Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15324

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
AWB 16/9012
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser voert aan dat verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag. Verweerder heeft niet aan eiser bekend gemaakt dat de beslistermijn op grond van het besluit- en vertrekmoratorium voor Iraakse asielzoekers is verlengd. Daarom moet worden uitgegaan van een beslistermijn van zes maanden. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft verweerder een besluitmoratorium ingesteld en heeft verweerder ingevolge dat besluit de beslistermijn verlengd met maximaal een jaar. Bij besluit van 29 april 2015 heeft verweerder het besluitmoratorium eenmalig verlengd en heeft verweerder ingevolge dat besluit de beslistermijn verlengd met een jaar. Ingevolge artikel 3:40 Awb treedt een besluit pas in werking nadat het is bekendgemaakt. Zoals volgt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het besluit tot het instellen van een besluitmoratorium een besluit van algemene strekking en is met publicatie van dat besluit in de Staatscourant voldaan aan de voor bekendmaking daarvan gestelde eisen, als bedoeld in artikel 3:42, eerste lid, Awb. Een bekendmaking van het besluitmoratorium aan de individuele aanvrager is niet vereist voor de toepasselijkheid van het besluitmoratorium op zijn aanvraag. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog dat met ingang van 20 juli 2015 de beslistermijn op grond van artikel 43, eerste lid, Vw is verlengd tot maximaal 21 maanden. Voor de beoordeling van de vraag of verweerder tijdig heeft beslist op de aanvraag van eiser geldt als uitgangspunt het besluit van 29 april 2015 waarbij de beslistermijn is verlengd met een jaar. De beslistermijn bedraagt daarom 18 maanden. Nu de aanvraag van eiser dateert van 9 oktober 2015 had verweerder uiterlijk op 9 april 2017 moeten beslissen. Nu verweerder op 15 augustus 2016 een besluit heeft genomen op de aanvraag, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder in gebreke was tijdig een besluit te nemen. De ingebrekestelling en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit waren daarom prematuur. Het beroep is niet-ontvankelijk. Omdat verweerder niet heeft voldaan aan het vereiste, neergelegd in artikel 43, tweede lid, aanhef en onder b, Vw, om van de verlenging van de beslistermijn aan eiser mededeling te doen, heeft de rechtbank aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/9012

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. F. Engelbertink, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,
(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 11 april 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag van 9 oktober 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij brief van 28 april 2016 aan eiser heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de beslistermijn nog niet is verstreken.

Op 28 april 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.

Bij uitspraak van 13 juni 2016 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Bij uitspraak van 14 oktober 2016 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het verzet gegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

  1. Vaststaat dat verweerder inmiddels bij besluit van 15 augustus 2016 heeft beslist op de aanvraag van eiser.

  2. Eiser voert aan dat verweerder niet tijdig een besluit heeft genomen op zijn aanvraag en daardoor een dwangsom heeft verbeurd voor elke dag dat verweerder in gebreke is gebleven. Op grond van artikel 42, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is de beslistermijn zes maanden en deze is op 8 april 2016 verstreken. Verweerder heeft niet aan eiser bekend gemaakt dat de beslistermijn op grond van het besluit- en vertrekmoratorium voor Iraakse asielzoekers afkomstig uit de provincies Bagdad, Anbar, Ninewa, Salaheddin, Ta’mim (Kirkuk), Diyala en Babil van 13 oktober 2014 (hierna: het besluitmoratorium) is verlengd. Op grond van artikel 43, tweede lid, aanhef en onder a, Vw, inwerking getreden op 20 juli 2015, was verweerder daartoe wel gehouden, omdat de aanvraag van eiser dateert van na 20 juli 2015. Daarom moet worden uitgegaan van een beslistermijn van zes maanden.
    2.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beslistermijn ten tijde van het besluit op de aanvraag van eiser nog niet was verstreken, omdat tijdens de periode van 16 oktober 2014 tot en met 15 oktober 2015 een besluitmoratorium gold. Voor aanvragen die zijn ingediend in de periode van 20 juli 2015 tot en met 15 oktober 2015 geldt dat de beslistermijn van zes maanden, bedoeld in artikel 42 Vw, op grond van artikel 43, eerste lid, Vw is verlengd met maximaal 21 maanden. Eiser is afkomstig uit Ninewa, een provincie die valt onder de reikwijdte van het besluitmoratorium. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 oktober 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AN8200). Uit deze uitspraak volgt dat de publicatie in de Staatscourant van een besluitmoratorium leidt tot verlenging van de beslistermijn van de asielzaken die daaronder vallen en niet pas door een later aan de individuele asielzoeker toegezonden brief waarin van de verlenging gewag wordt gemaakt. De mededeling die overeenkomstig artikel 43, tweede lid, aanhef en onder b, Vw wordt gedaan is daarmee niet van belang voor de rechtsgeldigheid van de beslistermijn. Dat betekent dat in dit geval de beslistermijn is gestart op 9 oktober 2015 en ingevolge het besluitmoratorium zal eindigen op 9 juli 2017. De in de brief van verweerder van 28 april 2016 vermelde einddatum van de beslistermijn van 6 januari 2017 is niet juist.
    Nu de wettelijke beslistermijn nog niet was verstreken, is de ingebrekestelling van 11 april 2016 prematuur ingediend en is geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser.

