Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14894

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3580
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/542
V-N 2017/15.2.2
FutD 2017-0598 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/3580

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk), eiser
(gemachtigde: mr. J.H. Sligchers),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 30 maart 2016 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2012 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] en [persoon 2] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is opgeleid tot piloot en werkt als gezagvoerder van passagiersvliegtuigen.

In 2012 had eiser een overeenkomst met Brookfield Aviation International Ltd. (Brookfield), een in Engeland gevestigde bemiddelaar voor onder meer piloten.

2. Uit het “Statement of Earnings”, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort, blijkt dat eiser in 2012 een bedrag van € 130.553 aan inkomsten heeft genoten en dat hij in dat jaar alleen voor Ryanair heeft gevlogen.

3. Eiser is heel 2012 woonachtig in Nederland en doet voor dat jaar aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 91.764, welk bedrag hij heeft berekend door op zijn inkomsten - naast daarmee verband houdende kosten - de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling in mindering te brengen.

4. Verweerder heeft zich bij de aanslagregeling op het standpunt gesteld dat sprake is van loon uit dienstbetrekking en heeft daarom de kosten, de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling niet in aftrek toegestaan. De aanslag is daarop vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 130.533.

5. In geschil is of de inkomsten kwalificeren als winst uit onderneming (eiser) als loon uit dienstbetrekking (verweerder primair) of resultaat uit overige werkzaamheden (verweerder subsidiair).

6. Eiser heeft voor zijn standpunt dat sprake is van winst uit onderneming - in de kern - het volgende aangevoerd:

  • -

    Zoals uit het contract met Brookfield blijkt, wordt geen dienstverband beoogd. Eiser wordt in het contract dan ook aangeduid als “self employed/sole trader”;

  • -

    Eiser mag zich laten vervangen en er is dus geen verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid;

  • -

    Eiser is de gezagvoerder. Hij bepaalt of het vliegtuig opstijgt;

  • -

    Eiser ontvangt alleen betaling voor de lengte van de vlucht. Hij ontvangt geen aanvullende vergoedingen. Eventuele vertragingen op een vlucht komen voor rekening van eiser en als hij besluit niet op te stijgen, wordt hij niet betaald;

  • -

    Eiser heeft jaarlijks hoge investeringen om zijn beroep te mogen uitoefenen;

  • -

    Eiser loopt debiteurenrisico.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat hij als vrije beroepsbeoefenaar winst uit onderneming geniet. Voor de beoordeling daarvan is het tussen partijen gesloten contract van belang, maar ook de wijze waarop in de dagelijkse praktijk uitvoering wordt gegeven aan de werkzaamheden. De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser vliegt voor Ryanair oorspronkelijk op basis van een contract met Brookfield uit 2008. Daaruit volgt dat eiser exclusief vliegt voor Ryanair namens Brookfield. Het is eiser op grond van artikel 7 van het contract ook niet toegestaan als piloot voor derden te werken, noch direct bij een luchtvaartmaatschappij, noch via een derde bemiddelaar, zonder toestemming van Brookfield. Eiser is in dat verband op grond van de artikelen 17 en 18 van het contract onder omstandigheden zelfs een afkoopsom aan Brookfield verschuldigd. Voorts blijkt uit artikel 2 van het contract en de bijlage bij het contract dat eiser niet zelf de prijs bepaalt, maar wordt betaald op basis van een door Brookfield vastgestelde ‘fee payable per hour’ die voor iedere ingehuurde piloot geldt. Dit een en ander doet af aan de voor winst uit onderneming vereiste zelfstandigheid. Ook overigens blijkt niet dat eiser een zelfstandige positie inneemt ten aanzien van Brookfield of Ryanair. Dat eiser als gezagvoerder bepaalde (soms verstrekkende) beslissingen neemt is een gevolg van de verantwoordelijkheden die het beroep met zich meebrengt, maar geen argument voor zelfstandigheid. Dat geldt evenzeer voor het gegeven dat eiser slechts per (lengte van de) vlucht wordt betaald. Het door eiser gelopen debiteurenrisico is - als daarvan in de praktijk al sprake is geweest - niet veel groter dan het risico dat ook een werknemer of resultaatgenieter loopt of hij de laatst verrichte werkzaamheden krijgt vergoed.

