Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15313

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
09/767045-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van invoer partijen cocaine via Antwerpse haven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767045-15

Datum uitspraak: 14 december 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 april 2015, 11 juni 2015, 18 november 2015, 14 april 2016 (steeds pro forma) en 29 en 30 november 2016 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.P.E. van de Riviere en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. I.A. Groenendijk, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 29 en 30 november 2016 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 29 november 2016 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 december 2014, althans in of omstreeks de periode

tussen 8 oktober 2014 en 22 december 2014 te Bleiswijk en/of Den Haag en/of

Berlicum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland

heeft gebracht ongeveer 23,880 kg, in elk geval een aanzienlijk hoeveelheid

van een materiaal bevattende cocaine (verpakt/verborgen in een container met

nummer [containernummer] ) , zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven mededader(s) op 11 december 2014, althans in of omstreeks de periode tussen S oktober 2014 tot en met 22 december 2014 te Bleiswijk en/of Den Haag en/of Berlicum , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen , althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht ongeveer 23,880 kg, in elk geval een aanzienlijk hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (verpakt/verborgen in een container met nummer [containernummer] ) , zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst 1

bij/tot het plegen van welk misdrij(f)(ven) verdachte in of omstreeks de periode van 8 oktober 2014 tot en met 22 december 2014, op voornoemde plaatsen (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door

- Het (laten) bestellen van een of meer containerladingen kokosnoten (die zogenaamde

deklading was/waren op 11 december 2014) en/of

- Het (helpen) regelen van een bedrijfsterrein te Berlicum voor de opslag, aflevering, ontvangst en/of overdracht van die cocaine en/of die container, en/of

- Aanwezig te zijn te Berlicum bij het lossen van die container op 11 december 2014 en/of

- Te helpen bij dat lossen en/of

- Ter plaatse (telefonisch en/of anderszins) overleg te voeren;

2.

hij in of omstreeks de periode tussen 8 oktober 2014 tot en met 01 februari 2015 te Bleiswijk en/of Den Haag en/of Waalwijk en/of Bergen op Zoom en/of

Berlicum, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in

artikel 10 lid 3 en/of 4 en/of 5 van de Opiumwet en/of artikel 10a van de

Opiumwet.

3 Vrijspraak

3.1

Inleiding

In de haven van Antwerpen is op 16 december 2014 een container ( [containernummer] ) met cocaïne onderschept. Hierin bleek ruim 23 kilo cocaïne te zitten. De vraag die moet worden beantwoord is of en zo ja op welke wijze verdachte bij (invoer van) de cocaïne uit deze container betrokken is geweest.

Ook is de vraag aan de orde of verdachte betrokken is geweest bij een criminele organisatie, die de invoer van cocaïne tot doel had.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar het schriftelijk requisitoir, samengevat het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van de 23 kilo in container [containernummer] (feit 1)

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Op 11 december 2014 ’s ochtends is deze container in Antwerpen opgehaald en ’s middags weer teruggebracht. Verdachte heeft de container besteld onder een valse naam, hetgeen een sterke aanwijzing is voor wetenschap dat het om drugs ging. Tussen de genoemde tijdstippen was er een intensieve bemoeienis van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die wijst op wetenschap dat er smokkel in het geding was. Zij waren aanwezig bij het lossen van de container, terwijl hun aanwezigheid daarbij niet zonder meer voor de hand lag. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zorgden voor opzettelijke vertragingsacties bij het lossen, kennelijk met het doel om ook de cocaïne te kunnen lossen, zoals dat wel is gelukt bij een tweede container ( [containernummer] ) die op dezelfde dag en plaats is gelost. Bij de [containernummer] -container is het lossen van de cocaïne aanvankelijk niet gelukt, waarop medeverdachte [medeverdachte 2] , nadat de container weer naar de haven was teruggebracht, heeft geprobeerd de container toch weer in handen te krijgen. Dat handelen is alleen verklaarbaar als men wist dat er cocaïne in de container zat. Uit de diverse gedragingen van verdachte (en zijn medeverdachten) op 11 december 2014 kan worden afgeleid dat zij wetenschap hadden van smokkelwaar in de [containernummer] -container, en dus opzet op de invoer daarvan. De cocaïne is in België door de douane uit de container gehaald, nadat zij (dus) eerst in Nederland (Berlicum) is geweest. Dat betekent dat de cocaïne is ingevoerd in Nederland.

