Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1537

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4258
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging tijdelijke aanstelling. Op basis van negatief studieadvies van het studiedecanaat mag eiser de ADAC-opleiding niet voortzetten. Beroep gegrond vanwege een motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/4258

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.L.A. Helmer),

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigden: mr. D.H.M. van der Veen-Lüers en A.M. Le Fèvre).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 1 februari 2015 eervol ontslag verleend, op grond van artikel 95, tweede lid, onder a, van het Algemeen Ambtenarenreglement (ARAR).

Bij besluit van 7 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst zodat door verweerder nadere informatie aan de rechtbank kon worden verstrekt. Nadat partijen toestemming hebben gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank bij brief van 28 januari 2016 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is vanaf 1 maart 2009 met tussentijdse onderbrekingen als uitzendkracht werkzaam geweest bij verweerder.

2. Ter uitvoering van het Regeerakkoord 2012 is verweerder gestart met een grootschalige werving in 2013 en 2014. In het kader van deze werving heeft eiser als uitzendkracht gesolliciteerd naar de functie van medewerker Toezicht met aandachtsgebied heffing IH niet winst, groepsfunctie E.

3. Bij besluit van 28 oktober 2013 is eiser met ingang van 1 augustus 2013 aangesteld op grond van artikel 6, tweede lid, onder a, van het ARAR als ambtenaar van de Belastingdienst in tijdelijke dienst.

4. Bij besluit van 13 januari 2014 is eiser met ingang van 1 augustus 2013, op grond van artikel 6, tweede lid, onder d, van het ARAR in tijdelijke dienst voor de duur van de opleiding aangesteld als ambtenaar van de Belastingdienst. Na het met succes afronden van het Associate Degree programma Accountancy (ADAC-opleiding) en functiegerichte modules voor de groepsfunctie E en als blijkt dat eiser voldoende geschikt en bekwaam is, volgt een aanstelling in vaste dienst. Eiser is in september 2013 begonnen met de ADAC-opleiding.

5. Verweerder hanteert in het kader van de ADAC-opleiding als beleid dat, ongeacht wat de regels van de hogeschool waar de opleiding wordt gevolgd zijn, elke toets slechts eenmaal mag worden herkanst. Bij een onvoldoende voor de herkansing eindigt de opleiding. In dat geval volgt bij werknemers met een tijdelijke aanstelling ontslag.

6. Op 30 april 2014 heeft de algemeen directeur Belastingen besloten een centraal studiedecanaat (het decanaat) in te richten. Uit de memo van 15 mei 2014 blijkt dat de doelstelling van het decanaat is “om tijdig een realistisch persoonlijk opleidingsplan af te spreken met interne en tijdelijke medewerkers, die in het ITI-traject de ADAC opleiding waarschijnlijk niet gaan halen binnen de geldende toetsingskader Belastingen, i.c. twee jaar. Met de interne medewerkers voor wie op 1 mei terugplaatsing of ontslag dreigt, wordt in deze lijn een gesprek aan gegaan om te kijken of er nog een realistisch opleidingsplan mogelijk is. Uitgangspunt blijft het afronden van de studie binnen twee jaar. Als onderdeel van het maatwerktraject behoren extra herkansingen tot de mogelijkheden. Het belang van de business (snelle inzetbaarheid) en de haalbaarheid van de opleiding voor een student binnen twee jaar staan voorop. Anders gezegd: studenten kunnen in dit traject deelnemen, als zij een realistische kans hebben op een succesvolle afronding van hun studie binnen de overeengekomen twee jaar.”

In de bijlage bij die memo is vermeld “Iedere medewerker die in het kader van de ITI een opleiding volgt en een tentamen niet haalt dient zich terstond te melden bij het nu in te stellen centrale studiedecanaat. Hier wordt op dat moment in onderling overleg tussen decanaat en student een maatwerktraject ontworpen dat erop gericht is om weer in gewenste studievoortgang terug te komen. Centrale doelstelling hierbij blijft dus de studie in de originele 2 jaar af te ronden. Onderdeel van de mogelijkheden in dit maatwerktraject zijn dus ook eventuele afspraken over extra herkansingen, inzet van eigen vrije tijd en eventuele afspraken over werkbelasting. Management van de betrokken medewerker zal bij dit laatste aspect vanzelfsprekend betrokken worden.”

