Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:15011

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
AWB 16/7747
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser voert aan dat in Bulgarije sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser heeft zijn asielaanvraag ingetrokken en zal bij terugkeer in Bulgarije als illegale immigrant worden beschouwd en het risico lopen op detentie. Omdat hij langer dan drie maanden Bulgarije heeft verlaten, bestaat er geen recht meer op opvang en voorzieningen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar landeninformatie, onder meer naar de rapporten van ECRE-ELENA van februari 2016, van AIDA van oktober 2015 en maart 2016 en van de UNHCR van december 2014.

In de schijnbaar tegenstrijdige informatie in deze rapporten, heeft de rechtbank aanleiding gezien verweerder in de gelegenheid te stellen om aan de Bulgaarse autoriteiten vragen voor te leggen om duidelijkheid te krijgen over de status van Dublinterugkeerders bij terugkeer en hun recht op opvang in Bulgarije. Uit de verkregen antwoorden van de Bulgaarse State Agency for Refugees with the Council of Ministers (SAR) blijkt dat deze op recente Bulgaarse wetgeving zijn gebaseerd. Verder blijkt uit de antwoorden dat Dublinterugkeerders op grond van de geldende wetgeving in Bulgarije recht hebben op opvang indien de eerste asielaanvraag niet definitief op inhoudelijke gronden is afgewezen. Dit geldt in alle gevallen, dus ook indien de Dublinterugkeerder als gevolg van zijn vertrek uit Bulgarije langer dan drie dagen de opvang heeft verlaten. Uit de antwoorden blijkt ook dat een intrekking van de asielaanvraag een legale grond is om de procedure te beëindigen. Dit is bij eiser het geval, nu vast staat dat de Bulgaarse autoriteiten het terugnameverzoek hebben gehonoreerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. In die situatie wordt bij terugkeer naar Bulgarije de procedure echter hervat in het stadium waarin deze was beëindigd. Verweerder mag hieruit in beginsel afleiden dat eisers asielaanvraag bij terugkeer naar Bulgarije inhoudelijk zal worden behandeld en dat Bulgarije hiermee garandeert dat het zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Met de informatie die eiser heeft overgelegd heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Bulgaarse wetgeving in de praktijk niet wordt toegepast zoals uiteengezet in de antwoorden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN-HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/7747

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. A. Spel, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigden: mr. B.J. Pattiata en mr. Ch.R. Vink, beiden werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Verweerder heeft op 3 mei 2016 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. Pattiata voornoemd.

Bij uitspraak van 13 mei 2016 (AWB 16/7748) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat verweerder wordt verboden eiser over te dragen aan Bulgarije totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 17 juni 2016 heropend en het beroep verwezen naar de meervoudige kamer.

Verweerder heeft op 21 juni 2016 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 23 juni 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. Vink voornoemd.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen vragen te stellen aan de Bulgaarse autoriteiten. Dit aan de hand van vragen zoals die door de rechtbank zijn opgesteld bij brief van 24 juni 2016 (zie bijlage 1 bij deze uitspraak).

Bij faxbericht van 21 juli 2016 heeft verweerder de antwoorden op de vragen van de Bulgaarse autoriteiten van 19 juli 2016 overgelegd (zie bijlage 2 bij deze uitspraak) en daarop gereageerd. Vervolgens heeft eiser hierop bij faxbericht van 5 augustus 2016 gereageerd.

Op 28 november 2016 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van Verordening (EG) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser op 28 november 2011 in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 21 maart 2016 de autoriteiten van Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b of d, van de Dublinverordening. Bulgarije heeft op 25 maart 2016 het terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening gehonoreerd. Gelet hierop zijn de Bulgaarse autoriteiten verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek van eiser.

3. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte ervan is uitgegaan dat hij tussen 2011 en 2016 in Bulgarije heeft verbleven. Hij stelt dat hij in 2011 na een verblijf van drie maanden in Bulgarije het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Vervolgens heeft hij drie maanden buiten het grondgebied van de lidstaten verbleven, waardoor Bulgarije niet langer verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag.

3.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet door middel van stukken of documenten heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk minstens drie maanden het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Gelet hierop wordt aan de verklaring van eiser dat hij het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten geen betekenis gehecht.