2.2

Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit de Iraakse provincie Ninewa. Bij besluit van 13 oktober 2014, nr. 571499, heeft verweerder een besluitmoratorium ingesteld voor Iraakse vreemdelingen afkomstig uit onder meer de provincie Ninewa, voor de duur van zes maanden (Staatscourant 16 oktober 2014, nr. 29561). Ingevolge artikel 1 van dat besluit wordt de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 Vw, op grond van artikel 43, aanhef en onder a, Vw, zoals van toepassing ten tijde van dat besluit, voor Iraakse asielzoekers afkomstig uit onder meer de provincie Ninewa die een aanvraag indienen of hebben ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verlengd met maximaal een jaar.
Bij besluit van 29 april 2015, nr. 639857, heeft verweerder het besluitmoratorium eenmalig verlengd voor de duur van zes maanden tot en met 16 oktober 2015 (Staatscourant 13 mei 2015, nr. 13300). Ingevolge artikel 1 van dat besluit wordt de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 Vw, op grond van artikel 43, aanhef en onder a, Vw, zoals van toepassing ten tijde van dat besluit, voor Iraakse asielzoekers afkomstig uit onder meer de provincie Ninewa die een aanvraag indienen of hebben ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verlengd met een jaar.

2.3

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de beslistermijn pas wordt verlengd door mededeling aan de individuele aanvrager dat het besluitmoratorium op hem van toepassing is. Ingevolge artikel 3:40 Awb treedt een besluit in werking nadat het is bekendgemaakt. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2003, is het besluit tot het instellen van een besluitmoratorium een besluit van algemene strekking en is met publicatie van dat besluit in de Staatscourant voldaan aan de voor bekendmaking daarvan gestelde eisen, zoals neergelegd in artikel 3:42, eerste lid, Awb. Een bekendmaking van het besluitmoratorium aan de individuele aanvrager is daarom niet vereist voor de toepasselijkheid van het besluitmoratorium op zijn aanvraag.
Eiser voert op zichzelf terecht aan dat op grond van het overgangsrecht, zoals neergelegd in artikel 52 van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (de Procedurerichtlijn), artikel 43, tweede lid, aanhef en onder b, Vw, dat in werking is getreden op 20 juli 2015 en de implementatie is van artikel 31, vierde lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, op zijn aanvraag van toepassing is. Hij heeft zijn aanvraag immers ingediend na 20 juli 2015. Verweerder had aldus aan eiser op grond van artikel 43, tweede lid, aanhef en onder b, Vw persoonlijk mededeling moeten doen van het verlengen van de beslistermijn op grond van het besluitmoratorium. Dat verweerder dat heeft nagelaten, betekent echter niet dat het besluitmoratorium niet op de aanvraag van eiser van toepassing is. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is het besluitmoratorium immers op de juiste wijze bekendgemaakt, waardoor het inwerking is getreden voor alle aanvragen die onder het moratorium vallen.

2.4

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog dat met ingang van 20 juli 2015 de beslistermijn op grond van artikel 43, eerste lid, Vw is verlengd tot maximaal 21 maanden. Op de aanvraag van eiser is immers het besluit van verweerder van 29 april 2015 van toepassing, genomen op grond van artikel 43, aanhef en onder a, Vw zoals dat van toepassing was vóór 20 juli 2015, waarbij het besluitmoratorium is verlengd voor de duur van zes maanden, tot en met 16 oktober 2015. Op grond van artikel 1 van dat besluit wordt de beslistermijn verlengd met een jaar. Op grond van artikel 43, eerste lid, Vw, zoals dat geldt vanaf 20 juli 2015, kan verweerder de beslistermijn verlengen tot ten hoogste 21 maanden. Uit die bepaling, noch uit enige bepaling van overgangsrecht, volgt dat de beslistermijn van 21 maanden van rechtswege van toepassing is op aanvragen die vallen onder ten tijde van inwerkingtreding van die bepaling geldende besluitmoratoria. Evenmin heeft verweerder na 20 juli 2015 een nieuw besluit genomen waarbij hij de beslistermijn voor Iraakse vreemdelingen afkomstig uit Ninewa heeft verlengd tot maximaal 21 maanden.

2.5

Uit het voorgaande volgt dat voor de beoordeling van de vraag of verweerder tijdig heeft beslist op de aanvraag van eiser, het uitgangspunt is het besluit van verweerder van 29 april 2015 waarbij op grond van het besluitmoratorium de beslistermijn, bedoeld in artikel 42, eerste lid, Vw is verlengd met een jaar. De beslistermijn bedraagt daarom in totaal 18 maanden.

2.6

Nu de aanvraag van eiser dateert van 9 oktober 2015 had verweerder uiterlijk op 9 april 2017 moeten beslissen. Nu verweerder op 15 augustus 2016 een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder in gebreke was tijdig een besluit te nemen. De ingebrekestelling en het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit waren daarom prematuur. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

3. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen, heeft verweerder niet voldaan aan het vereiste, neergelegd in artikel 43, tweede lid, aanhef en onder b, Vw, om van de verlenging van de beslistermijn aan eiser mededeling te doen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 248,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 0,25). De rechtbank merkt de zaak aan als van zeer gering gewicht, nu het geschil alleen betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 248,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.