Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14976

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
16/1040
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Armenië

- BMA-advies

- behandeling in lvh mogelijk

- art. 64 Vw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/1040 en 16/1338

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 december 2016 in de zaken tussen

[eiser], eiser,

[eiseres], eiseres,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P. van Zijl.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 5 januari 2016 (de bestreden besluiten).

De behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 12 mei 2016. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting geschorst ten einde verweerder de gelegenheid te geven om het Bureau Medische Advisering (BMA) te laten reageren op de door eisers bij brief van 9 mei 2016 overgelegde aanvullende medische stukken.

Verweerder heeft bij brief van 31 mei 2016 een aanvullend BMA-advies van 25 mei 2016 overgelegd. Eisers hebben bij brief van 20 juni 2016 hierop gereageerd. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 27 juni 2016 hierop gereageerd. Partijen hebben de rechtbank desgevraagd toestemming verleend een nadere zitting achterwege te laten. Het onderzoek is gesloten op 10 augustus 2016. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op [geboortedatum] respectievelijk [geboortedatum] en bezitten de Armeense nationaliteit. Op 31 maart 2014 hebben eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij een levertransplantatie nodig heeft die niet in Armenië kan plaatsvinden. Hij vreest bij terugkeer naar zijn land van herkomst te overlijden bij gebrek aan behandeling. Eiseres heeft een van haar echtgenoot afhankelijk relaas.

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw oud). Verweerder heeft daarbij overwogen dat de medische omstandigheden van eiser geen reden zijn om verblijf hier te lande toe te staan, nu uit het BMA-advies van 20 oktober 2015 blijkt dat eiser op medische criteria niet voor een levertransplantatie in aanmerking komt en dat de voor hem benodigde behandeling en medicatie aanwezig zijn in het land van herkomst. Of medische voorzieningen feitelijk toegankelijk zijn, wordt niet betrokken bij de beoordeling. Evenmin is sprake van schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nu eiser zich niet bevindt in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte, waarbij geen medische voorzieningen en sociale opvang in het land van herkomst aanwezig zijn. Verweerder heeft eiser evenmin uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de huidige Vreemdelingenwet 2000.

3. Eiser heeft in beroep, onder verwijzing naar een verklaring van W. Sargsyan, arts van het Armenicum Clinical Center van 25 maart 2014, aangevoerd dat de voor hem noodzakelijke medische behandeling in Armenië niet aanwezig is en dat hij is uitbehandeld in zijn land van herkomst. Evenmin is er effectieve medicatie (entecavir) beschikbaar. De middelen tenofovir en interferon alfa 2a zijn niet geschikt. De arts Armen Garnik Shirvanyan van het Medisch Centrum Vanadzor heeft in zijn brief van 26 maart 2014 gesteld dat een levertransplantatie noodzakelijk is en dat eisers toestand ernstig en levensbedreigend is. Naar de mening van eiser is het BMA-advies van 20 oktober 2015, gelet op deze stukken, onvoldoende inzichtelijk en heeft verweerder onvoldoende onderzoek verricht. Ook het ziektebeeld van de 48-jarige Armeense vrouw waaraan in een brondocument van een vertrouwensarts gerefereerd wordt, is niet met dat van eiser vergelijkbaar. Uitzetting naar eisers land van herkomst is dan ook in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Eiser heeft in beroep nog de volgende stukken ingebracht: een verklaring van de kliniek Vanadzor Medical Centre van 25 december 2015, een verklaring van het Scientific Centre of Drug and Medical Technology Expertise van 22 januari 2016, een brief van prof. dr. J.P.H. Drenth van het Radboud Universitair Medisch Centrum (UMC) van 8 februari 2016, een brief van de verpleegafdeling Heelkunde van het Radboud UMC van 18 maart 2016 en brieven van eisers hoofdbehandelaar, chirurg dr. A.J.A. Bremers van het Radboud UMC van 22 april 2016, 12 april 2016 (lees: mei 2016), en 10 juni 2016.

4. Bij verweerschrift van 4 mei 2016 heeft verweerder verwezen naar een aanvullend BMA-advies van 2 mei 2016. Naar aanleiding van de nadien door eiser overgelegde brieven van het Radboud UMC heeft het BMA op 25 mei 2016 nog een aanvullend advies uitgebracht. In een aanvullend verweerschrift van 27 juni 2016 heeft verweerder geconcludeerd dat uit de BMA-adviezen nog altijd volgt dat behandeling en medicatie aanwezig is in het land van herkomst. Ook de laatste brief van het Radboud UMC van 10 juni 2016 biedt geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de uitgebrachte BMA-adviezen, aldus verweerder.