Weliswaar werkt eiser vanaf juni 2012 via een gewijzigd contract met Brookfield en vanuit een vennootschap waarin hij de aandelen houdt, maar feitelijk is de (contracts)verhouding en de uitvoering van de werkzaamheden niet wezenlijk gewijzigd, zodat dat niet leidt tot een ander oordeel.

8. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van een dienstbetrekking, dan wel van resultaat uit overige werkzaamheden.

9. De rechtbank is, gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd en de stukken die zij hebben overgelegd, van oordeel dat in onderhavig geval sprake is van een dienstbetrekking. Van een dienstbetrekking is sprake indien de werkzaamheden persoonlijk dienen te worden verricht in een gezagsverhouding en daarvoor loon wordt betaald. De rechtbank is van oordeel dat eiser, anders dan hij stelt, de werkzaamheden persoonlijk dient te verrichten. Hij is immers gekwalificeerd om de werkzaamheden uit te voeren en feitelijk niet in staat om voor willekeurige vervanging door een derde te zorgen. Dat hij zich onder meer in geval van ziekte in overleg met Brookfield kan laten vervangen door een andere door Brookfield gecontracteerde piloot uit de “pool van Brookfield” maakt niet dat hij de werkzaamheden niet in beginsel zelf dient uit te voeren en vormt ook geen feitelijk door eiser geregelde vervanging. De aard van de werkzaamheden en de contractuele verhoudingen tot Brookfield en Ryanair brengen dat ook met zich mee.

Eiser werkt naar het oordeel van de rechtbank ook in gezagsverhouding tot Brookfield, ook al wordt een belangrijk deel van het gezag feitelijk uitgeoefend door Ryanair. In het contract met Brookfield zijn een groot aantal verplichtingen opgenomen waaraan eiser zich in verhouding tot Brookfield en Ryanair dient te houden. Brookfield en Ryanair en niet eiser zijn ook aansprakelijk voor de kwaliteit van het geleverde. Eiser zal aanwijzingen en instructies van de zijde van (in het bijzonder Ryanair) bij de uitvoering van de werkzaamheden dienen op te volgen en daarvan zal in de praktijk door Ryanair ook gebruik zijn gemaakt. De omstandigheid dat eiser als gezagvoerder van een passagiersvliegtuig (soms verstrekkende) beslissingen moet nemen, is inherent aan het beroep, maar doet aan de gezagsverhouding niet af.

De omstandigheid dat eiser alleen wordt betaald voor de lengte van de vlucht en dat hij niet wordt betaald als hij niet opstijgt, doet voorts niet af aan het feit dat de betaling kwalificeert als loon.

De verhouding tussen eiser en Brookfield dient dan ook als een arbeidsovereenkomst (al dan niet een uitzendovereenkomst) in de zin van het Burgerlijk Wetboek te worden aangemerkt.

10. Eiser heeft ter zitting nog gesteld dat hij de kosten voor zogenoemde SIM-sessies die nodig zijn om zijn kennis op peil te houden, in aftrek wenst te brengen als zijnde beroepskosten. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de aftrek van arbeidskosten voor personen die inkomsten uit dienstbetrekking genieten, reeds is afgeschaft bij de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. De kosten komen derhalve niet voor aftrek in aanmerking. Dat, naar eiser heeft gesteld, het kosten betreft die normaliter door de werkgever (belastingvrij) (kunnen) worden vergoed, maakt dit niet anders. Zo hiermee een beroep wordt gedaan op het gelijkheidsbeginsel, wijst de rechtbank op het arrest van 8 juli 2005, nr. 39 870, ECLI:NL:HR:2005:AQ7212 waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat geen sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van enerzijds werknemers die geen kostenvergoeding ontvangen en anderzijds werknemers die wel een kostenvergoeding ontvangen.

Voor zover eiser nog heeft gesteld dat er sprake is van intermediaire kosten is de rechtbank van oordeel dat – anders dan eiser stelt en wat er ook zij van de aftrekbaarheid van dergelijke kosten – daarvan geen sprake is nu het hier geen kosten betreft die ten behoeve van de werkgever zijn voorgeschoten of zijn gemaakt ten behoeve van zaken die tot het vermogen van de werkgever behoren.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen behoeft het subsidiaire standpunt van verweerder geen bespreking meer en is het beroep ongegrond verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.