3.2

In overweging 4.2 van zijn uitspraak van 13 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter - samengevat - geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten minste drie maanden buiten het grondgebied van de lidstaten heeft verbleven. De rechtbank neemt dit door de voorzieningenrechter gegeven oordeel over. Eiser heeft in beroep ook geen nieuwe argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

4. Verder voert eiser aan dat in Bulgarije sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser stelt in dat verband dat verweerder zijn standpunt dat de omstandigheden in Bulgarije sinds 1 april 2014 sterk zijn verbeterd, heeft gebaseerd op verouderde rapporten uit 2014. Alleen al omdat uit recentere rapporten – zoals hierna vermeld – blijkt dat de opvangsituatie in Bulgarije in de loop van 2015 is verslechterd, kan het bestreden besluit geen standhouden.
Daarnaast voert eiser aan dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is, nu verweerder ervan uitgaat dat hij nog een openstaande asielprocedure in Bulgarije heeft, terwijl uit het claimakkoord volgt dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Omdat de Bulgaarse autoriteiten ervan uitgaan dat eiser zijn asielprocedure heeft ingetrokken, zal hij in Bulgarije als illegale immigrant worden beschouwd. Hij loopt daarom het risico om te worden gedetineerd in plaats van te worden opgevangen overeenkomstig de internationale afspraken. Hij heeft namelijk langer dan drie maanden geleden Bulgarije verlaten. In dat geval bestaat geen recht meer op opvang en voorzieningen. In het eerste halfjaar van 2015 gold dat voor 88% van de niet-Syrische Dublinclaimanten. Voorts is het vanuit detentie onmogelijk om rechtshulp te krijgen. Hij kan dus niet procederen over zijn asielaanvraag, de detentie en de slechte opvang.
Hoewel in theorie de asielprocedure bij terugkeer wordt heropend, is dat niet de praktijk. Dublinterugkeerders worden geconfronteerd met een beëindigingsbeslissing. Dat betekent een definitieve afwijzing van hun asielverzoek. De procedure kan alleen herleven als de asielzoeker binnen drie maanden terugkeert. Daar is in het geval van eiser geen sprake van.
Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst eiser naar de volgende landeninformatie:
- de notities van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) “Veelgestelde vragen – Dublin Bulgarije” van januari 2016 en mei 2016 met bijlagen;

- de brief van VWN van 1 maart 2016, “Update Veelgestelde Vragen vanaf 6 januari 2016”;

- het rapport van ECRE-ELENA getiteld “Research note: reception conditions, detention and procedural safeguards for asylum seekers and content of international protection status in Bulgaria” van februari 2016, met name pagina 4, punt 13 (met bijbehorende noot 30);

- het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) van 23 december 2014, met name pagina 3;

- het rapport van Asylum Information Database (AIDA), getiteld “Country Report: Bulgarije” van oktober 2015, met name pagina’s 29 en 30;

- het rapport van AIDA, “Wrong counts and closing doors. The reception of refugees and asylum seekers in Europe” van 12 maart 2016, met name pagina 39;

- het “Handbook, Procedures for asylum and protection in Bulgar” van Iliana Savova van the Bulgarian Helsinki Committee (hierna: het Handbook), met name pagina’s 4 en 5 (paragraaf 4.7.3.);

- de landeninformatie zoals die blijkt uit de uitspraak van het Verwaltungsgericht Oldenburg van 20 oktober 2015, dossiernr. 12A 181/15 (hierna: uitspraak Oldenburg).

4.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de stukken waarop eiser zich beroept niet kunnen leiden tot het oordeel dat in Bulgarije sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen.