7. In mei 2014 is eiser bij het decanaat aangemeld. Op dat moment had eiser voor het vak Bedrijfseconomie 2 in de herkansing een 5,1 gehaald. Bij het examen voor dit vak is het woord ‘onvoldoende’ en geen cijfer opgenomen omdat de docent bezwaar had gemaakt tegen het examen. Voorts had eiser een onvoldoende voor de herkansing van het vak Taalvaardigheid en heeft hij voor het examen van het vak Ondernemingsrecht een 5,1 gehaald. Bij brief van 15 juli 2014 heeft het decanaat negatief geadviseerd over de continuïteit van de studie van eiser. Dit advies is als volgt onderbouwd: “Formeel gezien voldoet [eiser] niet aan het toetskader dat voor de ITI-opleidingen is vastgesteld. [eiser] heeft voor het vak Bedrijfseconomie bij het herexamen een 5,1 gehaald. De docent heeft bezwaar gemaakt tegen het examen, maar dat is door de school afgewezen. Via een medestudent heeft het decanaat dit gehoord op 11 juni. [eiser] was van deze beslissing nog niet op de hoogte! Voor het vak taalvaardigheid is de eerste toets ongeldig verklaard. [eiser] had hier een 3 voor, die hierdoor vervalt. Voor de tweede toets taalvaardigheid heeft Muammar een 3 gehaald en voor het herexamen een 4. Ondanks het feit dat Muammar al 26 jaar in Nederland woont heeft hij veel moeite met de taal. Hij vindt het lastig, vooral de zinsopbouw en de d’s en t’s. Hij hoopt dat hij bijles krijgt van school of van ons. Lukt dat niet dan overweegt hij dit zelf te organiseren. Tevens geeft [eiser] aan het afgelopen jaar weinig privé leven te hebben, of hij is weg of zijn partner en kinderen (1,5 en 3 jaar) zijn thuis weg. Hij geeft aan toch wel 30 uur per week aan de studie te besteden.
Ondanks de inspanningen van [eiser] heeft hij voor twee vakken de herkansing onvoldoende gehaald en krijgt hij daarom een negatief advies.”

8. Tegen dit advies is door eiser bij brief van 21 juli 2014 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is aangemerkt als escalatieverzoek en is behandeld door een escalatiecommissie bestaande uit de plaatsvervangend directeur PDB, de plaatsvervangend directeur MKB en de plaatsvervangend directeur HR. Bij brief van 14 augustus 2014 heeft die commissie meegedeeld dat nadat eiser zich had gemeld bij het decanaat op 15 mei 2014 advies is ingewonnen bij de teamleider van eiser. Daarna is het decanaat met eiser in gesprek gegaan over de feiten en omstandigheden, zodat het bindend advies van 15 juli 2014 naar de mening van de commissie op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Voorts overweegt de commissie het volgende: “Het decanaat heeft vastgesteld dat u voor twee vakken ook na hertoetsing een onvoldoende heeft behaald en daarmee niet voldaan heeft aan het toetskader. Gelet op de door u ingebrachte bezwaren en het van toepassing zijnde toetsingskader is de toetsingscommissie van mening dat het studieadvies van het decanaat als zodanig terecht is afgegeven. Dit betekent dat het gegeven advies negatief blijft.”

9. Bij mailbericht van 10 oktober 2014 heeft eiser de algemeen directeur Belastingen meegedeeld dat er in strijd met het gelijkheidsbeginsel wordt gehandeld nu er andere medewerkers zijn die een positief studieadvies hebben gekregen, ondanks het feit dat zij net als eiser ook voor twee herkansingen een onvoldoende hebben gehaald. Voorts meldt eiser dat het studiedecanaat in zijn geval geen maatwerktraject heeft aangeboden.

10. Aan het ontslagbesluit heeft verweerder zowel het advies van het studiedecanaat van 15 juli 2014 als de brief van 14 augustus 2014 van de escalatiecommissie ten grondslag gelegd.

11. Bij brief van 22 april 2015 heeft de voorzitter van het decanaat gereageerd op de vragen die door verweerder in het kader van de bezwaarprocedure zijn voorgelegd. In zijn reactie deelt het decanaat samengevat het volgende mee. Het decanaat toetst aan de hand van het kader dat is afgesproken en kijkt daarbij aan de hand van de studieresultaten en de persoonlijke omstandigheden, of er redenen zijn om af te wijken van het toetsingskader en maatwerk toe te passen om zo de doelstelling, snel inzetbaar, te realiseren. Op basis van de door eiser genoemde persoonlijke omstandigheden en de tot dan toe behaalde studieresultaten, is het decanaat van mening dat geen aanleiding bestaat voor maatwerk. De voorzitter van het studiedecanaat overweegt vervolgens als volgt:

“Betreffende het maatwerk ben ik, na ampele overweging, gelet op de aangedragen persoonlijke omstandigheden en de behaalde resultaten tot nu toe, thans van mening dat voor: de heer [eiser] geen aanleiding bestaat voor het verlenen van maatwerk. Hij heeft een vrouw en twee kleine kinderen. Hij heeft verzocht om maatwerk, omdat zijn gezin ook veel tijd kost en dit voor hem moeilijk te combineren is met het werk en met zijn opleiding. Het studiedecanaat verleent geen maatwerk voor deze omstandigheden, nu in gelijke gevallen, andere ADAC studenten met een gezin het studiedecanaat ook geen maatwerk heeft geboden. Dit kan anders zijn op het moment dat het gezin om bijzondere persoonlijke redenen (bijvoorbeeld ziekte) veel tijd vergt. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden is het studiedecanaat niet gebleken. Daarom bestaat geen aanleiding voor maatwerk. [eiser] heeft twee herkansingen niet gehaald. Hij voldoet daarmee niet aan het toetskader. Het negatieve studieadvies is op goede gronden gegeven. Er bestaat geen aanleiding dit advies te herzien.”

12. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat hij met inachtneming van hoofdstuk 6, onder 3.1.2. van de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst het toetskader ITI heeft uitgewerkt. Dit toetskader houdt o.a. in dat een student één herkansing per vak heeft en de opleiding binnen twee jaar moet afronden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser tijdens zijn sollicitatie op de hoogte is gesteld van de verplichting tot het volgen van de ADAC-opleiding en van het toetskader. Ook stelt verweerder dat eiser in juni 2014 voor twee vakken ook na de herkansing een onvoldoende heeft behaald en daarom niet voldeed aan het toetskader. Het studiedecanaat heeft beoordeeld of er zich bijzondere omstandigheden hadden voorgedaan, waardoor eiser een onvoldoende voor een herkansing heeft behaald en heeft getoetst aan de hand van het kader dat is afgesproken. Aan de hand van de studieresultaten en de persoonlijke omstandigheden is bezien of er redenen waren om af te wijken van het toetskader en maatwerk toe te passen. Het decanaat heeft de bevoegdheid om bijvoorbeeld een extra herkansing te bieden. Verweerder stelt vast dat het decanaat niet conform deze opdracht heeft gehandeld door uitsluitend vast te stellen dat eiser twee vakken ook bij herkansing niet heeft gehaald. Verweerder vult de motivering van het bestreden besluit aan door te stellen dat eiser tot februari 2015 de ADAC-opleiding heeft gevolgd. Uit het meest recente overzicht van de studieresultaten blijkt dat eiser voor de eerstejaarsvakken Taalvaardigheid en Bedrijfseconomie 2 een definitieve onvoldoende heeft gehaald. Ook heeft eiser voor de tweedejaarsvakken Bedrijsfeconomie 5 en Bedrijfsadministratie 5 een onvoldoende behaald. Nu eiser voor twee vakken een definitieve onvoldoende heeft, voldoet hij niet aan het toetskader en waren er goede gronden de opleiding van eiser te beëindigen. In de bezwarenprocedure heeft verweerder nogmaals aan het studiedecanaat gevraagd te bezien of voldoende maatwerk is geboden en of er aanleiding bestaat alsnog maatwerk te verlenen. Het studiedecanaat heeft vastgesteld dat eiser heeft aangevoerd dat zijn gezin veel tijd vergt en dit voor hem moeilijk te combineren is met zijn werk en opleiding. Het decanaat acht deze persoonlijke omstandigheden niet bijzonder zodat er geen aanleiding was in maatwerk te voorzien. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat het positieve studieadvies dat eiser van de Hogeschool Inholland heeft gekregen er niet toe doet, nu dit advies is gebaseerd op de normen van die onderwijsinstelling en niet op de normen die door verweerder worden gehanteerd. Dit advies ziet op het behalen van de propedeuse in twee jaar en niet op het behalen van de ADAC-opleiding in twee jaar. Voorts slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Voor zover het bezwaar van eiser is gericht op het door verweerder gevoerde beleid, zijn deze bezwaren niet-ontvankelijk blijkens artikel 8:2 juncto 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