De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de (Vw oud) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

6. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer de uitspraak van 27 mei 2008 in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05, JV 2008/266) uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens een dwingende toestand van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan volgens deze jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.

7. Verweerder heeft aan het inzake eiser genomen bestreden besluit het BMA-advies van 20 oktober 2015 ten grondslag gelegd. Naar aanleiding van de beroepsgronden en de in beroep overgelegde medische stukken zijn aanvullende BMA-adviezen van 2 en 25 mei 2016 uitgebracht.

8. Het BMA-advies van 20 oktober 2015 vermeldt in antwoord 1b als aard van de klachten van eiser het volgende. Eiser heeft een chronische levercirrose op basis van een chronische hepatitis B infectie, met portale hypertensie en slokdarmvaricesbloedingen. Hij is verder bekend met een insulineafhankelijke diabetes mellitus, diabetische neuropathie en een (stabiele) angina pectoris. Voorts wordt vermeld dat eiser zich in april 2014 in ziekenhuis VieCurie (Venlo) heeft gemeld met het verzoek om een levertransplantatie. Eiser is “hiervoor beoordeeld door het Erasmus MC (Rotterdam) en afgewezen omdat hij niet aan de medische criteria voldoet om daarvoor in aanmerking te komen. Recidief slokdarmvaricesbloedingen werden enkele keren behandeld met rubberband-ligatie. Bloedende aambeien werden eveneens met rubberband-ligatie behandeld. In augustus 2014 is gestart met antivirale behandeling van de hepatitis infectie, met goede respons. Als klachten worden genoemd jeuk, opgezette benen en rectaal bloedverlies. Het beeld is stabiel, zo geeft de behandelaar aan.”

Het BMA-advies vermeldt in antwoord 2b dat eiser onder controle staat van een gastro-enteroloog en dat behandeling en controle blijvend noodzakelijk is. Voorts ontvangt eiser een achttal medicijnen, waaronder entecavir 0.5 mg.

Het BMA-advies vermeldt in antwoord 3 dat de chronische levercirrose onder de gegeven behandeling zich niet in een terminaal en levensbedreigend stadium bevindt. De aandoening is behandelbaar maar niet te genezen. Met insuline injecties is geen sprake van een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte.

Het BMA-advies vermeldt in antwoord 4b dat bij uitblijven van behandeling binnen afzienbare termijn de levercirrose verder zal toenemen. De verwachting is niet dat hierdoor de leverfunctie (ontgifting) dusdanig snel zal afnemen dat dit binnen de genoemde periode levensbedreigend is. Indien slokdarmvarices opnieuw gaan bloeden, kan dit onbehandeld leiden tot een snel levensbedreigende hemodynamische complicatie. De insuline afhankelijke suikerziekte kan onbehandeld binnen afzienbare tijd levensbedreigend zijn.

Het BMA-advies vermeldt in antwoord 5 dat eiser in staat wordt geacht te reizen zonder dat enige medische voorziening noodzakelijk is.

Het BMA-advies vermeldt in antwoord 6a dat de behandeling voor de klachten van eiser in Armenië aanwezig is. Het advies vermeldt in antwoord 6b dat uit het brondocument BMA 7051 van 27 juli 2015 (hierna: Bron A) blijkt dat behandeling door een gastro-enteroloog aanwezig is evenals specifieke behandeling van (bloedende) slokdarmvarices, radiodiagnostische controle van de lever en specifiek laboratoriumonderzoek voor hepatitis. Met betrekking tot de genoemde medicatie vermeldt het advies dat uit het brondocument BMA 6491 van 18 maart 2015 (hierna: Bron B) blijkt dat het middel entecavir niet aanwezig is. Uit diezelfde bron blijkt dat tenofovir wel aanwezig is. Uit bron A blijkt bovendien dat interferon alfa 2a aanwezig is. Beide middelen worden in het farmacotherapeutisch kompas genoemd als geschikte middelen voor (initiële) behandeling van chronische Hepatitis B.

