Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15203

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
16/27585 en 16/27586
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

- Dublin

- fictief akkoord Italië

- partner geengezinslid artikel 2, ahf en onder g

- Dublinverordening

- verslag VWN van 10 oktober 2016

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/27585 (beroep) en AWB 16/27586 (verzoek)

V-nummers: [nummers]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de (voorzieningenrechter van de) enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 december 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,

mede namens haar minderjarige dochter [naam dochter],

gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg.

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft tevens een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming van overdracht hangende het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Weldemariam, tolk Tigrinja en [naam] . Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Eritrese nationaliteit. Mede namens haar dochter (geboren op [geboortedatum] ) heeft eiseres op 20 juli 2016 een asielaanvraag ingediend.

3. Op 11 augustus 2016 heeft verweerder de Italiaanse autoriteiten verzocht behandeling van de aanvraag over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Nu deze daar niet tijdig op hebben gereageerd, staat daarmee de verantwoordelijkheid van Italië sinds 13 oktober 2016 vast. Om die reden heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4. Allereerst is in geschil of tussen eiseres en haar gestelde partner sprake is van een duurzame relatie in de zin van artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening. Nu eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat haar partner een gezinslid is in de zin van de Dublinverordening heeft verweerder hierin terecht geen aanleiding gezien om het asielverzoek van eiseres aan zich te trekken.

5. Niet in geschil is dat eiseres – vanwege de leeftijd van haar dochter (op [geboortedatum] is zij [leeftijd] jaar geworden) – een kwetsbaar persoon is als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Gelet op de beroepsgronden ligt vervolgens ter beantwoording de vraag of ten aanzien van Italië nog uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de kwestie of sprake is van adequate opvang als bedoeld in het Tarakhel-arrest van eiseres en haar dochtertje in Italië.

6. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat er in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen verwezen naar een verslag van het Landelijk Bureau VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 10 oktober 2016 over een zeer te wensen overlatende Dublinoverdracht van een zieke alleenstaande moeder met drie minderjarige kinderen van [leeftijd], [leeftijd] en [leeftijd] jaar oud aan de Italiaanse autoriteiten.

7. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres overgelegde informatie van VWN van 10 oktober 2016 onvoldoende concrete aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat Italië niet aan zijn verdragsverplichtingen voldoet, te meer daar deze informatie een individuele zaak betreft. Met deze informatie heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij in dezelfde situatie terecht zal komen als beschreven in genoemd verslag van VWN. Dit betoog faalt.

8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 16 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2533) geoordeeld dat er vanuit mag worden gegaan dat de Italiaanse autoriteiten de in de brief van 8 juni 2015 gegeven garanties op de opvang van kwetsbare personen in de praktijk gestand zullen doen door deze kwetsbare personen op de aangegeven locaties op te vangen, zodat niet langer risico bestaat dat de vreemdelingen op een ongeschikte locatie terecht zullen komen. Op grond hiervan en gegeven de vaste praktijk van verweerder dat niet wordt overgedragen als de Italiaanse autoriteiten niet vooraf garanties geven voor de opvang van kwetsbare personen, is de rechtbank van oordeel dat hiermee voldaan wordt aan de in het Tarakhel-arrest gestelde eisen.

9. Tot slot is in geschil of verweerder gelet op de medische situatie van eiseres en de aanwezigheid van haar gestelde partner in Nederland de asielaanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden niet zodanig bijzonder hoeven achten dat toepassing van deze bepaling aangewezen was.

10. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding. Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nummer: AWB 16/27585:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer: AWB 16/27586:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, op 8 december 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover betrekking op beroep, binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.