Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1514

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
AWB 15/15231
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2221, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Somalië/ Mogadishu/15c Dri/Al-Shabaab/ terugkeer uit het Westen/ Reer Hamar/ WBV 2015/7.

De uitwerking van WBV 2015/7 heeft als consequentie dat vreemdelingen die tot de Reer Hamar behoren en in het verleden op grond van WBV 2012/24 een verblijfsvergunning asiel ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw is verleend thans nog immer internationale bescherming genieten, terwijl andere vreemdelingen, zoals de vreemdeling in kwestie, die tot dezelfde clan behoren en geloofwaardig geachte problemen in Somalië (Mogadishu) vanwege hun afkomst naar voren hebben gebracht die bescherming wordt onthouden omdat door de gewijzigde situatie in Mogadishu problemen bij terugkeer aldaar vanwege het behoren tot de Reer Hamar niet langer aannemelijk zijn te achten. Daarbij komt dat blijkens de brief van de staatssecretaris van 29 september 2015 de verlenging van het besluit- en vertrekmoratorium alleen geldt voor vreemdelingen afkomstig uit gebieden in Centraal- en Zuid-Somalië die onder controle staan van Al-Shabaab en derhalve niet voor vreemdelingen afkomstig uit Mogadishu. De staatssecretaris is aldus van mening dat Somalische asielzoeker uit Mogadishu en behorend tot de Reer Hamar, wier aanvraag is afgewezen, kunnen terugkeren naar Mogadishu of daarnaar kunnen worden uitgezet, doch maakt daarbij ten aanzien van personen behorend tot die groep aan wie wel internationale bescherming is verleend een pas op de plaats omdat nog niet is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft. Hierdoor hanteert de staatssecretaris in dit geval ten aanzien van asielzoekers die tot dezelfde bevolkingsgroep behoren en uit dezelfde plaats afkomstig zijn verschillende criteria voor wat betreft risico-inschatting bij terugkeer, waarbij nog dient te worden opgemerkt dat hij geen specifieke criteria heeft vastgesteld voor beantwoording van de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden met een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter. Aldus is niet duidelijk op basis van welke overwegingen de staatssecretaris heeft besloten vooralsnog af te zien van intrekking van de op grond van WBV 2012/24 aan leden van de Reer Hamar verleende internationale bescherming.

Voor dit onderscheid in behandeling is geen rechtvaardiging te vinden. De Definitierichtlijn biedt geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat lidstaten ten aanzien van dezelfde categorie asielzoekers verschil kunnen en mogen maken met betrekking tot intrekking of verlening van internationale bescherming. De situatie voor leden van de Reer Hamar in Mogadishu is als zodanig hetzelfde en vraag om een identiek zorgvuldige afweging met betrekking tot de vraag of internationale bescherming dient te worden verleend, dan wel kan worden beëindigd. Beroep gegrond. Vernietiging van het besluit vanwege strijd met het gelijkheids- en motiveringsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/15231

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1983,

Nationaliteit: Somalische, eiser,

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Voorts heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.J.M. Leijtens.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank bij brief van 15 december 2015 het onderzoek met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek is voortgezet ter zitting van 29 januari 2016, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De vorige procedures

2. De rechtbank stelt vast dat eiser eerder, op 18 januari 2012, een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 26 januari 2012 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij uitspraak van 21 februari 2012 (AWB 12/2954) het beroep van eiser gegrond verklaard. Het door verweerder ingestelde hoger beroep bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is op 21 mei 2012 (201202191/2/V4) kennelijk ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van voornoemde uitspraak heeft op 20 augustus 2012 met eiser een aanvullend gehoor plaatsgevonden. Vervolgens is bij besluit van 20 december 2012 de asielaanvraag wederom door verweerder afgewezen, zij het op grond van 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000, omdat gebleken was dat eiser in Malta in het bezit was gesteld van een verblijfsvergunning waarbij hem voor de duur van een jaar subsidiaire bescherming werd verleend. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 4 juli 2013 (AWB 12/38949) het beroep van eiser ongegrond verklaard. Het door eiser ingestelde hoger beroep is door de Afdeling op 12 december 2014 (201307045/1/V3) gegrond verklaard, het beroep alsnog gegrond verklaard en het besluit van 20 december 2012 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb vernietigd.