4.2

Ter zitting heeft verweerder erkend dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, nu zijn standpunt slechts is gebaseerd op rapporten uit 2014. Verweerder heeft de ontwikkelingen van 2015 ten onrechte niet in zijn beoordeling zijn betrokken.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de feitelijke grondslag van het bestreden besluit niet toereikend is en dat het besluit daarom onvoldoende is gemotiveerd, is het beroep gegrond.
De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.3

Verweerder verzoekt de rechtbank om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Verweerder heeft daartoe in zijn aanvullende verweerschrift en ter zitting een aanvullend standpunt ingenomen.
Verweerder erkent dat sinds 2015 in Bulgarije sprake is van verslechterde omstandigheden op het punt van de behandeling van de asielprocedure, de verblijfsomstandigheden en de detentieomstandigheden. Hij stelt zich echter ook op het standpunt dat de algehele situatie thans niet zodanig is dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Daarbij is van belang is dat Dublinterugkeerders toegang hebben tot de opvang zolang de afwijzing van hun asielverzoek niet onherroepelijk is geworden. Pas indien sprake is van een definitieve afwijzende beschikking op inhoudelijke gronden die in persoon is uitgereikt, kan de afwijzende beslissing onherroepelijk worden. In dat geval kan de asielzoeker na overdracht aan Bulgarije alleen nog een herhaalde aanvraag indienen en komt de Dublinterugkeerder in detentie. In de overige gevallen zal de Dublinterugkeerder in de opvang terechtkomen. Als een Dublinterugkeerder meer dan drie maanden weg is uit Bulgarije, dan stopt de procedure. Bij terugkomst in Bulgarije gaat de procedure echter weer verder in de stand waarin deze gebleven was omdat nog niet inhoudelijk op het asielverzoek is beslist. Deze praktijk blijkt uit de pagina’s 29 en 30 van het AIDA-rapport van oktober 2015, pagina 4 van het rapport van de UNHCR van 23 december 2014 (Engelse versie) en de pagina’s 4 en 5 van het Handbook. Het rapport van ECRE-ELENA van februari 2016 geeft een onjuiste lezing. Het percentage van 88% van de niet-Syriërs waarbij sprake was van een beëindigingsbeslissing in absentia, zoals genoemd in noot 30 van laatstgenoemd rapport van ECRE-ELENA en op pagina 42 van het AIDA-rapport van oktober 2015, is zonder onderbouwing onvoldoende voor een ander oordeel.
Nu Bulgarije zich onder verwijzing naar artikel 18 eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening verantwoordelijk acht voor de behandeling van het asielverzoek van eiser, zal hij naar een opvangcentrum worden verwezen. Gelet op het bepaalde in artikel 18, tweede lid, Dublinverordering zal het asielverzoek van eiser in Bulgarije alsnog inhoudelijk worden beoordeeld. Tot slot stelt verweerder dat eiser zich bij voorkomende problemen met betrekking tot de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Bulgarije kan wenden tot de daartoe aangewezen instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Bulgarije hem niet zouden kunnen of willen helpen.

4.4

De rechtbank zal beoordelen of het aanvullende standpunt van verweerder grond biedt te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit op grond van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid van de Awb geheel of gedeeltelijk in stand blijven. Daartoe overweegt zij als volgt.

4.5

In het door eiser overgelegde rapport van ECRE-ELENA van februari 2016 staat onder punt 13, ‘Acccess to the asylum procedure – Dublin returnees’, vermeld dat de status van Dublinterugkeerders in Bulgarije onduidelijk is. Voor degenen die asiel hebben aangevraagd, maar drie maanden buiten het territorium zijn geweest, zal de procedure worden beëindigd. Deze procedure is weer toegankelijk bij terugkeer, maar er is een groot risico dat bij terugkeer het recht op opvang is ingetrokken omdat de asielzoeker meer dan drie dagen het opvangcentrum heeft verlaten zonder voorafgaande berichtgeving.
In het door eiser overgelegde rapport van AIDA van maart 2016 (p. 39) staat vermeld dat op grond van de Bulgaarse ‘Law on Asylum en Refugees’ Dublinterugkeerders recht hebben op toegang tot de gezondheidszorg, maar dat dit in de praktijk niet het geval is. Dat komt volgens het rapport doordat de terugkeerders een beëindigingsbeslissing krijgen in plaats van een heropening van hun asielprocedure. Daardoor krijgen terugkeerders geen toegang tot de opvangvoorzieningen, zoals onderdak, maaltijden en gezondheidszorg.
Deze informatie lijkt strijdig met de informatie uit de passages in de rapporten van AIDA van oktober 2015 en van de UNHCR van december 2014, waarnaar verweerder heeft verwezen. Uit het rapport van AIDA van oktober 2015 (p. 29) blijkt immers dat er voor Dublinterugkeerders in principe geen enkele belemmering is in de toegang tot de asielprocedure na hun terugkeer. Als de terugkeerder nog een lopend asielverzoek heeft in Bulgarije, dan zal hij worden overgebracht naar een opvangcentrum. De Bulgaarse autoriteiten schorten doorgaans een asielprocedure op als een asielzoeker Bulgarije verlaat voordat de procedure is voltooid. Als het asielverzoek is afgewezen in absentia, maar niet aan de asielzoeker was uitgereikt voordat hij Bulgarije verliet, zal de terugkeerder worden overgebracht naar een opvangcentrum.
Uit het rapport van de UNHCR van december 2014 (p. 4 van de Engelse versie) blijkt dat de asielprocedure van een Dublinterugkeerder, als nog niet inhoudelijk op het verzoek is beslist, zal worden heropend en zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond. De terugkeerder zal dan hoogstwaarschijnlijk worden overgebracht naar een opvangcentrum en dezelfde rechten hebben als andere asielzoekers.

