Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14968

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
AWB 16/21061
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Beroep op hardheidsclausule

- Beoordelingsvrijheid

- Motivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/21061

V-nummers: [nummers]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 december 2016 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

[eiseres 1] , eiseres 1, en

[eiseres 2] , eiseres 2,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. K. Wijnmalen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2015 heeft verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking staatssecretaris’ afgewezen.

Bij besluit van 29 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2016. Eisers en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.

2. In geschil is of verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen. Met andere woorden: leidt het tegenwerpen van het vereiste dat eisers over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hadden moeten beschikken, tot een onbillijkheid van overwegende aard?

3. De rechtbank stelt voorop dat verweerder beoordelingsvrijheid heeft bij zijn beslissing of de hardheidsclausule moet worden toegepast. Dit betekent dat de rechtbank deze beslissing terughoudend moet toetsen.

4. Deze toetsing door de rechtbank houdt in dat wordt getoetst of verweerder het zorgvuldigheidsvereiste in acht heeft genomen en de relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij zijn beslissing heeft betrokken. Verweerder heeft de door eisers aangevoerde feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling betrokken, zoals het tragische overlijden in Nederland van [kleinzoon], kleinzoon, respectievelijk neef van eisers, dat [kleinzoon] in Nederland is begraven en dat eisers regelmatig het graf willen bezoeken, dat eiser samen met zijn echtgenote [kleinzoon] heeft opgevoed, dat eiser van hoge leeftijd is en dat bij eisers sprake is van gezondheidsklachten.

5. De beroepsgronden komen erop neer dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom al deze aangevoerde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, niet hebben geleid tot toepassing van de hardheidsclausule. Het is echter aan verweerder, gelet op zijn beoordelingsvrijheid, om daaraan meer of minder gewicht toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De ter zitting aangehaalde brief van de minister van 21 februari 2007 aan de voorzitter van de Tweede Kamer had te maken met het grote aantal zogeheten “14-1 zaken”. Deze zaken gaan over de toezegging van toenmalig minister Nawijn aan VWN over het zorgvuldig kijken naar de zaken van mensen die een beroep doen op de discretionaire bevoegdheid van verweerder. Enerzijds betreft het de categorie langdurig in Nederland verblijvende uitgeprocedeerde asielzoekers; dat geldt niet voor eisers. Los daarvan geldt dat de in die brief genoemde omstandigheden een rol kunnen spelen, maar niet doorslaggevend zijn voor vergunningverlening. Dat kan ook niet, gelet op de beoordelingsvrijheid van verweerder. Deze brief leidt daarom niet tot een ander oordeel.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 5 december 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.