De huidige procedure

4. Eiser heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Eiser is in 2008 uit Somalië vertrokken. Eiser behoort tot de Reer Hamar (Benadiri) en is afkomstig uit Mogadishu. Hij woonde daar in de wijk [wijk] met zijn vader, moeder en twee zussen. In 2005 is een auto, waarin zijn moeder zat, beschoten, waarbij zijn moeder is geraakt als gevolg waarvan zij is overleden. In 2007 is eiser na een bioscoopbezoek zwaar mishandeld door mannen. In datzelfde jaar is eiser onderweg naar zijn werk door gewapende mannen de weg versperd waarbij zijn geld is afgenomen. In de wijk van eiser liepen gewapende mannen van de Abgal clan. In 2008 gingen deze mannen huizen af om mensen geld af te persen. De vader van eiser had geen geld waardoor eiser en zijn vader door deze mannen werden beschoten. Niemand werd geraakt. Buurtgenoten hebben vervolgens geld voor eiser en zijn familie betaald. Dit laatste voorval is voor eiser de aanleiding geweest om uit Somalië te vertrekken. Eiser vond het te gevaarlijk om in Mogadishu te blijven. In juli 2008 is eiser via Ethiopië, Soedan en Libië naar Europa (Malta) gereisd. Eiser heeft in augustus 2009 in Malta verzocht om internationale bescherming. Hij heeft toen een verblijfsvergunning voor de duur van een jaar gekregen. Op 4 juni 2010 heeft eiser Malta verlaten en is hij naar Zweden gereisd alwaar hij tweemaal asiel heeft aangevraagd. In juni 2011 is eiser door de Zweedse autoriteiten uitgezet naar Malta. Op 4 december 2011 heeft eiser Malta wederom verlaten. Hij is op 14 december 2011 Nederland ingereisd. Eiser heeft in Nederland vernomen dat zijn vader in 2012 in een ziekenhuis te Mogadishu aan een ziekte is overleden. Eiser is bij terugkeer naar Somalië (Mogadishu) bang voor de Al-Shabaab, zeker nu hij tot de zwakkere Reer Hamar clan behoort en de Al-Shabaab spionnen heeft die weten wie er net zijn teruggekeerd uit het buitenland. Eiser heeft van zijn echtgenote vernomen dat veel mannen uit de buurt haar hebben gevraagd waar hij is. Zijn vrouw vermoedt dat het spionnen van Al-Shabaab zijn.

5. Verweerder onderscheidt in het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen:

  • -

    Eiser heeft de Somalische nationaliteit;

  • -

    Eiser behoort tot de Reer Hamar;

  • -

    Eiser is afkomstig uit Mogadishu;

  • -

    Zijn moeder is overleden in 2005 (niet specifiek op haar gericht);

  • -

    Eiser is na de bioscoop mishandeld in 2007;

  • -

    Eiser is onderweg naar zijn werk beroofd in 2007;

  • -

    Eiser werd de weg versperd en mocht daar niet meer langslopen in 2007;

  • -

    Mannen hebben op eiser en diens vader geschoten omdat ze geen beschermingsgeld konden betalen en de buren hebben het geld betaald;

  • -

    De situatie in Mogadishu in 2008 en die voor mensen van Reer Hamar;

  • -

    De vader is overleden in 2012.

6. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 17 juli 2015 afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser de Somalische nationaliteit heeft, tot de Reer Hamar behoort en afkomstig is uit Mogadishu. Tevens wordt geloofwaardig geacht dat de moeder van eiser is overleden tijdens een aanval. Eveneens wordt geloofwaardig bevonden dat eiser in 2007 is mishandeld nadat hij uit de bioscoop kwam, dat hij onderweg naar zijn werk is beroofd en dat hij niet meer langs een wegversperring mocht lopen. Ook zowel de onveilige situatie in Mogadishu als het overlijden van de vader van eiser in 2012 wordt geloofwaardig geacht. Verweerder volgt eiser eveneens in diens verklaring dat de mishandeling, de beroving en de wegversperring hebben plaatsgevonden omdat hij tot de Reer Hamar behoort.