9. Het aanvullende BMA-advies van 2 mei 2016 vermeldt dat het BMA-advies van 20 oktober 2015 gehandhaafd kan worden. Dit is als volgt gemotiveerd.
1) Uit de informatie van de behandelaar blijkt dat op dit moment er geen behandelbare varices zijn, met de behandeling is een en ander onder controle. Met andere woorden, er is nu geen indicatie voor behandeling van de slokdarmvarices. Zou die indicatie er wel zijn, dan geldt hetgeen hieronder vermeld is onder punt 2.
2) Indien behandeling wel noodzakelijk is, dan blijkt uit Bron A dat deze behandeling aanwezig is.
3) Aangegeven wordt dat tenofovir niet geregistreerd is in Armenië. Een adviserend arts behoeft echter geen antwoord te geven of een middel geregistreerd is in Armenië. Een adviserend arts geeft antwoord of een middel aanwezig is. Uit het antwoord van Bron B blijkt dat het middel aanwezig is en dat het niet via de apotheek, maar via het National Center for AIDS Prevention SNO geleverd wordt. In het BMA van 20 oktober 2015 is dan ook terecht gesteld dat het middel tenofovir aanwezig is.

10. Het aanvullend BMA-advies van 25 mei 2016 vermeldt dat eisers ziekenhuisopname van 5 april 2016 tot en met 2 mei 2016 betrekking heeft op een behandeling voor complicaties die ontstonden na een ingreep voor aambeien. Eiser kon in redelijke conditie ontslagen worden. Uit het bijgevoegde brondocument 7625 van 29 december 2015 blijkt dat behandeling door een chirurg in Armenië mogelijk is en de controles kunnen daar voortgezet worden. De aandoening beïnvloedt de reisvaardigheid niet. Het eerdere BMA-advies kan gehandhaafd blijven.

11.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag een BMA-advies worden aangemerkt als deskundigenadvies. Verweerder mag een advies van het BMA aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen, op voorwaarde dat hij zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht ervan heeft vergewist dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Als daarvan sprake is, kan alleen worden afgedaan aan de conclusies van het deskundigenadvies door een andersluidend advies van een deskundige.

12. Gelet op bovengenoemde BMA-adviezen voert verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht aan dat de specifieke klachten van eiser kenbaar bij de advisering door het BMA zijn betrokken. Uit de enkele omstandigheid dat de medische situatie van de 48-jarige Armeense vrouw, waarop Bron A is gebaseerd, niet geheel overeenkomt met die van eiser, volgt niet dat het BMA eisers specifieke klachten niet bij de beoordeling van de voor hem aanwezige behandelmogelijkheden in Armenië heeft betrokken. De stelling van eiser dat het BMA-advies van 20 oktober 2015 onvoldoende inzichtelijk is en dat verweerder onvoldoende onderzoek verricht zou hebben, volgt de rechtbank niet. Uit het BMA-advies blijkt immers dat de informatie van de behandelaars, waaronder de door eiser overgelegde informatie van de Armeense artsen, is meegewogen bij de beoordeling. Vastgesteld is dat de chronische levercirrose onder de gegeven behandeling zich niet in een terminaal en levensbedreigend stadium bevindt. De aandoening is behandelbaar maar niet te genezen. Het BMA-advies vermeldt verder dat eiser onder controle staat van een gastro-enteroloog en dat (medicamenteuze) behandeling en controle blijvend noodzakelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank is het BMA-advies derhalve voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent, zodat verweerder deze terecht aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

13. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door eiser in de periode van 25 december 2015 tot en met 10 juni 2016 overgelegde medische stukken geen aanknopingspunten bieden om de juistheid van de BMA-adviezen in twijfel te trekken. Niet is gebleken dat de gezondheidssituatie van eiser alsnog is verslechterd. Integendeel, uit de verklaring van prof. dr. J.P.H. Drenth van 8 februari 2016 blijkt juist dat de toegepaste therapie adequaat is en er geen behandelbare varices zijn. Daarnaast bevestigen de aanvullende BMA-adviezen van 2 en 25 mei 2016 andermaal dat behandelmogelijkheden in Armenië aanwezig zijn. Evenmin is gebleken dat de benodigde medicatie niet verkrijgbaar is in het land van herkomst.

14. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een ziekte in een vergevorderd en levensbedreigend stadium. Bij uitzetting van eiser is daarom niet op medische gronden sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.

15. De rechtbank concludeert tot slot dat verweerder op basis van de verkregen BMA-adviezen terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000.

16. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.