Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14755

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
C/09/515171 / HA RK 16-362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Aansprakelijkheid voor letselschade veroorzaakt door paard (artikel 6:179 BW). Echtgenote jegens echtgenoot aansprakelijk op basis van koetsiersverzekering. Beroep op HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:162, gaat niet op.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3781
NJF 2017/31
RAV 2017/28
VR 2018/30
JA 2017/32 met annotatie van Y. Bosschaart
PS-Updates.nl 2016-0493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/515171 / HA RK 16-362

Beschikking van 22 november 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. H. van Ommen te Utrecht,

tegen

1 [verweerster sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de naamloze vennootschap naar buitenlands recht

ALLIANZ BENELUX N.V., handelend onder de naam LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

statutair gevestigd te Brussel, mede kantoorhoudende te Rotterdam,

verweersters,

advocaat mr. M.R. Lauxtermann te Amsterdam.

Partijen worden hierna afzonderlijk [verzoeker] , [verweerster sub 1] en London genoemd. Verweersters worden tezamen aangeduid als London c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 20 juli 2016, met producties;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen op 3 oktober 2016, met producties.

1.2.

Op 11 oktober 2016 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hierbij zijn, voor zover van belang, verschenen: [verzoeker] , vergezeld van [verweerster sub 1] , bijgestaan door mr. Van Ommen voornoemd en mr. I.E. Zwart, alsmede de heer [de schadebehandelaar] (schadebehandelaar) namens London, bijgestaan door mr. Lauxtermann voornoemd. Mr. Van Ommen heeft ter zitting een nadere productie (een urenspecificatie) overgelegd.

1.3.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] en [verweerster sub 1] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Tot de huwelijksgemeenschap behoort een paard, genaamd [X] (hierna: het paard). Het paard is getraind om als trekpaard voor een koets te lopen.

2.2.

[verweerster sub 1] beschikt over een menbewijs (voorheen geheten: koetsiersbewijs), voor het eerst afgegeven op 24 maart 2007 door de Stichting Rijvaardigheidsbewijzen Recreatieruiter en sindsdien steeds verlengd, laatstelijk tot 24 maart 2017.

2.3.

Op 29 juni 2008 maakten [verzoeker] en [verweerster sub 1] , samen met hun dochter [de dochter] , een rit met een koets, die door middel van een enkelspan werd voortgetrokken door het paard. [verweerster sub 1] zat rechts voorin op de bok in de hoedanigheid van koetsier, [verzoeker] zat als groom (assistent) links voorin op de bok en [de dochter] zat rechts achterin de koets op het bankje. Bij het binnenrijden van de plaats Oud Ade (gemeente Kaag en Braassem) over de Leidseweg werd het paard onrustig nadat het was geschrokken, waarschijnlijk van een klapperend dekzeil van een nabijgelegen roeiboot. [verzoeker] is toen, op verzoek van [verweerster sub 1] , links naast het paard gaan lopen (met zijn rug naar de koets toe) in de hoop dat het paard zou kalmeren. Op dat moment kwam vanuit tegengestelde richting een auto aanrijden. De bestuurder van de auto heeft, toen hij zag dat het paard onrustig was, zijn auto tot stilstand gebracht. Het paard heeft [verzoeker] vervolgens tegen de auto aangeduwd, waarna de koets over zijn benen is gereden. Hierbij is het rechterbeen van [verzoeker] verbrijzeld.

2.4.

Sinds het ongeval is [verzoeker] onder behandeling bij verschillende medische disciplines. Na vier jaar behandeling en revalidatie is besloten om het rechterbeen van [verzoeker] tot boven de knie te amputeren. [verzoeker] heeft in totaal 22 operaties moeten ondergaan.

2.5.

[verzoeker] heeft in eerste instantie zijn AVP-verzekeraar Interpolis aangesproken voor zijn schade. Interpolis heeft [verzoeker] bij brief van 19 januari 2010 laten weten dat de aansprakelijkheidsverzekering geen dekking biedt voor de door hemzelf geleden schade. Bij latere brieven is aan dit standpunt vastgehouden.

2.6.

Vervolgens heeft [verzoeker] bij brief van 26 april 2012 Allianz, de WAM-verzekeraar van de bij het ongeval betrokken auto, aansprakelijk gesteld. Allianz heeft aansprakelijkheid bij brief van 21 mei 2012 afgewezen met een beroep op overmacht. Bij brief van

8 november 2012 heeft Allianz het beroep op overmacht gehandhaafd.