4.6

In deze schijnbaar tegenstrijdige informatie heeft de rechtbank aanleiding gezien om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te vragen aan de Bulgaarse autoriteiten. De rechtbank heeft verweerder verzocht aan de Bulgaarse autoriteiten, onder verwijzing naar de door partijen aangehaalde passages uit de verschillende rapporten over de situatie voor Dublinterugkeerders, een drietal vragen voor te leggen om duidelijkheid te krijgen over de status van Dublinterugkeerders bij terugkeer en hun recht op opvang in Bulgarije (deze brief is als bijlage 1 bij deze uitspraak gevoegd). Die vragen zijn bij brief van 19 juli 2016 door het plaatsvervangend hoofd van de Bulgaarse State Agency for Refugees with the Council of Ministers (SAR) beantwoord (deze brief is als bijlage 2 bij deze uitspraak gevoegd).

4.7

De rechtbank stelt voorop dat in de brief van de SAR wordt verwezen naar recente Bulgaarse wetgeving en dat de antwoorden zoals gegeven in de brief op deze wetgeving zijn gebaseerd. Uit de antwoorden is duidelijk af te leiden dat dit een wijziging betreft om de wetgeving in overeenstemming te brengen met de Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Opvangrichtlijn). Gelet op het vorenstaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat uit de antwoorden niet duidelijk wordt of de door de SAR genoemde garanties voor Dublinterugkeerders op wetgeving is gebaseerd en dat deze te vaag zijn.

Verder blijkt uit de antwoorden van de SAR dat Dublinterugkeerders op grond van de geldende wetgeving in Bulgarije recht hebben op opvang indien de eerste asielaanvraag niet definitief op inhoudelijke gronden is afgewezen. Dit geldt in alle gevallen, dus ook indien de Dublinterugkeerder als gevolg van zijn vertrek uit Bulgarije langer dan drie dagen de opvang heeft verlaten. Uit de antwoorden blijkt ook dat een intrekking van de asielaanvraag een legale grond is om de procedure te beëindigen. Dit is bij eiser het geval, nu vast staat dat de Bulgaarse autoriteiten het terugnameverzoek hebben gehonoreerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. In die situatie wordt bij terugkeer naar Bulgarije de procedure echter hervat in het stadium waarin deze was beëindigd. Verweerder mag hieruit in beginsel afleiden dat eisers asielaanvraag bij terugkeer naar Bulgarije inhoudelijk zal worden behandeld en dat Bulgarije hiermee garandeert dat het zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Hieruit volgt tevens dat het betoog van eiser dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen nadere informatie van de Bulgaarse autoriteiten over de stand van de procedure van eiser op te vragen, niet slaagt.