13. In beroep voert eiser aan dat hij voordat hij werd aangesteld niet op de hoogte was van de verplichting om de ADAC-opleiding te volgen. De informatievoorziening over de noodzaak tot het succesvol voltooien van de ADAC-opleiding is gebrekkig geweest en te laat. Eiser is niet naar een voorlichtingsbijeenkomst geweest. Uit de presentatie van de voorlichtingsbijeenkomst blijkt niet dat verweerder aandacht heeft besteed aan de noodzaak de opleiding te volgen, noch is stilgestaan bij de gevolgen van het niet behalen van de ADAC-opleiding. Ook in het arbeidsvoorwaarden gesprek is de verplichting de ADAC-opleiding te volgen niet aan de orde geweest. Pas toen eiser met de opleiding was begonnen is aan hem het document ‘Informatie opleidingen associate degree hogescholen’ toegezonden, waarin ook het toetskader is opgenomen. Voorts voert eiser aan dat verweerder ten onrechte een mbo+ opleiding verplicht stelt voor een functie op mbo-niveau. Ook voert eiser aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het beleid en dat dat niet mogelijk is. Eiser meent dat verweerder niet in redelijkheid van een ambtenaar kan verlangen dat hij/zij gemiddeld 60 uur per week werkt en studeert, terwijl hij/zij de ADAC-opleiding binnen twee jaar moet afronden en slechts één herkansing per vak heeft. Bij het niet behalen van de opleiding volgt terugplaatsing of ontslag. Voorts voert eiser aan dat verweerder geen maatwerk heeft toegepast. Het studiedecanaat heeft niet bezien of een maatwerktraject kon worden ontworpen zodat eiser weer in het gewenste studievoortgang kon komen. Door alleen te kijken of er persoonlijke omstandigheden zijn, waardoor een onvoldoende is te rechtvaardigen voor een herkansing, heeft het decanaat een te beperkte taakopvatting. Voorts meent eiser dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld en haar beroep op het evenredigheidsbeginsel ten onrechte heeft afgewezen.

14. Ingevolge artikel 95, tweede lid, onder a van het ARAR kan aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst ontslag worden verleend, mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijke tenminste twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest;

15. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten eiser ontslag te verlenen vanwege beëindiging van de ADAC-opleiding.

16. Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat zijn beroep zich niet meer richt tegen het uitblijven van een dwangsombeschikking. Ook heeft eiser desgevraagd ter zitting bevestigd dat zijn beroep zich niet meer richt tegen de weigering van verweerder om eiser een vaste aanstelling te verlenen. Die gronden worden dan ook niet betrokken bij de beoordeling van het geschil.

17.1

Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat hij voorafgaand aan zijn aanstelling niet op de hoogte was van de verplichting de ADAC-opleiding te volgen. Bovendien heeft verweerder gebrekkige informatie verstrekt over de inhoud van de opleiding, het toetskader en over de gevolgen van het niet met succes afronden van de opleiding binnen twee jaar. De rechtbank overweegt als volgt.