7. Met betrekking tot het schietincident geeft verweerder aan dat het gestelde incident plaatsgevonden zou kunnen hebben, in die zin dat aan eiser en zijn vader geld is gevraagd. Nadat de schutters uiteindelijk het geld dat zij van eiser wilden hebben, hebben gekregen, zijn zij vertrokken. Hierdoor wordt niet aannemelijk geacht dat deze personen op zoek zouden zijn naar eiser. Verder wordt overwogen dat het een veronderstelling blijft van eiser dat de schutter hem zou willen doden dan wel had kunnen doden. Immers, indien de schutter(s) eiser en of zijn vader daadwerkelijk hadden willen doden hadden zij zich niet laten stoppen door een gemist schot. Dat zij zich wel zouden laten stoppen door omstanders wordt door verweerder niet aannemelijk geacht.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de geloofwaardig geachte elementen van het asielrelaas onvoldoende zwaarwegend zijn voor een vluchtelingschap of een reëel risico op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). In de eerste plaats is verweerder van mening dat in Somalië geen sprake van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Somalië, dan wel Mogadishu, aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld. Hierbij is verwezen naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Somalië van december 2014. Volgens verweerder heeft de inhoud van het ambtsbericht geen aanleiding om aan te nemen dat in Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie. Hoewel de veiligheidssituatie in Mogadishu nog steeds zorgwekkend is, zijn er de afgelopen periode (sterke) verbeteringen opgetreden. Zo heeft Al-Shabaab zich al begin 2011 onder druk van de African Union Mission in Somalia (AMISOM) en de Transitional Federal Government (TFG) uit de meeste districten van Mogadishu teruggetrokken en is zij in februari 2012 niet langer aanwezig in 14 van de 16 districten van Mogadishu. Hierdoor lopen burgers niet meer op vergelijkbare wijze als voorheen het risico te worden getroffen door oorlogsgeweld. De markten in de stad zijn weer vrij toegankelijk, het (zaken)leven bloeit in delen weer op en er wordt gebouwd. Voorts zijn in de verslagperiode van het ambtsbericht geen ontheemden geregistreerd die de stad zijn ontvlucht en nam het aantal ontheemden dat zich vestigt in Mogadishu juist substantieel toe. In aanvulling hierop heeft verweerder verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 10 september 2015, nr. 4601/14 in de zaak R.H. tegen Zweden (www.echr.coe.int,). Het EHRM heeft hierin overwogen dat er geen sprake is van een verslechtering in Mogadishu sinds het arrest K.A.B. tegen Zweden van 5 september 2013, nr. 886/11 (www.echr.coe.int.). Verweerder leidt uit het arrest van 10 september 2015 af dat het EHRM concludeert dat willekeurige bombardementen afnemen en plaatsmaken voor zorgvuldig gekozen doelen. De door Al-Shabaab gekozen doelen zijn grotendeels voorspelbaar en kunnen door burgers redelijk worden vermeden.