4.8

Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een definitieve en op inhoudelijke gronden afwijzende beslissing op zijn asielaanvraag in Bulgarije heeft ontvangen, heeft eiser na overdracht volgens de Bulgaarse wet recht op opvang. De informatie die de SAR heeft gegeven in zijn brief van 19 juli 2016 over de Bulgaarse wetgeving is bovendien in lijn met de informatie die verweerder heeft aangehaald uit de rapporten van de UNHCR van december 2014 en van AIDA van oktober 2015.
Met de informatie die eiser heeft overgelegd heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Bulgaarse wetgeving in de praktijk niet wordt toegepast zoals uiteengezet in de brief van de SAR. Uit het rapport van ECRE-ELENA van februari 2016 blijkt niet waarop de onderzoekers het gestelde hoge risico hebben gebaseerd dat Dublinterugkeerders bij terugkeer naar Bulgarije, in weerwil van de geldende wetgeving, geen recht meer hebben op opvang omdat zij eerder een opvangcentrum meer dan drie dagen hebben verlaten. Uit de antwoorden van de SAR blijkt dat in die situatie de asielprocedure weliswaar kan worden beëindigd, maar ook dat in de situatie van een Dublinterugkeerder de procedure weer wordt hervat.
Uit noot nr. 30, behorende bij punt 13 van het ECRE-ELENA-rapport van februari 2016, gelezen in samenhang met p. 42 van het rapport van AIDA van oktober 2015, waaruit volgt dat van 88% van de niet-Syrische Dublinclaimanten de procedure is beëindigd in absentia, blijkt niet om welk soort beëindiging van de procedure het gaat. Ook blijkt daaruit niet dat die procedures na een beëindigingsbeslissing niet zijn hervat na terugkeer conform de geldende wetgeving. Derhalve kan ook daaruit niet worden afgeleid dat deze Dublinclaimanten geen recht op opvang hebben bij terugkeer naar Bulgarije.

In het rapport van AIDA van maart 2016 wordt ter onderbouwing van de stelling dat Dublinterugkeerders in de praktijk geen toegang hebben tot de opvangvoorzieningen verwezen naar informatie verstrekt door het Bulgaarse Helsinki Comité (p. 39, noot 259). Uit het rapport blijkt echter niet welke informatie is verstrekt. Ook blijkt uit de informatie van AIDA niet om welk soort beëindiging van de procedure het gaat. Daarom kan verweerder bij beëindiging wegens het hebben verlaten van een opvangcentrum of afwezigheid langer dan drie maanden, uitgaan van de door de SAR gegeven garantie dat in de situatie van een Dublinterugkeerder de procedure zal worden heropend.

4.9

Nu de rechtbank van oordeel is dat ervan uit mag worden gegaan dat eiser na overdracht niet in een detentiecentrum maar in een opvangcentrum terecht zal komen, behoeft de vraag of de verblijfsomstandigheden in detentiecentra in Bulgarije zich verdragen met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en of vreemdelingen in Bulgarije vanuit detentie voldoende toegang hebben tot de asielprocedure en tot rechtshulp, geen bespreking.

4.10

Gelet op de inhoud van de door verweerder na het nemen van het besluit bij zijn standpunt betrokken informatie, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de algehele situatie voor Dublinterugkeers in Bulgarije thans niet zodanig is dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser over eventuele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Bulgarije kan klagen bij de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid voor hem niet bestaat.

4.11.

Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand blijven.

5. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.240,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor de nadere schriftelijke reactie, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.240,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, voorzitter, en mrs. E.J. van Keken en M.M. Vollebregt-Kuipers, rechters, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE 1

De rechtbank verzoekt verweerder aan de Bulgaarse autoriteiten, onder verwijzing naar de in de bijlage aangehaalde passages uit verschillende rapporten over de situatie voor Dublinterugkeerders in Bulgarije, een drietal vragen voor te leggen:

1.
De eerste vraag heeft betrekking op de situatie waarin sprake is van terugname van een asielzoeker door Bulgarije op grond van de Dublinverordening, waarbij die asielzoeker meer dan drie maanden na indiening van zijn (oorspronkelijke) asielaanvraag in Bulgarije niet bij

de Bulgaarse autoriteiten is verschenen ten behoeve van het onderzoek naar zijn aanvraag.

a. Wordt in dat geval na overdracht van die asielzoeker aan Bulgarije de asielprocedure naar aanleiding van de oorspronkelijk ingediende aanvraag heropend in de stand waarin die procedure zich bevond?

b. Of dient na overdracht van de asielzoeker aan Bulgarije een nieuwe asielaanvraag te worden ingediend waarvoor nieuwe feiten en omstandigheden moeten worden aangevoerd?

c. Hoe luidt het antwoord op voorgaande vragen, indien de asielzoeker zijn asielaanvraag voor vertrek uit Bulgarije heeft ingetrokken, of indien de aanvraag door de Bulgaarse autoriteiten als ingetrokken wordt beschouwd?