17.2

Ten aanzien van de stelling dat eiser voorafgaand aan zijn aanstelling niet op de hoogte was van de verplichting de ADAC-opleiding te volgen overweegt de rechtbank dat uit de vacaturetekst blijkt dat een afgeronde MBO-opleiding in de in de vacature genoemde richtingen was vereist, en dat afhankelijk van de vooropleiding indien noodzakelijk eerst een opleiding wordt gevolgd. Dat het moeten halen van een opleiding tot de mogelijkheden behoorde, bleek dus al uit de vacaturetekst. Voorts geldt dat eiser heeft gesolliciteerd op een zogenaamde groepsfunctie. Uit artikel 3.1.1. van de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst blijkt dat voor groepsfuncties startopleidingen gelden. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser in zijn brief van 21 juli 2014, die hij naar aanleiding van het negatieve studieadvies van 15 juli 2014 aan verweerder heeft gezonden, mee deelt dat in het arbeidsvoorwaardengesprek is gesproken over de opleiding, waarbij de voorwaarde is genoemd dat de opleiding binnen twee jaar moet zijn afgerond. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser op de hoogte was van het feit dat hij een startopleiding diende te volgen. Overigens is de rechtbank ook niet gebleken dat eiser zich op enig moment voorafgaand aan de start van de opleiding op het standpunt heeft gesteld dat het volgen van deze opleiding niet van hem kan worden vereist.

17.3

Dat eiser onvoldoende van de inhoud van de opleiding, het toetskader en de gevolgen als de opleiding niet met succes wordt afgerond op de hoogte zou zijn gesteld volgt de rechtbank niet.

Eiser was voorafgaand aan zijn sollicitatie als uitzendkracht bij verweerder werkzaam en hij had derhalve toegang tot het interne netwerk waar informatie over het opleidingstraject te vinden was. Bovendien zijn door verweerder meerdere voorlichtingsbijeenkomsten gehouden, alwaar de opleidingstrajecten zijn geschetst. Voorts was ook het Memo rechtspositionele onderwerpen Werving ITI van april 2013 op het intranet geplaatst. Hierin staat onder andere dat het niet halen van de ITI-startopleiding gevolgen heeft. Vermeld wordt dat voor de intern geselecteerde medewerkers terugplaatsing volgt in een functie op het oude niveau en dat voor de extern geselecteerde medewerkers beëindiging van de tijdelijke aanstelling plaatsvindt (hoofdstuk 3.1). In dit Memo staat onder het kopje “Onvoldoende resultaat startopleiding c.q onvoldoende functioneren tijdens tijdelijke aanstelling” expliciet vermeld: “Er wordt ontslag verleend.

Voorts heeft verweerder een e-mail van 18 juli 2013 overgelegd, die ook naar het e-mail adres van eiser is verzonden, met informatie over de opleiding. In die informatie staat onder meer dat een associate degree een tweejarige hbo-opleiding is, die onderdeel is van een gewone bacheloropleiding aan een hogeschool en die sterk gericht is op de arbeidsmarkt. Het niveau ligt tussen mbo 4 en hbo bachelor en leidt op tot een erkend diploma. Daarbij is vermeld dat de Belastingdienst op één punt afwijkt van het reglement van de betreffende hogeschool, namelijk dat een student elke toets eenmaal mag herkansen en dat bij een onvoldoende voor een herkansing de opleiding eindigt.

18. Dat verweerder ten onrechte een mbo+ opleiding verplicht stelt voor een functie op mbo-niveau, volgt de rechtbank niet. Om in aanmerking te komen voor de groepsfunctie E is een afgeronde MBO-opleiding of MBO werk- en denkniveau vereist. Onder de groepsfunctie E vallen de schalen 7, 8 en 9. De werkzaamheden behorende tot de groepsfunctie E kunnen worden ingedeeld in twee hoofdgroepen, namelijk hoofdgroep III (MBO) en hoofdgroep IV (HBO). Hieruit volgt dat het kernniveau van de functie zich op schaal 8, mbo+ niveau, bevindt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de ADAC-opleiding als startopleiding aan te wijzen voor de groepsfunctie E.