Ten aanzien van de criminele organisatie (feit 2)

De officier van justitie heeft zich ook ten aanzien van dit feit op het standpunt gesteld dat het wettig en overtuigend kan worden bewezen. In dit dossier is sprake van, in totaal, vier containers met verdovende middelen ten aanzien waarvan in ieder geval strafbare voorbereidingshandelingen zijn geconstateerd. Alle drie de verdachten zijn betrokken bij deze containers, er was een organisatie, een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. Het oogmerk volgt uit de in het dossier beschreven delicten: het ging om invoer van grote hoeveelheden cocaïne, tientallen kilo’s per keer.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien beide ten laste gelegde feiten integrale vrijspraak bepleit. Voor zover door de rechtbank met betrekking tot feit 1 wel wetenschap van de cocaïne zou worden aangenomen, is de rol van verdachte zo klein dat niet van medeplegen kan worden gesproken. Dat geldt (subsidiair) ook voor de criminele organisatie: als zo een organisatie al zou worden aangenomen, dan is de rol van verdachte te klein om hem als lid daarvan aan te kunnen merken. Met betrekking tot feit 1 (de invoer van cocaïne) heeft de raadsvrouw ten slotte nog aangevoerd dat de hoeveelheid monster dat is onderzocht en waarvan is vastgesteld dat het cocaïne is, niet representatief is voor de in beslag genomen 23 kilo poeder. Het is onvoldoende om tot vaststelling van 23 kilo cocaïne te komen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

Met betrekking tot de 23 kilo in container [containernummer] (feit 1)

Inleiding

Op 10 oktober 2014 stuurde [betrokkene 1] namens [betrokkene 2] een e-mail naar [betrokkene 3] van [betrokken bedrijf 1] . Hij wilde een jaar lang elke maand twee containers kokosnoten bestellen met afleverhaven Antwerpen. Hij verzocht om de originele ‘bill of lading’ documenten te verzenden naar [betrokken bedrijf 1] , [emailadres] . Op 12 oktober 2014 schreef [betrokkene 3] dat de vracht onderweg is/verstuurd is op 2 november 2014. Op 3 december 2014 arriveerde de container [containernummer] (hierna ook aan te duiden als: [containernummer] -container) met 800 dozen met kokosnoten in de haven van Antwerpen, afkomstig van Approvence uit de Dominicaanse Republiek. De geadresseerde van de container was [betrokkene 2] gevestigd aan de [adres betrokken bedrijf] te Den Haag. Uit de ‘bill of lading’ van de [containernummer] -container volgt dat deze tezamen met container met nummer [containernummer] (hierna ook aan te duiden als de [containernummer] -container) met ook 800 dozen kokosnoten naar [betrokkene 2] is verscheept. [betrokken bedrijf 2] heeft beide containers in opdracht van [betrokken bedrijf 3] vervoerd naar Berlicum.

[containernummer] -container

Chauffeur [betrokkene 4] heeft voor [betrokken bedrijf 2] op 11 december 2014 het transport verzorgd van de [containernummer] -container van Antwerpen naar Berlicum. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben toen de container gelost. Verdachte was wel in Berlicum, maar zat in de kantine koffie te drinken. [betrokkene 4] heeft vervolgens de [containernummer] -container op 11 december 2014 terug vervoerd naar Antwerpen. In de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] is een foto van een concept e-mail aangetroffen. De foto is gemaakt op 16 december 2014 om 19:43 uur. De e-mail is afkomstig van [betrokkene 1] van [betrokkene 2] en gericht aan [betrokkene 5] . Het onderwerp is: ‘RE: [containernummer] en [containernummer] ’. Strekking van de e-mail is dat er schade is ontstaan, dat de verzekeringsagent de container niet op locatie kan inspecteren en de vraag wordt gesteld of de container naar de locatie waar de schade is geleden gestuurd kan worden. Verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] straalden op 16 december 2014 omstreeks 19:43 uur alle drie een zendmast aan bij het Van Zandvlietpad te Rotterdam. Tijdens de huiszoeking in de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] is een afdruk van een e-mail aangetroffen van [betrokkene 5] van [betrokken bedrijf 1] aan [emailadres] van 17 december 2014. Zij meldt dat de [containernummer] mogelijk afgehaald kan worden, zij het eerst na betaling. Gelet op het uitzonderlijke verzoek om nogmaals een lege container te mogen bekijken heeft de douane onderzoek ingesteld naar de [containernummer] -container.

Op 16 december 2014 constateerden douanemedewerkers dat de verfkleur aan de binnenzijde van de deuren van de [containernummer] -container afweek van de kleur aan de buitenzijde van de deur. De bovenzijde van de holle stijlen van de deuren hadden bovenaan een kleurverschil en vertoonden zichtbaar sporen van mastiek die met verf overspoten is. Tevens bleek de rubberen dichting in de hoeken bovenaan recentelijk met verf overspoten. Er werden met een boormachine gaatjes in de stijlen geboord en op de boorkop bleef een wit poeder hangen. Een uitgevoerde SCOTT NARK II 07-test op het witte poeder is positief voor wat betreft cocaïne. In totaal werden in de stijlen 44 getapete pakketten aangetroffen. Het totale gewicht van de partij van 44 getapete pakketten bedroeg 23,88 kilogram. Op 25 januari 2016 zijn vier stalen afkomstig uit [containernummer] -container overgedragen aan de Nederlandse politie. Op 29 januari 2016 zijn deze stalen, voorzien van de SIN-nummers: [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] aan het NFI aangeboden. Het NFI heeft geconcludeerd dat deze stalen alle vier cocaïne bevatten.