2.
Wat zijn de gevolgen voor het recht op opvang van een Dublinterugkeerder bij aankomst in Bulgarije als hij meer dan drie dagen de opvang heeft verlaten voor vertrek uit Bulgarije?

3.
Wat is de reactie van de Bulgaarse autoriteiten op de in de bijlage aangehaalde passages uit verschillende rapporten?

De rechtbank verzoekt verweerder na ontvangst van deze brief de rechtbank uiterlijk binnen een week te informeren binnen welke termijn hij een reactie van de Bulgaarse autoriteiten verwacht.
Na ontvangst van de reactie van verweerder met de antwoorden van de Bulgaarse autoriteiten, hebben eisers de gelegenheid daarop te reageren binnen een termijn van twee weken.

Bijlage bij de brief van de rechtbank

Uit (de vertaling in het Duits van) het rapport van United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) van 23 december 2014 (pagina 3-4):

Erfolgt der Transfer mehr als drei Monate und zehn Tage nach Registrierung des Asylantrages oder wurde der Anspruch während der Abwesenheit des Antragstellers abgelehnt, wird der Aufenthalt des Antragstellers als illegal angesehen und er kommt in Abschiebehaft

Grundsätzlich ist es möglich, dass diese Person einen Folgeantrag stellt, in dem er neue Kriterien aufzeigen muss, zusätzlich zu den in seinem Erstantrag aufgeführten Gründen. Wird ein Folgeantrag gestellt, prüft die SAR nur die neuen Kriterien. Werden diese als nicht-existent befunden, wird der Folgeantrag als offensichtlich unbegründet abgelehnt. […]

[…]

Hinsichtliger einer Wiedereröffnung des Asylverfahrens eines Dublin-Rückkehrers nach Bulgarien, wird das Asylverfahren generell, wenn der Asylanspruch noch nicht entschieden worden ist, wieder eröffnet, und zwar an der Stelle, an der der Stillstand eingetreten ist, vorausgesetzt, dass die Person ihre Zustimmung zur Fortführung ihres Asylverfahrens in Bulgarien gibt. Es gibt keine weiteren Anforderungen und eine Prüfung der Sache ist sichergestellt. Sollte die überstellte Person ihr Asylverfahren in Bulgarien fortsetzen wollen, so wird diese Person, abhängig vom Verfahrensstand, höchstwahrscheinlich in eine SAR-Einrichtung überstellt und genieβt dieselben Rechte wie andere Asylbewerber.

Wurde der Antrag augsesetzt und erscheint der Antragsteller nicht innerhalb von drei Monaten nach Aussetzung des Verfahrens vor der SAR, gibt das Gesetz vor, dass das Verfahren des Antragstellers (nicht der Anspruch) in Abwesenheit beendet wird. In der Praxis allerdings wird nach einer Überstellung gemaβ der Dublin-Verordnung, wenn eine Befragung zur Sache noch nicht stattgefunden hat, die Einladung zu solch einem Gespräch zur Feststellung der Eignung sichergestellt. Findet dieses Gespräch nicht statt, können Entscheidungen nicht als gesetzmäβig angesehen werden, es sei denn, es geht um einen “medizinisch eindeutigen Fall der Geisteskrankheit oder sonstigen psychischen Erkrankung oder um andere objektive Gründe” in Übereinstimmung mit dem bulgarischen Gesetz.

