Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15083

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
AWB 16/27150
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Syrische. VAE als veilig derde land. Beschikbaarheid bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag. Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/27150

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 december 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. M. Spapens,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. R.G.A. Wever.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Oublal, tolk in de Syrisch-Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Syrische nationaliteit. Op 22 november 2015 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder beschouwt het land waar eiser eerder heeft verbleven, de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), als een veilig derde land. Volgens verweerder voldoen de VAE aan de daaraan te stellen voorwaarden. Bij de beoordeling of sprake is van een zodanige band van eiser met de VAE dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan, acht verweerder van belang dat eiser daar met familie heeft gewoond, dat hij daar heeft gewerkt en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na januari 2010 zou zijn teruggekeerd naar Syrië.

3. Eiser heeft in beroep bestreden dat de VAE kunnen worden aangemerkt als een veilig derde land. Voorts heeft hij betoogd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat eiser ook na januari 2010 nog in Dubai, VAE, heeft verbleven.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd.

Ingevolge het derde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

5. Ingevolge artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en

b. er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet, en

c. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en

d. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

e. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

Ingevolge het tweede lid wordt de asielaanvraag slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b, of c, van de Wet indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

Ingevolge het derde lid worden bij de beoordeling hiervan alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of ten aanzien van de VAE wordt voldaan aan alle in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder c en e, van het Vb gestelde voorwaarden.

7. De stelling van eiser dat de VAE geen veilig derde land is omdat dit land niet is aangesloten bij het Vluchtelingenverdrag, wordt niet gevolgd. Gelet op de bewoordingen van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb gaat het er niet om of een derde land partij is bij het Vluchtelingenverdrag, maar of dat land de mensenrechtelijke beginselen die in deze bepaling genoemd worden, waaronder het beginsel van non-refoulement, overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag naleeft (cursivering door de rechtbank).

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt aan de hand van de door hem aangehaalde landeninformatie, dat de VAE het beginsel van non-refoulement naleven. Verweerder heeft aangehaald de rapportage van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties van juni 2012 met de titel “Submission by de United Nations High Commissioner for Refugees for the Office of the High Commissioner for Human Rights’ Compilation Report – Universal Periodic Review: United Arab Emirates” waarin dat wordt bevestigd, alsmede het rapport van het US Department of State (USDOS) “Country Report on Human Rights Practices for 2015: UAE” van 13 april 2016. De rechtbank kan uit de door eiser bij zijn zienswijze aangehaalde landeninformatie (een brief van 24 oktober 2016 met bijlagen van VluchtelingenWerk Nederland) niet afleiden dat de VAE vreemdelingen die bescherming nodig hebben wel refouleren naar hun land van herkomst. Eiser heeft ook ter zitting niet duidelijk kunnen maken waaruit is op te maken dat de VAE zich niet zouden houden aan het verbod van refoulement. Aan de in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb gestelde voorwaarde wordt derhalve voldaan.

9. Vervolgens staat ter beoordeling of aan de in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb gestelde voorwaarde wordt voldaan. Eiser heeft naar voren gebracht dat verweerder in zijn besluitvorming niet heeft gemotiveerd dat aan deze voorwaarde wordt voldaan. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser. Verweerder heeft ter zitting gewezen op passages in het bestreden besluit (met name pagina 2, de op één na laatste alinea), maar daarin staat dat de VAE in de praktijk de beginselen uit het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing naleven en dat het principe van non-refoulement wordt nageleefd. Ook staat daarin dat de UNHCR in de VAE in overleg met de autoriteiten een rol speelt bij de beoordeling van asielverzoeken. Anders dan verweerder heeft betoogd, kan daarmee niet worden onderbouwd dat de vreemdeling, indien hij als vluchteling wordt erkend, ook bescherming ontvangt overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag. Uit de rapportage van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van juni 2012 kan wel worden afgeleid dat de UNHCR in de VAE is belast met statusdeterminatie, maar daarin staat ook vermeld dat vluchtelingen en bij de UNHCR geregistreerde asielzoekers vallen onder de nationale immigratiewetten. Dat betekent volgens dit rapport dat ‘work sponsorship’ een essentiële voorwaarde is voor verblijfsrecht en dat uitzetting mogelijk is wanneer daaraan niet wordt voldaan. In het rapport van het USDOS van 13 april 2016 staat vermeld dat de regering niet formeel de vluchtelingenstatus of asiel verleende aan vreemdelingen die bescherming zochten, maar dat hen tijdelijk verblijf werd toegestaan totdat de UNHCR een oplossing had gevonden, veelal hervestiging in een ander land. Ook het standpunt van verweerder dat eiser zijn verblijf in Syrië vanaf 2010 niet aannemelijk heeft gemaakt en dat hij daarom moet worden geacht zijn verblijfsrecht in de VAE te hebben behouden dan wel opnieuw te kunnen verkrijgen, is geen toereikende beantwoording van de vraag die hier aan de orde is. Die kwestie kan eerst een rol spelen bij de beoordeling of de vreemdeling een band heeft met het derde land, overeenkomstig het tweede en derde lid, van artikel 3.106a van het Vb. Daaraan dient vooraf te gaan of aan alle voorwaarden, genoemd in het eerste lid van deze bepaling is voldaan.

10. De slotsom is dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat ten aanzien van de VAE is voldaan aan de voorwaarde die is gesteld in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.

11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu niet is gebleken van recente landeninformatie die een ander licht werpt op de vraag of in de VAE aan erkende vluchtelingen bescherming wordt verleend overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

12. Verweerder zal op na te melden wijze worden veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Beslissing

De rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep, ten bedrage van € 992 (negenhonderdtweeënnegentig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: