Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1468

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2032
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend aan familiepark Drievliet. Beroep gegrond, Rechtsgevolgen in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 15/2032 en 15/2878

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2016 in de zaak tussen

1 [eiser 1], te [plaats], eiser sub 1,

(gemachtigde: mr. B.J.P. Stramrood),

2 [eiser 2], te [plaats], eiser sub 2,

gezamenlijk te noemen: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Familiepark Drievliet B.V., te Den Haag, vergunninghoudster (hierna: Drievliet)

(gemachtigde: mr. P. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Drievliet een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), verleend.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2016.

Eiser sub 1, bijgestaan door zijn gemachtigde, en eiser sub 2 zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens Drievliet is [persoon A] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 27 januari 2014 is een omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen en in strijd met het bestemmingsplan “Rotterdamsebaan” gebruiken van een indoorhal op het attractiepark Drievliet, Jan Thijssenweg 16, te Den Haag.

2. De nog te bouwen indoorhal is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat deze deels komt te liggen binnen de bestemming ‘Agrarisch’ en op de dubbelbestemming ‘Leiding-Hoogspanning’. De beoogde vestiging van een zelfbedieningsrestaurant in de toekomstige hal is voorts in strijd met de gebruiksregels. De voorziene indoorhal krijgt een oppervlakte van 15.000 m2, terwijl de grondoppervlakte van gebouwen maximaal 750 m2 mag bedragen en het bestemmingsvlak voor ten hoogste 14% mag worden bebouwd. De indoorhal krijgt verschillende hoogtes van 6, 10, 12 en 14 meter, waarmee de maximaal toegestane bouwhoogte van 3,50 meter wordt overschreden. Wat betreft de hoogte en de oppervlakte worden de bouwregels overschreden. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft verweerder met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning verleend.

3. Eiser sub 1 is eigenaar en bewoner van het rijksmonument [landgoed X] (hierna: het landgoed) dat is gelegen ten noordwesten van Drievliet. Hij heeft aangevoerd dat de indoorhal en de bijbehorende inpassingsmaatregelen binnen de zichtlijnen van de landgoedbiotoop van het landgoed komen te liggen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij de [stichting X] (hierna: de Stichting) de historische zichtlijnen en de contour van de landgoedbiotoop in kaart laten brengen, waaruit ook blijkt dat verweerder uitgaat van onjuiste zichtlijnen. Eiser sub 1 heeft voorts betoogd dat verweerder de aanvraag ten onrechte niet aan artikel 2.3.6. van de Verordening ruimte van de provincie Zuid‑Holland 2014 (hierna: de Verordening) heeft getoetst. Vervolgens heeft hij gesteld dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met de Verordening, nu de voorziene ruimtelijke ontwikkeling de waarden van de landgoedbiotoop zal aantasten en deze niet is gericht op verbetering of versterking van de landgoedbiotoop. Ook bevat de vergunning ten onrechte geen beeldkwaliteitsparagraaf. Naar de mening van eiser sub 1 is slechts het bedrijfseconomisch belang van Drievliet gebaat bij de beoogde indoorhal en er is dan ook geen sprake van een zwaarwegend algemeen belang op grond waarvan afgeweken mag worden van artikel 2.3.6 van de Verordening. Tot slot heeft eiser sub 1 gesteld dat verweerder ten onrechte geen alternatieven voor de ligging, omvang en vormgeving van de indoorhal heeft onderzocht.

4. Eiser sub 2 heeft zich op het standpunt gesteld dat nut en noodzaak van de indoorhal ontbreken en dat geen onderzoek is gedaan naar de levensvatbaarheid van een dergelijk complex. Er is naar zijn mening geen sprake van een groot openbaar belang, nu de beoogde indoorhal ook gerealiseerd zou kunnen worden in één van de vele leegstaande gebouwen. Volgens eiser sub 2 worden de cultuurhistorische en landschappelijke waarden ernstig aangetast en zijn de belangen van de omwonenden niet meegewogen. De indoorhal zal gedurende het gehele jaar open zijn en geluids- en stankoverlast veroorzaken voor al dan niet beschermde diersoorten en hun leefomgeving. Verweerder heeft hiernaar onvoldoende onderzoek gedaan. Eiser sub 2 heeft voorts nog naar voren gebracht dat de buurtbewoners van Drievliet en omgeving een mooi park is beloofd door de gemeente Rijswijk en dat het aanleggen van een dergelijk park als voorwaarde aan de verleende vergunning verbonden had moeten worden. Tot slot vreest eiser sub 2 een waardedaling van zijn woning als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en hij wenst duidelijkheid omtrent eventuele compensatie.

