Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15133

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
27-12-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3118
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Directeur schiet tekort in opdrachtgeverschap en budgetbeheer. Ernstig plichtsverzuim. Plaatsing in een lagere functie met aangepaste bezoldiging niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/3118

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.H.A. Wessel),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: mr. M.B. de Witte-van den Haak, J.C.N. Arents en drs. A. Floor).

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser per 1 oktober 2014 voorwaardelijk disciplinair ontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar en overplaatsing in een lager gewaardeerde functie bij een ander onderdeel van de dienst, voor onbepaalde tijd en met aanpassing van de bezoldiging.

Bij besluit van 19 maart 2015, vervangen door het besluit van 16 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen in die zin dat alleen de opgelegde straf van overplaatsing in een lager gewaardeerde functie bij een ander onderdeel van de dienst, voor onbepaalde tijd en met aanpassing van de bezoldiging in stand blijft.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser werkte in de periode van 1 november 2007 tot 1 oktober 2012 bij de gemeente Den Haag als [functie ] van het stadsdeel [locatie] . In die functie was eiser verantwoordelijk voor het opdrachtgeverschap en het budgetbeheer van het stadsdeelkantoor en gaf hij leiding aan de medewerkers op het stadsdeelkantoor. Verweerder heeft een extern onderzoek laten doen door Hoffmann Bedrijfsrecherche (Hoffmann) naar aanleiding van een melding dat er een strafrechtelijk onderzoek was gestart naar een medewerker groenbeheer bij het stadsdeel [locatie] wegens verdenking van ambtelijke corruptie, hetgeen heeft geresulteerd in een onderzoeksrapport van 6 augustus 2013. Gebleken is dat aan drie ondernemingen (aannemers), te weten [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , een groot aantal opdrachten is verstrekt. Naar aanleiding van dat rapport heeft verweerder een nader onderzoek laten verrichten naar de wijze waarop – onder meer – eiser zijn werkzaamheden verrichtte, hetgeen heeft geleid tot het onderzoeksrapport van 16 januari 2014.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals bedoeld in artikel 16:1:1 van de Arbeidsvoorwaarden Regeling Gemeente Den Haag (ARG). Daaraan heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft in de periode 2009-2012 op grote schaal opdrachten aan en facturen van de onder 1 genoemde aannemers geautoriseerd zonder dat daar de geldende aanbestedingsprocedures voor zijn gevolgd. Door het opknippen van facturen is bewerkstelligd dat het in de gemeentelijke, landelijke en Europese aanbestedingsregels genoemde drempelbedrag per factuur niet werd gehaald. Verweerder heeft er in dat verband op gewezen dat bij eiser nadrukkelijk aandacht is gevraagd voor het opknippen van facturen door verschillende aannemers. Niet valt in te zien dat eiser – gelet op de grote hoeveelheid opdrachten, de aard daarvan en het feit dat deze keer op keer aan dezelfde aannemers werden vergund – niet doorhad dat geen sprake was van op zichzelf staande opdrachten, aldus verweerder. Daarnaast heeft eiser in strijd met de inkoopregels van de gemeente Den Haag op structurele basis vooraf mondelinge opdrachten verstrekt aan aannemers waarvan pas achteraf, wanneer de werkzaamheden al waren afgerond, inkooporders zijn opgemaakt. Tevens heeft eiser zonder uitdrukkelijke toestemming gebruik gemaakt van een gemeentelijke scooter voor nevenactiviteiten. Ook heeft eiser volgens verweerder nagelaten zijn leidinggevende te informeren over de mogelijke raadsvragen van politiek gevoelige aard over de samenvoeging van stadsdelen en heeft hij getracht het raadslid te sturen aangaande het tijdstip dat hij die vragen zou stellen. Ook heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser pas zeer laat melding heeft gemaakt van het feit dat hij zich heeft laten plaatsen op een lijst van de raadsverkiezingen van de gemeente Den Haag. Tenslotte heeft eiser zijn medewerkers van hun werk gehouden door hen te laten helpen met de verhuizing van zijn tuinbank.