9. Daarnaast is verweerder van mening dat het enkel behoren tot de Reer Hamar onvoldoende is om in aanmerking te komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Uit het Besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 mei 2015, nummer WBV 2015/7, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: WBV 2015/7), blijkt niet dat eiser tot een door verweerder aangewezen kwetsbare minderheidsgroep behoort. Uit het ambtsbericht van december 2014 blijkt weliswaar dat minderheidsgroeperingen zich niet altijd kunnen verzekeren van clanbescherming, maar de Reer Hamar zijn niet aangemerkt als risicogroep en evenmin als een groep die systematisch bloot wordt gesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit het ambtsbericht van november 2012 blijkt ook dat ontheemd geraakte Benadiri (synoniem voor Reer Hamar) zijn teruggekeerd naar Mogadishu en veel van hun voormalige bezittingen hebben teruggekregen en geen risico lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Gelet hierop is bij WBV 2013/3 het beleid ten aanzien van personen die behoren tot de Benadiri/Reer Hamar afgeschaft. Uit het ambtsbericht van december 2014 blijkt dat er geen noemenswaardige veranderingen in de situatie van de Benadiri zijn, zoals besproken in het algemeen ambtsbericht uit december 2014. Het algemeen ambtsbericht van december 2013 geeft aan dat de positie van Benadiri is verbeterd. Hieruit leidt verweerder af dat sinds het ambtsbericht van november 2012 de situatie van personen behorende tot de Reer Hamar aan het verbeteren is.

10. Verweerder acht de problemen die eiser heeft ondervonden vanwege het behoren tot de Reer Hamar niet voldoende zwaarwegend. Los daarvan valt volgens verweerder uit de verklaringen van eiser op te maken dat hij niet vreest dergelijke problemen – zoals hij reeds eerder heeft meegemaakt – bij terugkeer te verwachten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, ondanks de verbeterde situatie, bij terugkeer nog steeds te vrezen heeft voor problemen die gerelateerd zijn aan zijn afkomst.

11. Verweerder acht verder niet aannemelijk dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor Al-Shabaab. De enkele terugkeer uit het Westen is onvoldoende om aan te nemen dat eiser zal worden benaderd door Al-Shabaab. Dat eiser vreest dat hij zal worden gedwongen om zichzelf op te blazen, is enkel een niet nader onderbouwd vermoeden. Evenmin aannemelijk wordt geacht dat spionnen eiser in de gaten houden na zijn terugkeer. In de visie van verweerder heeft eiser nimmer concrete aanwijzingen gekregen dat hij specifiek in de gaten zal worden gehouden door wie dan ook. Eiser stelt weliswaar dat spionnen bij zijn echtgenote zijn geweest, maar ook dit is niet geconcretiseerd. De echtgenote van eiser gaat ervan uit dat het spionnen zijn, maar niet is gebleken dat het ook daadwerkelijk spionnen waren die naar hem gevraagd zouden hebben en wat de reden daarvan was. Dat er naar eiser geïnformeerd zou zijn door strijders van de Islamitische Rechtbanken is enkel een niet nader onderbouwde veronderstelling. Dat eiser verwesterd stelt te zijn, leidt niet tot een andere conclusie nu dit, zoals uit WBV 2015/7 blijkt, alleen van belang kan zijn bij vreemdelingen die terugkeren naar een gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab of dit gebied uitsluitend kunnen bereiken via een gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab. Aangezien Mogadishu niet onder controle staat van Al-Shabaab, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer persoonlijk voor Al-Shabaab heeft te vrezen. Dat Mogadishu niet onder controle staat van Al-Shabaab betekent bovendien dat niet noodzakelijk is dat eiser ervaring heeft met het leven onder de regels van Al-Shabaab. Verweerder heeft voorts gewezen op eerdergenoemd arrest van het EHRM van 10 september 2015, waaruit volgt dat niet iedere terugkerende Somalië te vrezen heeft voor Al-Shabaab.

De beroepsgronden en de beoordeling

12. Eiser stelt dat in Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU (hierna: Definitierichtlijn). Volgens eiser blijkt uit de pagina 22 en 24 van het ambtsbericht van december 2014 dat het geweld toeneemt en dat de Al-Shabaab zich in panden in Mogadishu bevindt.