Wurde der Asylanspruch in der Sache bereits entschieden und die Person hat eine endgültige Ablehnung erhalten, die in Kraft getreten ist, wird die Person wieder in das Land gelassen, aber wie ein Asylbewerber behandelt, dessen Ersuchen um internationalen Schutz in einer rechtskräftigen Entscheidung abgelehnt wurde, es sei denn, sie reicht einen Folgeeintrag ein. Diese Person kann in einer SAR-Einrichtung untergebracht werden (wenn Platz ist) oder unter einer “externen Anschrift” wohnhaft sein, wie bereits in den vorstehenden Abschnitten ausgeführt. Nur Asylbewerber, deren Ansprüche durch eine rechtskräftige Entscheidung abgelehnt wurden und die keinen Folgeantrag stellen, können in einder Haftanstalt, die der Abteilung für Migration unterstellt ist, festgehalten werden, so dass der Abschiebeprozess durchgeführt werden kann.

Uit het “Handbook, Procedures for asylum and protection in Bulgar” van Iliana Savova van the Bulgarian Helsinki Committee (paragraaf 4.7.3 ‘Termination of the procedure’, p. 4-5):

The procedure for the examination of the application for protection will be terminated where:

*the applicant fails to make an appearance before the interviewer within 3 months after his/her procedure was suspended in order to present good reasons why he/she did not made an appearance for the interviewer after being invited of why he/she failed to inform the Agency about changing the address.

[…]

The decision about the termination of the procedure is sent by mail to the apllicant’s latest adress, as known to the Agency. The applicant has the right to appeal within 14 days after receiving the decision by mail or from the day on which he/she receives the decision in person and certifies the receipt by signing. […].

Uit het ECRE-ELENA rapport van februari 2016 onder de punten 13, 14 en 15: ‘Access to the asylum procedure – Dublin returnees’ (p. 4-5):

13. As of 30 September 2015 the number of actual transfers carried out to Bulgaria under the Dublin Regulation was relatively low (178 out of 6.963 take back or take charge requests). The status of those returned under the Regulation remains unclear. For those who have applied for asylum in Bulgaria but have then been absent from the territory for more than three months the procedure will be terminated, but is, in theory, accessible upon return. However, there is a high risk that upon return the right to reception has been rescinded, either because the asylum seeker has left the reception centre for more than three days without prior notice or because they had previously opted to reside in an external address and, thus, forfeited their right to accommodation, which is still applicable upon return. The only exception to this is where the returnee is a vulnerable applicant. However as there is no identification of vulnerability in Bulgaria in practice this means that persons with visible vulnerabilities, i.e. families with children, are the only category to be provided with reception. As has been confirmed by Belgian courts in cases concerning single males with psychological vulnerabilities; ‘there are no assurances that Dublin returnees will be guaranteed access to the asylum procedure or that they will not be exposed to extremely difficult reception conditions during the examination of the claim.’ Returns to Bulgaria in all of these cases were subsequently suspended.

14. For those Dublin returnees who have had a final decision rejecting their claim either before leaving Bulgaria of whose application was rejected, served in absentia and not appealed, thus becoming final, the returnee is considered as an irregular migrant and placed immediately in detention within one of the pre-removal detention centres. This applies to all persons, including families with children.

15. Problematic when read in light of Article 18 (2) of the Dublin Regulation III with regards to an effective remedy, concerns also stem from the status of the individual, who is regarded as a subsequent applicant and required to bring forth new evidence to the protection claim. Detention is likely to last a significant period of time in these cases given that release is often conditional upon evidence of a place of residence. Indeed, release of subsequent applicants is highly unlikely since these applicants are not entitled to reception provided by the State during the admissibility assessment.

Uit het “Country Report: Bulgaria” van AIDA van oktober 2015 (paragraaf 3.2 ‘Procedure’, onder ‘The situation of Dublin returnees’, p. 29-30):

Asylum seekers who are returned from other Member States in principle do not have any obstacles to access the asylum procedure in Bulgaria upon their return. Prior to the arrival of Dublin returnees, SAR informs the Border Police of the expected arrival and whether the returnee should be transferred to asylum reception centre or to an immigration detention facility. This decision depends on the phase of the asylum procedure of the Dublin returnee as outlined below. Hence, if the returnee had a pending asylum application in Bulgaria, he is transferred to a SAR reception centre because SAR usually suspends an asylum procedure when an asylum seeker leaves Bulgaria before the procedure was completed. If a Dublin returnee’s asylum application was rejected in absentia, but not served to the asylum seeker before he had left Bulgaria, the returnee is transferred to an asylum reception centre. If, however, the Dublin returnee’s asylum application was rejected with a final decision before he had left Bulgaria, or the decision was served in absentia and therefore became final, the returnee is transferred to one of the detention immigration facilities, usually to the detention centre in Sofia (Busmantsi), to Lyubimets detention centre (near the Turkish border). […]
[…]