3. Volgens artikel 16:1:1 van het ARG kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich aan plichtsverzuim schuldig maakt disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

4. Eiser voert in beroep het volgende aan. In het bestreden besluit heeft verweerder elf verwijten die hem in het primaire besluit zijn gemaakt niet gehandhaafd. Eiser ziet niet in waarom dat geen grotere invloed heeft gehad op de strafmaat. Het intrekken van het voorwaardelijk strafontslag heeft geen feitelijke betekenis, nu de kans dat de voorwaarde zou worden vervuld uitermate klein was. Voorts stelt eiser dat als er in beroep één tegenwerping sneuvelt, de strafmaat verder moet worden aangepast. Daarnaast wijst eiser er op dat er al een lange tijd wordt gediscussieerd over zijn plaatsing binnen de gemeente, na afloop van zijn periode als [functie ] . De aan eiser opgelegde disciplinaire maatregel komt verweerder daarom goed uit. In aanvulling daarop wijst eiser er op dat hij de leiding van het onderzoek door de algemeen directeur als bevooroordeeld heeft ervaren. Voorts is de strafmaat buitenproportioneel. De financiële schade voor eiser bedraagt € 604,- bruto per maand, hetgeen doorwerkt in zijn pensioen. Voorts heeft eiser niet onaanzienlijke juridische kosten moeten maken, die hij vergoed wil zien.

Eiser betwist dat hem kan worden verweten dat hij zich niet aan de aanbestedings- en inkoopregels heeft gehouden. Hij is als [functie ] voor inkoop en aanbesteding afgaan op het deskundig oordeel van zijn medewerkers. Eiser kan niet worden gestraft voor het feit dat zijn medewerkers hem onvoldoende hebben geïnformeerd. Het is eiser niet opgevallen dat er steeds nota’s van dezelfde aannemers aan hem werden voorgelegd, nu het steeds om andere werkzaamheden ging. Nu de andere medewerkers niet disciplinair zijn gestraft is bovendien sprake van willekeur.

Hoewel eiser zonder uitdrukkelijke toestemming gebruik heeft gemaakt van de scooter betrof die dit een zeer beperkt gebruik. Eiser heeft de scooter gebruikt voor het uitoefenen van zijn vrijwilligersfunctie van schouwmeester bij het [waterschap] , waarvoor hij twee keer per jaar polders moet schouwen. De polders zijn uitsluitend per fiets of brommer bereikbaar. Vanwege de medische klachten van eiser was de fiets geen optie. Nu hij de scooter gebruikte voor een overheidstaak veronderstelde eiser dat hij de scooter even kon lenen. Niet valt uit te sluiten dat hij gewoon toestemming had gekregen als hij het had gevraagd.

Over de vragen van het raadslid voert eiser aan dat hem feitelijke vragen zijn gesteld, waarna hij heeft verklaard niet te weten wat er na zijn vertrek zou gebeuren. Volgens eiser heeft hij de gemeente juist een dienst bewezen, nu het ambtelijk apparaat en de verantwoordelijk bestuurder veel werk zijn bespaard doordat de concept-raadsvragen niet zijn gesteld.

Over de omstandigheid dat hij te laat heeft gemeld dat hij op de verkiezingslijst voor de raadverkiezingen van Den Haag staat voert eiser aan dat verweerder in de brief van 10 november 2014, heeft aangegeven dat (onder meer) kandidaatstelling voor de gemeenteraad niet als nevenactiviteit wordt gezien. Volgens eiser is het niet melden van zijn kandidaatstelling derhalve niet verwijtbaar. Voorts wijst eiser op een verweerschrift van verweerder van 3 juli 2015 in een WOB-procedure, waarin is bevestigd dat kandidaatstelling niet valt onder het regime van melding van nevenwerkzaamheden. Daarnaast wijst eiser er op dat hij zijn toenmalige leidinggevende op 20 en 21 februari 2014 op de hoogte heeft gesteld van zijn kandidaatstelling.

Ten slotte voert eiser aan dat de omstandigheid dat hij zijn medewerkers heeft gevraagd hem tijdens de lunchpauze even te helpen met verhuizen niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Vervolgens vroegen zijn medewerkers of zij het appartement van eiser nog even konden bekijken. Eiser bestrijdt niet dat hij vervolgens zijn medewerkers heeft getrakteerd, maar volgens hem valt dat als ‘stimuleren en motiveren’ onder de taakomschrijving van een leidinggevende. Bovendien hebben de betrokken medewerkers geen 9 tot 5-baan en zijn zij zelf verantwoordelijk voor de indeling van hun werktijd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Aanbesteding en inkoop

5.1.