[containernummer] -container

De [containernummer] -container is op 11 december 2014 door chauffeur [betrokkene 6] vervoerd naar Nelleveld in Berlicum. Omdat er nog vier pallets in de container stonden, is de container niet teruggebracht naar Antwerpen, maar naar een overslagbedrijf in Rotterdam. Nelleveld zou er zelf zorg voor dragen dat de container terug kwam in Antwerpen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de container vervolgens opgehaald.

Op 18 december 2014 werd de [containernummer] -container teruggebracht naar Antwerpen. De douane heeft deze container onderzocht. De douane constateerde dat de vier bovenhoeken van de binnenzijde van de deuren kleurverschillen vertoonden met de rest van de kleur van de binnendeuren. Tevens waren de zwarte rubberen dichtingen ter hoogte van holle stijlen deels met grijze verf overspoten en in de hoeken doorgesneden. Er zijn geen verdovende middelen aangetroffen.

Wie bestelde de [containernummer] -container?

Verdachte heeft verklaard dat hij in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 2] en met gebruikmaking van de naam [betrokkene 1] namens [betrokkene 2] een container met kokosnoten heeft besteld bij [betrokken bedrijf 4] .

Zat er (ook) cocaïne in de container?

Gelet op de onderzoeksresultaten van het NFI, dat de monsters wit poeder uit de [containernummer] -container onderzocht, kan worden vastgesteld dat het daarbij ging om cocaïne.

Het totale gewicht van de partij van 44 getapete pakketten bedroeg 23,88 kilogram. De door de raadsvrouw opgeworpen vraag of kan worden aangenomen dat sprake was van 23,88 kilo cocaïne kan, gelet op hetgeen hierna nog wordt overwogen, buiten beschouwing blijven.

Had verdachte wetenschap van de cocaïne in de [containernummer] -container?

Met betrekking tot de [containernummer] -container kan worden vastgesteld dat verdachte deze heeft besteld met gebruikmaking van de naam [betrokkene 1] en dat hij op het terrein in Berlicum aanwezig was op het moment dat deze container werd gelost. Verder blijkt uit het dossier dat verdachte in de periode van 11 tot 17 december 2014 veelvuldig telefonisch contact heeft gehad met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De aard en inhoud van deze contacten blijken evenwel niet uit het dossier.

Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank weliswaar verdacht, temeer nu verdachte voor deze omstandigheden nauwelijks een bevredigende verklaring heeft kunnen of willen geven, maar bevatten onvoldoende concrete aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat verdachte wist dat de door hem bestelde container naast kokosnoten ook cocaïne bevatte. Dat betekent dat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

3.4.2

Met betrekking tot de criminele organisatie (feit 2)

De omstandigheid dat bij verdachte geen wetenschap van de aanwezigheid van cocaïne kan worden vastgesteld, brengt mee dat hij ook ter zake van de ten laste gelegde criminele organisatie zal worden vrijgesproken.

4 De inbeslaggenomen goederen

4.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht geen beslissing te nemen op het beslag omdat de beslaglijsten in het dossier ten onrechte daaraan zijn toegevoegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de op het beslag moet worden beslist nu de lijsten in het dossier zitten en dus zijn ingediend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Het bepaalde in artikel 353 lid 1 Sv verplicht de rechter een beslissing te nemen over alle op grond van artikel 94 in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan (nog) geen last tot teruggave is gegeven. De officier van justitie legt (daartoe) een lijst over met alle op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen voorwerpen over. Nu deze lijst lijst (waarop staat vermeld: Zitting: MK 29 november 2016, gedateerd: 28 oktober 2016) zich reeds in het dossier bevond, moet – gelet op voornoemde bepalingen – worden beslist op het beslag.

Op de beslaglijst van verdachte staat een geldbedrag van € 500,-. Nu het strafvorderlijk belang zich niet meer verzet tegen teruggave en verdachte kan worden aangemerkt als rechthebbende op voornoemd bedrag, dient dit aan verdachte te worden geretourneerd. De rechtbank zal daarom bevelen dat dit gebeurt.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

gelast de teruggave aan [betrokkene 7] van het op de beslaglijst vermelde voorwerp, te weten:

1) Geld Nederlands 500,00

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Y.J. Wijnnobel-Van Erp, voorzitter,

mr. D. Biever, rechter,

mr. R.G.C. Veneman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 december 2016.