2.7.

Eveneens bij brief van 26 april 2012 heeft [verzoeker] London, bij welke maatschappij [verweerster sub 1] – via Hippo International – een koetsiersverzekering heeft afgesloten, aansprakelijk gesteld. Ook London heeft, onder meer bij brieven van 16 oktober 2013 en

26 november 2013, aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.8.

Op de koetsiersverzekering zijn van toepassing het “clausuleblad behorende bij polisnummer 3018670” (hierna: het clausuleblad) en de “bijzondere voorwaarden AVP021” (hierna: de bijzondere voorwaarden).

2.9.

Artikel 1 van het clausuleblad luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Verzekerden

In tegenstelling tot artikel 1.1 sub a t/m h en artikel 1.2 van de voorwaarden AVP021 zijn verzekerden in de zin van deze polis uitsluitend:

A: houders van een ruitersbewijs

B: houders van een koetsierbewijs (enkelspan en/of tweespan en/of vierspan), mits zij het daarvoor (voor het tweespan en/of vierspan) geldende SRR examen met goed gevolg hebben afgelegd, en uitsluitend tijdens recreatieve ritten op de openbare wegen en in het terrein, in hun hoedanigheid van particulier.

(…)

Onder houders van een ruiter en/of koetsierbewijs wordt verstaan ieder natuurlijk persoon in het bezit van een geldig ruiter- en/of koetsiersbewijs dat is afgegeven door de Stichting Rijvaardigheidsbewijzen Recreatieruiter SRR.

(…)”

2.10.

In artikel 3.1 van de in 2.9 vermeld citaat genoemde bijzondere voorwaarden (AVP021) is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“3.1 Aansprakelijkheid/schade

Verzekerd is de aansprakelijkheid van verzekerden in hun bovengenoemde hoedanigheid voor schade veroorzaakt of ontstaan tijdens de verzekeringsduur, (…).

Overal waar in deze voorwaarden wordt gesproken over schade wordt hieronder verstaan: schade aan personen en schade aan zaken.

  • -

    Onder schade aan personen wordt verstaan: schade door letsel of aantasting van de gezondheid van personen, al dan niet de dood ten gevolge hebbend, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende schade.

  • -

    Onder schade aan zaken wordt verstaan: schade door beschadiging en/of vernietiging en/of verloren gaan van zaken van anderen dan verzekerden, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende schade.”

2.11.

De aansprakelijkheid van verzekerde als particulier is uitgesloten (artikel 2 AVP021 jo. artikel 2 laatste zin van het clausuleblad).

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek van [verzoeker] – zoals dat thans, na vermindering van het verzoek ter zitting, luidt – strekt ertoe, bij wijze van deelgeschil:

  • -

    te verklaren voor recht dat London jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 29 juni 2008 geleden schade en dat London gehouden is deze schade aan hem te vergoeden,

  • -

    met begroting van de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten van rechtsbijstand en veroordeling van London in die kosten.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt [verzoeker] dat [verweerster sub 1] op grond van artikel 6:179 BW voor (de gevolgen van) het ongeval aansprakelijk is. Het ongeval is immers veroorzaakt door de eigen energie van het paard. Ten tijde van het ongeval was [verweerster sub 1] , in haar hoedanigheid van koetsier, tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd voor schade veroorzaakt of ontstaan tijdens de looptijd van de door haar afgesloten koetsiersverzekering. Dit betreft een bijzondere aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren, op grond waarvan alleen [verweerster sub 1] , als houdster van een koetsiersbewijs, verzekerd is. Daarmee is zij volledig aansprakelijk voor de geleden schade door derden. Het feit dat [verzoeker] mede-bezitter van het paard is staat daaraan, anders dan bij een gewone AVP-verzekering, niet in de weg.

3.3.

London voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Opmerkingen vooraf

4.1.

Hoewel dit onduidelijk in de kop van het verzoekschrift is vermeld, begrijpt de rechtbank dat het verzoek is gericht tegen zowel [verweerster sub 1] (verweerster sub 1) als tegen haar koetsiersverzekeraar (verweerster sub 2). Hiervan is in het – namens beide verweersters ingediende – verweerschrift ook uitgegaan.

4.2.