Anders dan eiser kennelijk veronderstelt, mocht, gelet op de verantwoordelijkheid die eiser als [functie ] had, van hem worden verwacht dat hij de aan hem ter tekening voorgelegde stukken zou lezen, waarbij het hem zou moeten zijn opgevallen dat hem een zeer groot aantal facturen van slechts drie aannemers is voorgelegd. Nu hij bekend was met de recente integriteitsproblemen op het gebied van aanbestedingen en inkoop, had van hem op dit punt meer alertheid mogen worden verwacht en was het passend en geboden geweest zijn medewerkers te bevragen. Eiser is hier in gebreke gebleven. Verweerder heeft eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij zich in zoverre schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Voor zover eiser betoogt dat sprake is van willekeur overweegt de rechtbank dat daarvan niet is gebleken, nu de corrupte groenbeheerder onvoorwaardelijk strafontslag is verleend.

Scooter

5.2.

Dat eiser de scooter gebruikte voor een andere overheidstaak, wat daar verder ook van zij, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat geen sprake is van privégebruik. Niet in geschil is dat eiser de scooter – een dienstmiddel – zonder toestemming heeft gebruikt voor niet-werkgerelateerde bezigheden. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van 15 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4339) is in zo’n geval sprake van plichtsverzuim.

Raadsvragen

5.3.

Na lezing van de in het dossier opgenomen raadsvragen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden staande gehouden dat dit vragen zijn van puur feitelijke aard. Het verminderen dan wel samenvoegen van stadsdelen is een bestuurlijk gevoelig onderwerp, zodat eiser zijn leidinggevende over deze vragen had moeten informeren. Nu eiser voorts heeft geopperd de vragen na zijn vertrek als [functie ] te stellen, heeft verweerder hem terecht tegengeworpen dat hij heeft getracht het raadslid te sturen. Naar het oordeel van de rechtbank is ook in zoverre sprake van plichtsverzuim.

Kandidaatstelling gemeenteraad

5.4.

Dat de kandidaatstelling op zichzelf niet als nevenactiviteit wordt gezien laat onverlet dat in de brief van 10 november 2014 staat dat een dergelijke kandidaatstelling gemeld moet worden omdat een lidmaatschap van de gemeenteraad onverenigbaar is met het ambtenaarschap bij dezelfde gemeente. De plaatsing van eiser op de kandidatenlijst is door het centraal stembureau bekend gemaakt op 7 februari 2014. Door pas op 20 februari 2014 bij verweerder melding te maken van zijn kandidaatstelling was eiser dus te laat. Naar het oordeel van de rechtbank is ook in zoverre sprake van plichtsverzuim.

Verhuizing tijdens werktijd

5.5.

De medewerkers van eiser zijn zelf verantwoordelijk voor de indeling van hun werktijd, maar dat doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat het niet gepast is om als leidinggevende medewerkers tijdens de werkdag te vragen om hem te helpen met een privé-verhuizing, waarbij zij zich over een aanzienlijke afstand moesten verplaatsen. Een dergelijke gedraging kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden aangemerkt als iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, zodat ook in zoverre sprake is van plichtsverzuim.

5.6.

Niet is gebleken dat aan eiser niet kan worden toegerekend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Verweerder heeft eiser onvoldoende besef van zijn verantwoordelijkheid voor en loyaliteit aan de organisatie mogen aanrekenen. De bij punt 5.1 geschetste feiten illustreren dit duidelijk, doch ook de feiten bij 5.2 tot en met 5.5 geven blijk van tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aan eiser opgelegde straf, gelet op de ernst van de gehandhaafde verwijten die eiser zijn tegengeworpen, niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het door hem gepleegde plichtsverzuim. In dit kader acht de rechtbank van belang dat de financiële gevolgen voor het pensioen van eiser beperkt zijn, nu niet in geschil is dat zijn pensioen is opgebouwd volgens een middelloonregeling en hij reeds in oktober 2016 de AOW-leeftijd heeft bereikt. Dat er al lange tijd werd gediscussieerd over de plaatsing van eiser op een andere functie binnen de gemeente, zodat de aan hem opgelegde straf verweerder goed uitkomt, zoals eiser heeft gesteld, doet niet af aan de constatering dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. drs. L.B.M. Klein Tank en mr. M.M. Meijers, leden, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.