ongeloofwaardig geacht. De door eiser ingebrachte brief van de OLF van 2 mei 2016 kan geen afbreuk doen aan deze geconstateerde ongeloofwaardigheid.

11 Vervolgens staat ter beoordeling of eiser als Omoro in Ethiopië problemen heeft te duchten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geen reëel risico van schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aangenomen vanwege de omstandigheid dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep der Oromo’s. Uit het ambtsbericht inzake Ethiopië van 24 mei 2013 komt niet naar voren dat alle personen die behoren tot de Oromo bevolkingsgroep te vrezen hebben voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit het ambtsbericht en de door eiser overgelegde stukken blijkt weliswaar dat Oromo’s serieuze problemen kunnen ondervinden van de Ethiopische autoriteiten, maar daarbij gaat het veelal om een verdenking van het lidmaatschap van de OLF. Niet blijkt dat deze problemen dermate wijdverspreid zijn dat de gehele Oromo-bevolkingsgroep vluchteling is dan wel te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Voor zover eiser met foto’s heeft willen onderbouwen dat hij in Nederland een vergadering van het OLF heeft bijgewoond en dat hij met het OLF heeft gedemonstreerd waardoor hij bij terugkeer te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat eiser met het overleggen van deze foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in negatieve belangstelling staat bij de Ethiopische autoriteiten.

12 Eiser heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen.

13 Het beroep is ongegrond.

14 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Siderius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.