13. Deze beroepsgrond faalt. Zoals ook de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0887), heeft verweerder zich op basis van het ambtsbericht inzake Somalië van 30 november 2012 terecht op het standpunt gesteld dat niet langer zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Mogadishu, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bedoelde bedreiging. Ook het EHRM heeft in het arrest van 5 september 2013 in de zaak K.A.B. tegen Zweden geoordeeld dat de veiligheidssituatie in Mogadishu is verbeterd sinds 2011, dan wel het begin van 2012. In paragraaf 91 van dit arrest concludeert het Hof op basis van de beschikbare landeninformatie dat de situatie op dat moment in Mogadishu niet van dien aard is dat eenieder die aanwezig is in de stad een reëel risico loopt een behandeling te ondergaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2014 blijkt niet dat de situatie in Mogadishu sedertdien zodanig is verslechterd dat thans dient aangenomen te worden dat aldaar sprake is van ‘the most extreme cases of general violence’. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder bovendien kunnen wijzen op het arrest van het EHRM van 10 september 2015 in de zaak R.H. tegen Zweden, waarin in paragraaf 67 wordt overwogen dat de beschikbare bronnen niet laten zien dat de situatie in Mogadishu is verslechterd sinds september 2013 (lees: sinds het arrest K.A.B. tegen Zweden). Het EHRM verwijst daarbij in belangrijke mate naar het onderzoek dat is verricht door het United Kingdom Upper Tribunal in MOJ & Ors (Return to Mogadishu) Somalia, van 20 oktober 2014. Dat uit een door eiser overgelegd bericht van Al Jazeera blijkt dat op door Al-Shabaab op 22 januari 2016 nog een bomaanslag is gepleegd op een restaurant in Mogadishu, doet aan het vorenstaande niet af, nu het een enkel incident betreft en uit de berichtgeving eerder blijkt dat sprake was van een doelgerichte actie dan van willekeurig geweld.

14. Eiser stelt verder dat hij bij terugkeer slachtoffer zal worden van geweld van de zijde van Al-Shabaab. Volgens eiser blijkt uit een tweetal uitspraken van de Afdeling van 27 juli 2015 (ECLI:NL:RVS: 2015:2532 en ECLI:NL:RVS:2015: 2533) dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat terugkeerders naar Mogadishu niet bevreesd hoeven zijn voor Al-Shabaab.

15. Deze beroepsgrond slaagt. In het ambtsbericht van 2014 wordt vermeld dat terugkeerders volgens meerdere bronnen in de regel als zodanig worden herkend door hun westers gedrag, kleding, bezittingen, hun oogopslag of accent, ook als ze bijvoorbeeld maar een half jaar weg zijn geweest. Gelet hierop heeft verweerder blijkens voornoemde uitspraken van de Afdeling de minister van Buitenlandse Zaken gevraagd een nieuw ambtsbericht uit te brengen waarbij hij specifiek aandacht heeft voor de passages over de terugkeer naar gebieden die onder controle staan van Al-Shabaab en de risico’s die daarmee verbonden zijn. Dit ambtsbericht is nog immer niet verschenen, terwijl het naar verwachting aan het einde van de zomer van 2015 zou verschijnen. Hoe dan ook heeft verweerder, gelet op de passages in het ambtsbericht van 2014 dat Al-Shabaab in sommige buitenwijken van Mogadishu in alle openheid kan opereren, in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet reeds vanwege de enkele terugkeer uit het Westen van de zijde van Al-Shabaab heeft te vrezen. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb, dat vereist dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

16. De rechtbank onderzoekt vervolgens of aanleiding bestaat om ingevolge artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Verweerder heeft desgevraagd bij brief van 14 januari 2016 gewezen op het arrest van het EHRM van 10 september 2015 in de zaak R.H. tegen Zweden. Hierin oordeelt het Hof – kort samengevat – dat er geen aanwijzingen zijn dat de situatie in Mogadishu zodanig is dat iedere burger in die stad een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hierbij kent het Hof – blijkens paragraaf 67 van het arrest - zwaar gewicht toe aan het onderzoek en de conclusies van het United Kingdom Upper Tribunal. Het Hof overweegt:

“(…) Also the conclusions drawn by the United Kingdom Upper Tribunal in MOJ & Ors (paragraphs 31-32) suggest that there has been improvement. Given the high volume of oral and written evidence examined by the Tribunal, the Court considers that its assessment must be accorded great weight. Among other things, the Tribunal concluded that there had been durable change in the sense that the al-Shabaab withdrawal from Mogadishu was complete and there was no real prospect of a re-established presence within the city. The indiscriminate bombardments and military offensives mentioned by the Court in its 2011 judgment in Sufi and Elmi v. the United Kingdom had been replaced by al-Shabaab attacks against carefully selected targets – politicians, police officers, government officials and those associated with non-governmental and international organisations – that did not include ‘ordinary civilians’ or diaspora returnees.”