Gebleken is dat wat betreft verweerster sub 2 abusievelijk een onjuiste tenaamstelling in het verzoekschrift is opgenomen. De koetsiersverzekeraar van [verweerster sub 1] is immers Allianz Benelux N.V. (handelend onder de naam London Verzekeringen N.V.). [verzoeker] heeft deze omissie ter zitting (mondeling) hersteld. Om praktische redenen en nu London c.s. hiervan geen punt heeft gemaakt, gaat de rechtbank van de juiste tenaamstelling uit zoals in de kop van deze beschikking reeds is weergegeven.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat, nu [verzoeker] ter zitting te kennen heeft gegeven dat het onder 1. in het petitum opgenomen verzoek als ingetrokken kan worden beschouwd, thans nog slechts het onder 2. geformuleerde verzoek aan de orde is. De rechtbank leest dit verzoek, gelet op de toelichting in het verzoekschrift, als een verzoek te verklaren voor recht dat [verweerster sub 1] jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade en dat – met een beroep op artikel 7:954 lid 1 BW – London gehouden is deze schade rechtstreeks aan [verzoeker] te vergoeden.

Behandeling in een deelgeschilprocedure

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat thans alleen nog de aansprakelijkheidsvraag aan de orde is. Niet in geschil is dat deze vraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan worden gesteld. De verzochte beslissing kan bovendien een bijdrage leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De zaak is dan ook geschikt voor behandeling in deelgeschil.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.

Kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of [verweerster sub 1] aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade.

4.6.

Vast staat dat het ongeval niet is veroorzaakt door een onrechtmatige gedraging van [verweerster sub 1] zelf, maar door de eigen energie van het paard. In beginsel is [verweerster sub 1] dan ook op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk voor de door het paard aangerichte schade. London c.s. heeft zich echter op het standpunt gesteld dat in dit geval, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 29 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:162), [verweerster sub 1] jegens [verzoeker] niet aansprakelijk is voor zijn schade, nu artikel 6:179 BW zich niet uitstrekt tot personen die de hoedanigheid van medebezitter hebben. De rechtbank volgt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt.

4.7.

In de zaak die heeft geleid tot voornoemde uitspraak van de Hoge Raad stelde een vrouw haar echtgenoot en zijn verzekeraar op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk voor (een deel van) de schade die zij had geleden nadat zij in botsing was gekomen met één van hun gezamenlijke manegepaarden. De vrouw baseerde deze aansprakelijkstelling op het feit dat haar echtgenoot medebezitter van het betreffende paard was. De Hoge Raad komt in genoemde uitspraak tot het oordeel dat er geen ruimte is om onderlinge aanspraken van medebezitters toe te staan ter zake van schade veroorzaakt door het eigen onberekenbare gedrag van een dier. De Hoge Raad heeft hierbij acht geslagen op de ratio van artikel 6:179 BW enerzijds en het verzekeringsbelang anderzijds. De Hoge Raad overwoog onder meer: “In verband met het onberekenbare element dat in de eigen energie van (ook) huisdieren is gelegen, ligt voor de hand dat schade veroorzaakt door dieren regelmatig zal voorkomen. Indien medebezitters daaraan aanspraken jegens elkaar kunnen ontlenen, kan dit leiden tot een toename van claims die moeilijk te beoordelen zijn. Het risico dat een dier schade toebrengt aan een medebezitter, welke schade veelal in gezinsverband zal optreden, valt ook anderszins te verzekeren, bijvoorbeeld in geval van een schade aan de persoon door middel van een ongevallenverzekering.” (r.o. 3.6.4) Het oordeel van de Hoge Raad luidt dat artikel 6:179 BW geen aansprakelijkheid vestigt jegens personen die de hoedanigheid van (mede)bezitter van het dier hebben.

4.8.

