Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15361

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2016
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
SGR 16/46 en 16/3758
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag omdat eiseres ten tijde van de peildata geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 16/46 en 16/3758

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma).

Procesverloop

Zaaknummer SGR 16/46

Bij besluit van 27 maart 2014 (primair besluit I) heeft verweerder geweigerd aan eiseres over het eerste kwartaal van 2014 kinderbijslag krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen.

Bij besluit van 2 november 2015 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Zaaknummer SGR 16/3758

Bij besluit van 2 november 2015 (primair besluit II) heeft verweerder geweigerd aan eiseres over het tweede en derde kwartaal van 2014 kinderbijslag krachtens de AKW toe te kennen.

Bij besluit van 5 april 2016 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit I en II beroep ingesteld.

Bij besluit van 31 augustus 2016 (bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit II ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De beroepen zijn ter zitting gevoegd behandeld. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de beroepen gesplitst.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit II niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen tegen bestreden besluit I en III ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 992,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft het beroepschrift van eiseres tegen bestreden besluit I op 6 januari 2016 ontvangen. Dit is buiten de termijn van zes weken na de verzending van het besluit op 2 november 2015. Verweerder heeft desgevraagd door de rechtbank medegedeeld dat bestreden besluit I ten onrechte aan eiseres en niet aan haar gemachtigde is verzonden. Dat betekent dat het besluit niet deugdelijk is bekendgemaakt. Omdat eiseres onweersproken heeft gesteld dat haar gemachtigde bestreden besluit I pas op 30 december 2015 heeft ontvangen, is het beroep van eiseres tegen bestreden besluit I tijdig ingediend.

2. De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit III een besluit is in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien verweerder met bestreden besluit III niet volledig aan eiseres tegemoet is gekomen, wordt haar beroep met toepassing van het bepaalde in dit artikel mede geacht gericht te zijn tegen bestreden besluit III. Omdat verweerder blijkens zijn brief van 2 september 2016 bestreden besluit II heeft ingetrokken en eiseres niet heeft gesteld schade te hebben geleden als gevolg van bestreden besluit II, is de rechtbank van oordeel dat zij geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen dit besluit. De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit II daarom niet-ontvankelijk.

3. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW bepaalt dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

4. In de arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

5. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres op de peildata van het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. De rechtbank acht in dit verband van belang dat eiseres tot 20 augustus 2014 – en dus ten tijde van de peildata in geding – niet beschikte over een eigen en zelfstandige woonruimte. Zij verbleef namelijk eerst bij familie en vervolgens op basis van een tijdelijke huurovereenkomst in een woonhuis van Stichting [naam stichting] . Eiseres heeft ook op het formulier “Informatie over uw komst naar Nederland” vermeld dat de woning van Stichting [naam stichting] een tijdelijk opvanghuis betreft.

6. De rechtbank overweegt voorts dat eiseres ten tijde van de peildata in geding (zeer) kort – namelijk vanaf 6 december 2013 – in Nederland was. Zij heeft de rest van haar leven op Curaçao gewoond, op een korte periode van drie jaar na. Aan haar eerdere verblijf in Nederland komt naar het oordeel van de rechtbank geen betekenis toe nu dit verblijf ten tijde van de peildatum van het eerste kwartaal van 2014 reeds elf jaar was geëindigd. Dat eiseres de intentie had om permanent in Nederland te blijven, is eveneens onvoldoende om een duurzame band van persoonlijke aard aan te nemen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3916). Dat eiseres vanaf februari 2014 een bijstandsuitkering ontving leidt niet tot een ander oordeel. De criteria voor het recht op een bijstandsuitkering verschillen namelijk van de criteria voor het aannemen van ingezetenschap, zoals bedoeld in de AKW.

7. De beroepen tegen bestreden besluit I en III zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling in de zaak met kenmerk SGR 16/46 bestaat geen aanleiding.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in de zaak met kenmerk SGR 16/3785. Weliswaar is het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit II niet-ontvankelijk, maar gelet op de intrekking van dit besluit, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank ook recht op vergoeding van de kosten van het beroep tegen bestreden besluit II.

9. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier, op 13 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.