Voorts luidt één van de conclusies van het Upper Tribunal als volgt:

“(II) Generally, a person who is ‘an ordinary civillian’ (i.e. not associated with the security forces; any aspects of government or official administration or any NGO or international organisation) on returning to Mogadishu after a period of absence will face no real risk of presecution or risk of harm such as to require protection under Article 3 of the [ Convention] or Article 15(c) of the [European Union] Qualification Directive. In particular, he will not be at real risk simply on account of having lived in a European location for a period of time [or] being viewed with suspicion either by the authorities as a possible supporter of Al Shabaab or by Al Shabaab as an apostate or someone whose Islamitic Integrity has been compromised by living in a Western country.”

17. Gelet op dit arrest heeft verweerder zich in beroep terecht op het standpunt gesteld dat het enkele verblijf in het westen niet al aanleiding vormt om bij terugkeer naar Somalië een artikel 3 EVRM risico aan te nemen. Immers, uit de openbare informatie die door het EHRM bij de beoordeling is betrokken blijkt niet dat gewone burgers of terugkeerders uit de diaspora behoren tot de zorgvuldig door Al-Shabaab geselecteerde doelwitten. Derhalve heeft verweerder terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Mogadishu alleen al vanwege zijn komst uit het Westen gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat Mogadishu niet onder controle staat van Al-Shabaab, dat Mogadishu een groot aantal inwoners telt, dat er veel in- en uitgereisd wordt in Mogadishu en dat er een groot aantal terugkeerders naar Mogadishu is. Dat Al-Shabaab op 22 januari 2016 nog een aanslag heeft gepleegd op een restaurant in Mogadishu, maakt dit niet anders. Uit het bericht blijkt geenszins dat de aanslag was gericht op teruggekeerde voormalig asielzoekers uit het Westen. Bovendien betreft het een enkele aanslag waarvan de betekenis moet worden bezien in de context van de veiligheidssituatie over een langere periode, zodat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat Al-Shabaab Mogadishu weer in handen heeft, dan wel aldaar het vermogen en het voornaamste oogmerk heeft om alle uit het Westen teruggekeerde asielzoekers te doden. Daarbij is tevens van belang dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het vermoeden van eiser dat spionnen van Al-Shabaab hem in de gaten houden na zijn terugkeer, omdat zijn echtgenote heeft verteld dat er na zijn vertrek uit Somalië mannen zijn langs geweest die naar hem hebben gevraagd, onvoldoende aannemelijk is. De echtgenote van eiser gaat ervan uit dat het spionnen zijn, maar niet is gebleken dat het ook daadwerkelijk spionnen waren en wat de reden was van hun navraag naar eiser.

18. Eiser heeft voorts in beroep naar voren gebracht dat hij enkel al vanwege het behoren tot de Reer Hamar in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Volgens eiser zou hij ten tijde van zijn asielaanvraag van 18 januari 2012 conform WBV 2012/24 in aanmerking komen voor een vergunning, hetzij op basis van vluchtelingschap omdat hij tot een risicogroep behoort en hij met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat de problemen die hij heeft ondervonden leiden tot gegronde vrees voor vervolging, hetzij op basis van subsidiaire bescherming omdat hij behoort tot een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Eiser wijst ook op de omstandigheid dat verweerder (kennelijk) nog steeds aanneemt dat de situatie van minderheden, zoals de Reer Hamar, slecht is, omdat ook in WBV 2015/7 is opgenomen dat niet sprake is van een dusdanige wijziging (verbetering) van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft. Hierbij is door verweerder verwezen naar artikel 3.37e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000; thans: artikel 3.37g VV 2000). Hier is – voor zover van belang – bepaald dat bij de intrekking van de verleende vergunning omdat de omstandigheden die rechtsgrond voor verlening vormden hebben opgehouden te bestaan, dient te gelden dat de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of het reële risico op foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing weg te nemen. Eiser meent dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat vanwege de ex nunc toetsing dit beroep faalt. Eiser stelt dat de ex nunc toetsing in zijn geval niet van toepassing is.

19. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat sprake is van een ex nunc toetsing tijdens de beoordeling van de aanvraag van eiser. Derhalve wordt voor de beoordeling van diens aanvraag getoetst aan (onder meer) de huidig geldende WBV, zijnde WBV 2015/7. Uit deze WBV blijkt niet dat eiser behoort tot een door verweerder aangewezen kwetsbare minderheidsgroep in zijn land van herkomst. Desgevraagd heeft verweerder bij brief van 14 januari 2016 aangegeven dat er geen specifieke criteria zijn op basis waarvan wordt vastgesteld of sprake is van een wijziging van omstandigheden met een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter als bedoeld in artikel 3.37g VV 2000. Verweerder wenst er in dit kader nog op te wijzen dat artikel 3.37 VV 2000 is gebaseerd op het bepaalde in de artikelen 11 en 16 van de Definitierichtlijn. Het toetsingskader vloeit derhalve voort uit genoemde richtlijn en wordt zonder onderscheid des persoons toegepast. Na uitkomst van een ambtsbericht inzake het betreffende land beraadt verweerder zich – indien aan de orde – over de vraag of voldaan is aan het bepaalde in artikel 3.37g VV 2000.

20. De rechtbank volgt eiser niet in diens betoog dat verweerder zijn asielaanvraag had dienen te beoordelen aan de hand van de situatie in Somalië zoals die op het moment van de aanvraag gold. In het bestuursrecht is in beginsel het moment waarop het besluit op de aanvraag wordt genomen bepalend zodat rekening kan worden gehouden met alle relevante gewijzigde omstandigheden van het geval sinds de datum van de aanvraag en het dan van toepassing zijnde recht en beleid. In het asielrecht komt daar bovendien nog bij dat ingevolge artikel 83 van de Vw 2000 rekening wordt gehouden met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd en met wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt. Bovendien kent zowel het Vluchtelingenverdrag als het EVRM het verbod van refoulement. Op grond daarvan is steeds het moment van de beoordeling van de vraag of een vreemdeling al dan niet terug kan keren naar het land van herkomst of een land van eerder verblijf, bepalend. Deze verdragen schrijven dus ook een ex nunc toetsing voor, zoals blijkt uit onder meer de jurisprudentie van het EHRM. Verweerder heeft dan ook terecht de aanvraag van eiser beoordeeld aan de hand van de situatie in Somalië ten tijde van het bestreden besluit en in de beroepsfase en aldus op het op basis van die situatie gebaseerde – en thans nog steeds –geldende beleid, neergelegd in WBV 2015/7. De uitspraken van deze rechtbank van 16 april 2002 (ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5230) en 12 mei 2003 (ECLI:NL:RBSGR:2003: AF9651), leiden niet tot een ander oordeel. Daar komt bij dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een heroverweging van een primair besluit in de bezwaarfase. Evenmin gaat het in deze zaak om vragen van overgangsrecht.

21. In WBV 2015/7 is de Reer Hamar niet langer aangewezen als risicogroep of groep die systematisch wordt blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van Het EVRM. Daarnaast moet worden vastgesteld dat verweerder in deze WBV geen kwetsbare minderheidsgroepen in Somalië heeft aangewezen. Verder is aangegeven dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vooralsnog niet de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd herbeoordeelt die aan Somaliërs verleend zijn op grond van het behoren tot de Benadiri/Reer Hamar. De IND zal niet eerder overgaan tot intrekking, dan wanneer is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (zie artikel 3.37e VV).

