Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15315

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2016
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4733
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2649, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/4733

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. D.Y. Li),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

(gemachtigde: mr.drs. J.P. Niestern).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete van € 8.000,- opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Bij besluit van 26 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2016.

Namens eiseres is vennoot [persoon 1] , bijgestaan door de gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Uit het boeterapport van 11 mei 2015 en het aanvullend boeterapport van 24 november 2015 blijkt dat de arbeidsinspecteurs op 4 oktober 2014 hebben geconstateerd dat een persoon arbeid verrichtte in de onderneming van [naam vof] , bestaande uit het afdrogen van glaswerk en het inruimen van de vaatwasser. Het betrof [persoon 2] , met de Marokkaanse nationaliteit (de vreemdeling). De vreemdeling toonde een Spaans verblijfsdocument. In de administratie van [naam vof] bevond zich een kopie van het identiteitsdocument van de vreemdeling. De arbeidsinspecteurs constateerden dat dit een kopie van een valse of vervalste Nederlands identiteitsdocument betrof, omdat op de achterzijde een ander lettertype stond dan het daarvoor standaard gestelde lettertype. De vreemdeling verklaarde dat hij vier jaar geleden € 200,- heeft betaald voor een valse identiteitskaart en dat hij deze aan de eigenaar van de onderneming had getoond. Verder verklaarde de vreemdeling dat hij vanaf 11 augustus 2015 twee weken lang, 1,5 uur per dag, had schoongemaakt in het restaurant van eiseres. Uit navraag bij UWV bleek dat eiseres niet over een tewerkstellingsvergunning beschikte.

2 Verweerder handhaaft in bezwaar het besluit om aan eiseres een boete op te leggen van € 8.000,- vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Volgens verweerder heeft eiseres er niet alles aan gedaan om de overtreding te voorkomen en is de door de vreemdeling verrichte arbeid voor eiseres niet als marginale arbeid te beschouwen.

3 Eiseres stelt dat er geen boete kan worden opgelegd, omdat de overtreding haar niet kan worden verweten. Zij wist niet en kon ook niet weten dat de identiteitskaart vals was. Daarnaast voert eiseres aan dat de vreemdeling slechts enkele uren heeft gewerkt en niet 31,5 uur zoals verweerder stelt. Eiseres stelt subsidiair dat de hoogte van de boete onevenredig is. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld is het boetestelsel van verweerder niet voldoende fijnmazig, zodat een lagere boete op zijn plaats is. Verder stelt eiseres dat de boete niet in verhouding staat, omdat er geen sprake was van uitbuiting of verdringing van het Nederlandse arbeidsaanbod en eiseres twee keer is beboet voor dezelfde vreemdeling.

4.1

Niet in geschil is dat de vreemdeling voor eiseres heeft gewerkt en dat zij geen tewerkstellingsvergunning heeft voor de vreemdeling, zodat sprake is van overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

4.2

Zover eiseres stelt dat zij niet als werkgever kan worden aangemerkt, omdat de vreemdeling slechts enkele uren heeft gewerkt, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1678) wordt het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, ook opgevat als het laten verrichten van arbeid. Voor de kwalificatie van werkgever in de zin van de Wav doen de aard, omvang en duur van de werkzaamheden en of loon is betaald dan wel het enkel hulp betrof, niet ter zake. Om die reden kan eiseres als werkgever worden aangemerkt en heeft de vreemdeling arbeid verricht.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav ook aan eiseres is toe te rekenen. Geenszins is gebleken dat eiseres de identiteit van de vreemdeling heeft gecontroleerd, nu de vreemdeling ook niet in de loonadministratie is opgenomen, zodat verweerder aan eiseres een boete op heeft kunnen leggen.

5.1

Aansluitend is de hoogte van de boete aan de orde. Eiseres heeft aangevoerd dat een matiging van de boete op haar plaats is.

5.2

Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van verweerder.

Op 15 juli 2016 heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3138) nieuwe beleidsregels opgesteld, te weten de beleidsregels boeteoplegging Wav 2016. Omdat de beleidsregels 2016 in het geval van eiseres nadeliger zijn, zijn de beleidsregels van toepassing ten tijde van de overtreding, namelijk de beleidsregels 2015, onverkort van toepassing.

Op grond van artikel 10 van de beleidsregels 2015 kan in alle andere gevallen waar sprake is van een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, de berekende bestuurlijke boete per overtreding met 25%, 50% of 75% worden gematigd afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de evenredigheid.

Dit beleid acht de rechtbank niet onredelijk. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

5.3

Niet in geschil is dat de vreemdeling tegen betaling heeft gewerkt bij eiseres. Uit de toelichting bij artikel 10 van de beleidsregels 2015 blijkt dat slechts tot matiging van 50% wordt overgegaan als de arbeid van geringe omvang en duur en onbetaald was en eenmalig heeft plaatsgevonden. Omdat eiseres in dit geval de vreemdeling heeft betaald, komt eiseres reeds daarom niet voor matiging van de boete in aanmerking. In hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de boete had moeten matigen.

6 Het betoog van eiseres dat sprake is van een dubbele boeteoplegging volgt de rechtbank niet, omdat eiseres en de andere onderneming van vennoot [persoon 1] , [naam vof] , niet zijn beboet voor dezelfde overtreding. De vreemdeling heeft in beide ondernemingen van vennoot [persoon 1] gewerkt, welke ondernemingen zijn gevestigd op verschillende adressen. Daarnaast zijn de twee vennootschappen afzonderlijk ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en hebben de vennootschappen een eigen loonadministratie. De omstandigheid dat beide ondernemingen door dezelfde familie wordt gedreven laat onverlet dat vennoot [persoon 1] zelf ervoor heeft gekozen om twee afzonderlijke vennootschappen op te richten. Verweerder heeft daarom beide ondernemingen mogen beboeten.

7 Het beroep is ongegrond.

8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.