Zoals hiervoor reeds is overwogen was de aansprakelijkstelling in de zaak die tot het arrest van de Hoge Raad leidde gebaseerd op het feit dat de echtgenoot medebezitter van het betreffende paard was. Het achterliggende motief van deze aansprakelijkstelling was de (algemene) aansprakelijkheidsverzekering van deze echtgenoot, die het echtpaar ten behoeve van hen beiden had afgesloten en waarbij de aansprakelijkheid van de verzekerde in de hoedanigheid van particulier was gedekt. Op dit punt is sprake van een cruciaal verschil met de onderhavige zaak. In dit geval spreekt [verzoeker] zijn echtgenote immers niet aan in haar hoedanigheid van (mede)bezitter, maar in haar hoedanigheid van koetsier, welke hoedanigheid is verzekerd via de koetsiersverzekering van [verweerster sub 1] bij London. Deze bijzondere aansprakelijkheidsverzekering geldt, in tegenstelling tot een algemene aansprakelijkheidsverzekering, niet ten behoeve van beide echtgenoten, maar alleen ten behoeve van [verweerster sub 1] . Alleen [verweerster sub 1] is immers, als houdster van een koetsiersbewijs, verzekerde onder de polis (zie artikel 1 van het clausuleblad, weergegeven in 2.9.). De verzekering ‘hangt’ dus niet aan het bezit van het dier, maar aan de hoedanigheid van koetsier. Dit maakt dat het beroep van London c.s. op de uitspraak van de Hoge Raad van 29 januari 2016 niet opgaat en dat [verzoeker] , als derde, zijn echtgenote wel degelijk kan aanspreken voor de door hem als gevolg van het ongeval geleden schade. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat deze schade op grond van het bepaalde in artikel 3.1 van de bijzondere voorwaarden is verzekerd onder de polis (vgl. 2.10.).

4.9.

Het voorgaande leidt tot toewijzing van het verzoek als na te melden.

Kosten deelgeschil

4.10.

Op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv dienen de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te worden begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Of de kosten redelijk zijn, hangt ervan af of het redelijk is dat de kosten zijn gemaakt en of de omvang van de kosten redelijk is.

4.11.

De rechtbank neemt, nu op dit punt geen verweer is gevoerd, tot uitgangspunt dat het op zichzelf redelijk is dat aan de zijde van [verzoeker] kosten in verband met het onderhavige deelgeschil zijn gemaakt. De rechtbank zal derhalve overgaan tot begroting van de kosten.

4.12.

Mr. Van Ommen heeft, onder overlegging van een tweetal urenspecificaties, verzocht bij de begroting van de kosten uit te gaan van een tijdsbesteding van 40,3 uur in totaal, een uurtarief van € 245, 6% kantoorkosten en 21% btw. London c.s. heeft alleen bezwaar gemaakt tegen het aantal in rekening gebrachte uren.

4.13.

De rechtbank stelt voorop dat voor de begroting van de kosten in het kader van artikel 1019aa Rv in beginsel uitsluitend de kosten in aanmerking komen die direct verband houden met de gevoerde deelgeschilprocedure. Hiervan is in de als productie 12 bij het verzoekschrift overgelegde urenspecificatie geen sprake. Die specificatie ziet immers op de vanaf eind 2013 verrichte werkzaamheden, terwijl het onderhavige verzoekschrift pas op

20 juli 2016 is ingediend. De rechtbank zal in het navolgende alleen rekening houden met de werkzaamheden vanaf (althans verbonden aan) het opmaken van het verzoekschrift (met enkele voorwerkzaamheden) tot en met de behandeling ter zitting.

4.14.

Voor het opstellen van het verzoekschrift is in totaal bijna 14 uur in rekening gebracht. Daarnaast is, in de ter zitting overgelegde urenspecificatie, uitgegaan van 6 uur aan jurisprudentieonderzoek. De rechtbank acht deze tijdsbesteding voor een ervaren en op dit gebied gespecialiseerde advocaat fors, mede gelet op de beperkte en overzichtelijke omvang van het geschil. De rechtbank acht het redelijk om het aantal aan de zaak bestede uren te matigen tot 20 uur in totaal (12 uur voor het opstellen van het verzoekschrift en overige (voor)werkzaamheden en 8 uur voor nadien nog verrichte werkzaamheden, inclusief mondelinge behandeling). De kosten worden derhalve begroot op een bedrag van € 6.284,74 (20 uur x € 245, vermeerderd met kantooropslag van 6% en btw van 21%). Deze kosten zullen worden vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 288, zodat het totaal uitkomt op een bedrag van € 6.572,74.

4.15.

Nu de aansprakelijkheid van [verweerster sub 1] in deze beschikking wordt vastgesteld, zal London, zoals door [verzoeker] verzocht, worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat [verweerster sub 1] jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 29 juni 2008 geleden schade en dat London gehouden is deze schade rechtstreeks aan hem te vergoeden;

5.2.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 6.572,74 en veroordeelt London om dit bedrag aan [verzoeker] te betalen;

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Bockwinkel en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2016.1

1 type: 2163