Ontvankelijkheid

5.1

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eisers belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient betrokkene een voldoende objectief en actueel persoonlijk belang te hebben, dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

5.2

Eiser sub 1 is eigenaar van het naast Drievliet gelegen landgoed. Hij dient dan ook als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb te worden aangemerkt.

5.3

Eiser sub 2 woont in [park X] te [plaats]. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat zijn woning op een ruime afstand ligt van de plaats waar de nieuwe bebouwing zal komen en zich tussen de woning en de voorziene indoorhal weilanden met aan weerszijden een rij bomen bevinden. Ter zitting is aan de hand van foto’s aannemelijk geworden dat eiser sub 2 vanaf zijn perceel direct zicht heeft op de nog te realiseren indoorhal, gelet op de bouwmassa daarvan. Dit zicht wordt door de hoogte en de omvang van de indoorhal niet ontnomen door een rij wilgen, ook niet als deze blad dragen. Onder deze omstandigheden is ook eiser sub 2 belanghebbende bij het bestreden besluit.

Inhoudelijk

6.1

Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank stelt vast dat het gebruik van de gronden voor een indoorhal in strijd is met het bestemmingsplan. De aan verweerder toekomende bevoegdheid tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning is discretionair van aard. Dit betekent dat dient te worden gerespecteerd dat verweerder over een zekere mate van vrijheid beschikt om naar eigen inzicht en goeddunken uitvoering te geven aan die bevoegdheid. De beslissing om al dan niet de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in afwijking van het geldende bestemmingsplan is afhankelijk van de inzichten die bij verweerder bestaan over de gewenste planologische ontwikkelingen in het betreffende gebied en de mogelijkheden die in de visie van verweerder daartoe bestaan. De door de rechtbank uit te voeren toetsing zal zich om die reden dienen te beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot de verlening van de in geding zijnde omgevingsvergunning heeft kunnen komen. Verder is bij de aan te leggen toets van belang of verweerder met het nemen van het bestreden besluit in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.

6.2

Ten behoeve van de omgevingsvergunning is door LBP Sight een ruimtelijke onderbouwing “Drievliet Nieuwbouw Indoorhal” van 8 april 2014 opgesteld. In de ruimtelijke onderbouwing is op alle ruimtelijk relevante consequenties van het project voor de omgeving ingegaan en is een motivering gegeven waarom afwijking van het geldend planologisch regime niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is gemotiveerd aangegeven dat het plan past binnen de doelstellingen van het rijks, provinciaal en het actuele gemeentelijke beleid. In het kader van artikel 3:2 van de Awb is een volledige inventarisatie van feiten, omstandigheden en belangen gemaakt. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat in het kader van de ruimtelijke onderbouwing elementen ten onrechte niet meegewogen, niet onderzocht of buiten beschouwing gelaten zijn.

7.1

Ten aanzien van de toepasselijkheid van de Verordening stelt de rechtbank vast dat deze van toepassing is op bestemmingsplannen. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening moet onder ‘bestemmingsplan’ mede worden verstaan een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. In dit geval is afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3, van de Wabo, zodat de Verordening van toepassing is op het bestreden besluit.

7.2

Ingevolge artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening kan een bestemmingsplan voor gronden binnen de landgoedbiotopen en de kasteelbiotopen, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 9 Cultureel erfgoed’ (hierna: de kaart), voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voor zover geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de landgoed- en kasteelbiotoop. De rechtbank stelt vast dat op de kaart de contour van de landgoedbiotoop van het landgoed is weergegeven. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat de voorgenomen indoorhal buiten de contour van deze landgoedbiotoop wordt gerealiseerd. Nu de ruimtelijke ontwikkeling voor de hal niet ziet op gronden binnen de landgoedbiotoop, behoefde verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, deze ontwikkeling niet te toetsen aan artikel 2.3.6 van de Verordening.

In hetgeen eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen uitgaan van de op de kaart verbeelde contour omdat deze niet overeenstemt met de contour, zoals de Stichting die heeft bepaald aan de hand van de zichtlijnen, gebaseerd op het cultuurhistorisch ontwerp van het landgoed.

7.3

Naar het oordeel van de rechtbank is dit anders voor de inpassingsmaatregelen, nu uit de ruimtelijke onderbouwing ook volgt dat de grond rondom de hal, die zal worden gebruikt voor de landschappelijke inpassing, ligt op de grens van het gebied dat is aangewezen als landgoedbiotoop. De inpassingsmaatregelen zien dus niet op gronden die buiten de landgoedbiotoop liggen. Dat betekent dat verweerder de ontwikkeling voor de inpassingsmaatregelen had moeten toetsen aan artikel 2.3.6 van de Verordening. Nu dit niet is gebeurd, is het bestreden besluit ten aanzien van de inpassingsmaatregelen niet voorbereid met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid. De beroepen zijn dan ook gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de inpassingsmaatregelen.