19. Voor wat betreft het betoog van eiser dat het door verweerder gevoerde beleid met betrekking tot het gelijktijdig volgen van de ADAC-opleiding en het verrichten van werkzaamheden voor verweerder kennelijk onredelijk is, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser een leer- werktraject heeft aangeboden dat door eiser is aanvaard. Aan eiser is 19 uur per week studieverlof toegekend voor het volgen van de ADAC-opleiding en voor 17 uur per week verrichtte hij werkzaamheden voor verweerder. Deze faciliteiten zijn verleend zodat eiser binnen twee jaar de ADAC-opleiding kon afronden. Als voorwaarde is gesteld dat elk vak maximaal één keer mag worden herkanst. Aan het succesvol afronden van de opleiding is een baangarantie gekoppeld. Door het instellen van een studiedecanaat heeft verweerder de mogelijkheid gecreëerd om af te wijken van het uitgangspunt dat een vak maar één keer kan worden herkanst. De rechtbank is van oordeel dat de eisen en voorwaarden verbonden aan het leer-werktraject niet kennelijk onredelijk zijn. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat door verweerder de slagingspercentages van de medewerkers volgt en dat het in het belang van verweerder is dat zoveel mogelijk medewerkers de ADAC-opleiding zo snel mogelijk met succes afronden.

20. Met betrekking tot de stelling van eiser dat het decanaat geen maatwerktraject heeft aangeboden, overweegt de rechtbank het volgende. Uit rechtsoverweging 6. blijkt wat de bedoeling van verweerder is geweest bij de inrichting van het decanaat. Niet alleen moest het decanaat bezien of er omstandigheden waren die een onvoldoende voor een herkansing konden rechtvaardigen, maar ook moest worden nagegaan of een maatwerktraject kon worden ontworpen dat erop gericht is om weer in de gewenste studievoortgang terug te komen, zodat de opleiding alsnog binnen twee jaar kon worden afgerond. Uit de eveneens onder 6 aangehaalde bijlage bij het Memo blijkt dat in het kader van een maatwerktraject ook afspraken over extra herkansingen gemaakt konden worden. Verweerder stelt zich, in navolging van de adviezen van het studiedecanaat van 15 juli 2014 en 22 april 2015, op het standpunt dat nu eiser geen bijzondere persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht, het niet nodig was maatwerk te leveren. Hierdoor heeft eiser voor twee vakken, Bedrijfseconomie 2 en Taalvaardigheid, een definitieve onvoldoende en voldeed hij niet aan het toetskader zodat hij de opleiding niet meer mocht voortzetten en is eiser ontslag verleend. De rechtbank stelt vast dat eiser zich in mei 2014 heeft gemeld bij het studiedecanaat. Op dat moment had eiser al voor twee vakken een definitieve onvoldoende. Nu het decanaat pas in mei 2014 is ingericht kan eiser niet worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld bij het decanaat. De rechtbank stelt vast dat het decanaat uitsluitend heeft beoordeeld of er bijzondere persoonlijke omstandigheden waren die een onvoldoende voor een herkansing konden rechtvaardigen en niet heeft bezien of eiser met een maatwerktraject wellicht in staat zou zijn geweest alsnog de opleiding binnen twee jaar te halen. In het advies is verzuimd te onderbouwen waarom het niet reëel te achten is dat eiser alsnog binnen twee jaar de opleiding kon afronden. Ook is verweerder in het bestreden besluit niet op deze aspecten ingegaan. Dit klemt te meer nu eiser bij brief van 10 maart 2015 uitvoerig heeft onderbouwd dat en waarom hij de kans reëel acht dat hij binnen twee jaar alsnog de opleiding kan afronden. Het negatieve advies van 15 juli 2014 en het bestreden besluit ontberen gelet op het voorgaande een deugdelijke motivering, waardoor de rechtbank van oordeel is dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten eiser ontslag te verlenen.

21. Nu deze beroepsgrond slaagt behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

22. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

23. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

24. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 992- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 496,- en met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :

- verklaart het beroep gegrond:
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 983,96.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Platenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.