Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15012

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-10-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
AWB 16/23621
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat in de maatregel van bewaring niet is aangegeven door verweerder op welke grond van artikel 59b, eerste lid, Vw de oplegging van de maatregel is gebaseerd. Reeds nu het niet kenbaar is voor eiser op welke grond de maatregel aan hem is opgelegd, moet de oplegging daarvan, gelet op artikel 5.3, eerste lid, Vb van meet af aan onrechtmatig worden geacht.

Ten aanzien van het betoog van verweerders gemachtigde dat uit de motivering van het besluit valt af te leiden op welke grondslag de maatregel is gestoeld, oordeelt de rechtbank dat verweerder hierin niet wordt gevolgd. Zelfs indien zulks zou volgen uit de motivering, moet worden vastgesteld dat niet is gebleken dat aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw is voldaan. Zoals verweerders gemachtigde ter zitting terecht heeft opgemerkt, is niet eerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Daarbij werd eiser ten tijde van de oplegging van maatregel niet in bewaring gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de richtlijn.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59b, geldigheid: 2015-07-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16 / 23621

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Mexicaanse nationaliteit, verblijvende in Detentiecentrum [locatie] ,

eiser,

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. drs. J.A.M. van der Klis, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 12 oktober 2016 is aan eiser de maatregel van bewaring ex artikel 59b, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen de maatregel op 17 oktober 2016 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.K. van Middelkoop, kantoorgenote van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, zesde lid, Vw het beroep gegrond.

  2. Verweerder heeft eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw in bewaring gesteld.

  3. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat verweerder heeft nagelaten aan te geven in het besluit tot oplegging van de maatregel op welke grond of gronden van artikel 59b, eerste lid, Vw de maatregel is gebaseerd.

3.1

Verweerders gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat uit de motivering van de maatregel afdoende blijkt op welke grondslag de maatregel is gebaseerd. Verder stelt verweerders gemachtigde dat bedoeld is de maatregel te baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Daarnaast heeft verweerders gemachtigde desgevraagd aangegeven dat hij niet kan onderbouwen dat is voldaan aan alle criteria als opgenomen in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, waarbij verweerders gemachtigde heeft opgemerkt dat er niet eerder een terugkeerbesluit aan eiser is opgelegd.

3.2

Ingevolge artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door verweerder in bewaring worden gesteld indien de vreemdeling:

- in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de richtlijn);

- reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en

- op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

3.3

Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), voor zover hier van belang, wordt de maatregel waarbij de bewaring op grond van artikel 59, 59a of 59b Vw wordt opgelegd, gedagtekend en ondertekend; de maatregel wordt met redenen omkleed.

3.4

Tussen partijen is niet in geschil dat in de maatregel van bewaring niet is aangegeven door verweerder op welke grond van artikel 59b, eerste lid, Vw de oplegging van de maatregel is gebaseerd. Reeds nu het niet kenbaar is voor eiser op welke grond de maatregel aan hem is opgelegd, moet de oplegging daarvan, gelet op artikel 5.3, eerste lid, Vb van meet af aan onrechtmatig worden geacht.

3.5

Ten aanzien van het betoog van verweerders gemachtigde dat uit de motivering van het besluit tot oplegging van de maatregel valt af te leiden op welke grondslag de maatregel is gestoeld, oordeelt de rechtbank dat verweerder hierin niet wordt gevolgd. Echter, zelfs indien zulks zou volgen uit de motivering, moet worden vastgesteld dat niet is gebleken dat aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw is voldaan. Zoals verweerders gemachtigde ter zitting terecht heeft opgemerkt, is niet eerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Daarbij werd eiser ten tijde van de oplegging van maatregel niet in bewaring gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de richtlijn.

4. De rechtbank zal het beroep met toepassing van artikel 94, zesde lid, Vw gegrond verklaren en de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevelen.

5. De toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel is van meet af aan onrechtmatig. De rechtbank zal aan eiser daarom met toepassing van artikel 106 Vw een schadevergoeding toekennen. Voor het verblijf van de vreemdeling in het detentiecentrum wordt een schadevergoeding van € 80,- per dag toegekend. De rechtbank zijn geen omstandigheden gebleken die tot matiging van de schadevergoeding zouden moeten leiden. De rechtbank begroot de schadevergoeding van de vreemdeling daarom op € 1520,- (19 dagen in het detentiecentrum). De griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, betaalt op grond van artikel 93 Wetboek van Strafvordering het bedrag van de vergoeding uit.

6. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 992,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten vergoeden aan de rechtsbijstandverlener van eiser.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van heden;

- draagt verweerder op € 1520,- als schadevergoeding aan eiser te betalen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 992,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, en 31 oktober 2016 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

griffier rechter

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van deze uitspraak voor het bedrag van de schadevergoedingen draagt de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op aan eiser € 1520,- uit te betalen.

Gedaan op 31 oktober 2016, door mr. L.M. Kos, rechter.

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.