There are situations where asylum seekers, including Dublin returnees, forfeit their right to social assistance and accommodation. Usually, it is on the request of the asylum seeker in order to be allowed to live outside the reception centres, effectuated before they travelled to the returning country. This right can be forfeited by SAR, if asylum seekers have left the reception centre for more than three days without prior and due notice, which is common in Dublin cases situation. However, vulnerable applicants, especially families with small children, are generally accommodated upon the Dublin return in spite of this. There is no procedure to assess vulnerability, and the term ‘vulnerable applicants’ in practice is applied in general to families with small children and individuals with disabilities. For those who had opted to reside in an external address at their own expense by signing a declaration to this effect forfeit their right to accommodation and social benefits during the asylum procedure. If a Dublin returnee had signed such a declaration, it still applies when he is returned to Bulgaria and he will normally not be able to access accommodation in SAR reception centres or social benefits upon return.

Uit het rapport van AIDA “Wrong counts and closing doors; the reception of refugees and asylum seekers in Europe” van maart 2016 (p. 39):

The case of Bulgaria: Though not directly targeted by the Tarakhel ruling or its subsequent case-law, the treatment of Dublin returnees in Bulgaria requires attention following recent legislative reform. Amendments to the law on Asylum Refugees adopted in December 2015 provide that the rights of Dublin returnees to health care must be upheld upon return to Bulgaria, contrary to the general health insurance provisions (voetnoot 258). However, this is not the case in practice, as the authorities serve returnees with termination decisions instead of reopening their asylum procedure. Accordingly, returnees do not have access to material reception conditions, including housing, food and health care. (voetnoot 259)


Voetnoot 258: Article 29(8) Bulgarian Law on Asylum and Refugees, as amended by Act No 502-01-68, entering into force on 25 December 2015.
Voetnoot 259: Information provided by the Bulgarian Helsinki Committee, 1 March 2016.”

BIJLAGE 2

With regards to your email to the State Agency for Refugees regarding the procedure after implementation of a transfer in accordance with Regulation (EU) 604/2013 (Dublin III Regulation) we advise you of the following:

In the cases in which a third-country national is accepted onto the territory of the Republic of Bulgaria based on a request for taking back in accordance with the Dublin Regulation, there are a few possible approaches.

When the first application for international protection has been rejected with a decision for rejection of refugee status and subsidiary protection, action for the removal of the third-country national from the territory of Bulgaria is taken.

When the first applicant for international protection has not been given a final decision, i.e. the proceedings have been stopped or terminated the proceedings are resumed from the stage in which they were stopped/terminated. According to the Law on Asylum and Refugees in these cases the proceedings can be resumed only once.

If the possibility of resuming the proceedings has been exhausted due to the fact that the proceedings were already resumed once, the third-country national must submit a new application for international protection. All the facts and circumstances of the person’s personal refugee history will be assessed anew as with first applications.

With regards to your question concerning the procedural rights when an applicant has withdrawn their application for international protection, we advise you that according to the Law on Asylum and Refugees this is a legal basis for the termination of the proceedings for granting international protection. In case of a Dublin transfer the rules for resuming proceedings will apply.

The reference for the three days mentioned in Question 2 is related to the way in which it is established whether the person has absconded from the SAR reception centre in which they were accommodated. An established absence of the applicant from the centre for three consecutive days is registered in writing and actions on the stopping of proceedings are accordingly taken. In cases of a Dublin transfer in this situation, the applicant’s proceedings are resumed in order for the application to be examined.

Regarding the concerns raised about the conditions of admission in the Republic of Bulgaria we would like to inform you that our legislation is harmonized with the EU legislative instruments in this area. The Law on Asylum and Refugees was amended in October 2015 and the provisions of Directive 2013/33/EU laying down standards for the reception of applicants for international protection were transposed in national legislation.