22. De uitwerking van voornoemd beleid heeft als consequentie dat vreemdelingen die tot de Reer Hamar behoren en in het verleden op grond van WBV 2012/24 een verblijfsvergunning asiel ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 is verleend thans nog immer internationale bescherming genieten, terwijl andere vreemdelingen, zoals eiser, die tot dezelfde clan behoren en geloofwaardig geachte problemen in Somalië (Mogadishu) vanwege hun afkomst naar voren hebben gebracht, die bescherming wordt onthouden omdat door de gewijzigde situatie in Mogadishu problemen bij terugkeer aldaar vanwege het behoren tot de Reer Hamar niet langer aannemelijk zijn te achten. Daarbij komt dat blijkens de brief van verweerder van 29 september 2015 de verlenging van het besluit- en vertrekmoratorium alleen geldt voor vreemdelingen afkomstig uit gebieden in Centraal- en Zuid-Somalië die onder controle staan van Al-Shabaab en derhalve niet voor vreemdelingen afkomstig uit Mogadishu. Verweerder is aldus van mening dat Somalische asielzoekers uit Mogadishu en behorend tot de Reer Hamar, wier aanvraag is afgewezen, kunnen terugkeren naar Mogadishu of daarnaar kunnen worden uitgezet, doch maakt daarbij ten aanzien van personen behorend tot die groep aan wie wel internationale bescherming is verleend een pas op de plaats omdat nog niet is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft. Hierdoor hanteert verweerder in dit geval ten aanzien van asielzoekers die tot dezelfde bevolkingsgroep behoren en uit dezelfde plaats afkomstig zijn verschillende criteria voor wat betreft de risico-inschatting bij terugkeer, waarbij nog dient te worden opgemerkt dat verweerder blijkens de brief van 14 januari 2016 geen specifieke criteria heeft vastgesteld voor beantwoording van de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden met een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter. Aldus is niet duidelijk op basis van welke overwegingen verweerder heeft besloten vooralsnog af te zien van intrekking van de op grond van WBV 2012/24 aan leden van de Reer Hamar verleende internationale bescherming.

23. Naar het oordeel van de rechtbank is er voor dit onderscheid in behandeling geen rechtvaardiging te vinden. Dat artikel 3.37 VV 2000 is gebaseerd op het bepaalde in artikel 11 en artikel 16 van de Definitierichtlijn kan niet dienen als legitimatie hiervoor. De Definitierichtlijn schrijft gemeenschappelijke normen voor op grond waarvan lidstaten internationale bescherming dienen te verlenen en op grond waarvan zij tot intrekking, beëindiging of weigering van verlening van de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus kunnen overgaan. De Definitierichtlijn biedt geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat lidstaten ten aanzien van dezelfde categorie asielzoekers verschil kunnen en mogen maken met betrekking tot intrekking of verlening van internationale bescherming. De situatie voor leden van de Reer Hamar in Mogadishu is als zodanig hetzelfde en vraagt om een identiek zorgvuldige afweging met betrekking tot de vraag of internationale bescherming dient te worden verleend, dan wel kan worden beëindigd.

24. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het besluit op dit onderdeel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en de normen die besloten liggen in de Definitierichtlijn voor de erkenning van onderdanen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming. Doordat blijkens WBV 2015/7 nog steeds geen sprake is van een wijziging van omstandigheden met een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter, heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom niet aannemelijk is te achten dat eiser vanwege zijn afkomst en de reeds door hem vanwege die afkomst ondervonden problemen in Mogadishu bij terugkeer niet voor vluchtelingrechtelijke vervolging, dan wel onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM heeft te vrezen. Het besluit is daarom ook genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb. Om die reden ziet de rechtbank, ondanks dat verweerder alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Mogadishu niet voor Al-Shabaab heeft te vrezen, geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.

25. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

26. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1240,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 voor de nadere zitting, waarde per punt € 496,-, wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 17 juli 2015;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, begroot op € 1240,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, mr. S.J.W. Hermans en mr. J.L.M. Dohmen, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.