8.1

Aan de hand van het navolgende en de overige beroepsgronden zal de rechtbank onderzoeken of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen ten aanzien van de inpassingsmaatregelen in stand te laten.

8.2

Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de hal aan de zijde van het landgoed wordt ingepast door een aarden wal die tegen de hal wordt aangelegd en beplant. De rechtbank acht aannemelijk, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, dat de hal juist door deze landschappelijke inpassingsmaatregelen aan het zicht wordt onttrokken. Voorts brengt een redelijke uitleg van de ruimtelijke onderbouwing met zich dat de inpassingsmaatregelen tot op de grens zullen worden gerealiseerd en in ieder geval niet daaroverheen. Ook wordt het effect van de hal op het landgoed door de inpassingsmaatregelen verminderd en worden de waarden van het landgoed daarmee beschermd. Nu, zoals hiervoor is overwogen, de voorziene ruimtelijke ontwikkeling van de hal buiten de contour van de landgoedbiotoop ligt, heeft verweerder het terecht in het belang van de landgoedbiotoop geacht de hal zoveel mogelijk te laten opgaan in de omgeving door de voorgestelde inpassingsmaatregelen. Naar het oordeel van de rechtbank vindt met deze inpassingsmaatregelen dan ook geen aantasting van de waarde van de landgoedbiotoop plaats. Dat betekent dat de inpassingsmaatregelen niet in strijd met de Verordening zijn. Gegeven de beoordelingsruimte die verweerder hierbij toekomt, heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de inpassingsmaatregelen ruimtelijk inpasbaar zijn.

8.3

Eisers betogen tevergeefs dat verweerder ten onrechte geen alternatieven voor de omvang en de ligging van de indoorhal heeft onderzocht. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) vormt het bouwplan zoals dat is ingediend het uitgangspunt bij de beoordeling of een omgevingsvergunning dient te worden verleend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (zie onder meer uitspraak van 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2514).

Eiser sub 2 heeft het nut en de noodzaak van de indoorhal in twijfel getrokken. In de ruimtelijke onderbouwing is de noodzaak van de indoorhal bij Drievliet gemotiveerd. Hierbij is gewezen op de mogelijkheid voor Drievliet om bij slecht weer en ook in de winterperiode attracties te kunnen aanbieden. In hetgeen eisers hebben aangevoerd heeft verweerder niet hoeven aannemen dat alternatieven bestaan waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

8.4

Voor zover eiser sub 2 heeft gesteld dat het gebruik van de indoorhal zal leiden tot overlast voor al dan niet beschermde diersoorten en hun leefomgeving, heeft hij hiermee een norm uit de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ingeroepen. Het daadwerkelijke belang waarin eiser sub 2 dreigt te worden geraakt, is het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3666, behoeft niet in alle gevallen op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Ffw met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden. In dit geval is van belang dat tussen de woning van eiser sub 2 en het plangebied weilanden en bomenrijen liggen. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het plangebied daarom geen deel uit van de directe leefomgeving van eiser sub 2. De ingeroepen normen van de Ffw strekken dan ook kennelijk niet tot bescherming van zijn belangen, zodat deze beroepsgrond gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

8.5

Eiser sub 2 heeft verder niet nader onderbouwd betoogd dat de geluidsbelasting is onderschat. Verweerder heeft een akoestisch onderzoek, als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing, aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft geen grond om aan te nemen dat het onderzoek dat verweerder in aanmerking heeft genomen, niet zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins onjuist zou zijn.

8.6

Eisers hebben geen twijfel doen ontstaan aan verweerders conclusie dat realisatie van de ruimtelijke ontwikkeling niet aan een goed leef- en woonklimaat in de weg staat. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten. Dat er, zoals eiser sub 2 heeft betoogd, afspraken zijn gemaakt met de gemeente Rijswijk over het realiseren van een park, is een omstandigheid die geen betrekking heeft op de verleende omgevingsvergunning. Voor zover schade zal ontstaan door het bouwplan, wat thans nog niet aan de orde is, kunnen eisers een verzoek om tegemoetkoming in geleden planschade bij verweerder indienen. Of sprake is van aan verweerder toe te rekenen schade dient in het kader van een dergelijke aanvraag te worden beoordeeld.

8.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit geheel in stand blijven.

9.1

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser sub 1 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

9.2

Voor eiser sub 2 zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van de inpassingsmaatregelen;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan zowel eiser sub 1 als eiser sub 2 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser sub 1 tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L. Frenkel, voorzitter, mr. H. Lagas en mr. dr. F.M.J. den Houdijker, leden, in aanwezigheid van mr. A.W.W. Koppe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.