Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14676

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
AWB 15 / 16479
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gegrond beroep tegen de afwijzing van een aanvraag op grond van het kinderpardon. De zaak betreft een gezin uit Bosnië dat al sinds 2008 met hun zoon in een azc verblijft. Volgens verweerder werd niet voldaan aan de eis dat men desgevraagd moet hebben meegewerkt aan het vertrek. De rechtbank is van oordeel op geen enkele wijze blijkt dat verweerder bij zijn standpunt heeft betrokken de ernstige en langdurige psychische gezondheidsproblemen van de vader. Het lijkt erop dat in dit bijzondere geval niet aan eisers kan worden tegengeworpen dat zij in twee vertrekgesprekken hebben gezegd niet te zullen meewerken aan hun vertrek. Het is dus maar zeer de vraag of verweerder zijn standpunt in het bestreden besluit met een andere motivering overeind kan houden, aldus de rechtbank. Naschrift: tegen deze uitspraak werd geen hoger beroep ingesteld. Verweerder nam – ondanks de niet mis te verstane overwegingen van de rechtbank - een nieuw afwijzend besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/16479

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2016 in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser 1

[eiser 2] , eiser 2

[eiseres] , eiseres

gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F.M. Saive).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking verband houdende met het doel “niet-tijdelijke humanitaire omstandigheden op grond van de Definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen” (de Regeling), afgewezen.

Bij besluit van 12 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en een tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn een gezin en zijn burgers van Bosnië-Herzegovina. Eiser 1 is geboren op [geboortedatum] 2001 en eiser 2 en eiseres zijn de vader en moeder van eiser 1. Eisers zijn eind 2008 naar Nederland gevlucht en hebben hier tot 2013 verschillende procedures doorlopen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te krijgen. Deze procedures eindigden uiteindelijk met de uitspraak van 3 april 2013 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij het hoger beroep van eisers ongegrond werd verklaard.

2. Eiser 2 lijdt aan zeer ernstige psychische gezondheidsklachten en hij is hiervoor sinds zijn aankomst in Nederland eind 2008 onder behandeling. Verder is bij eiser 2 in 2013 lymfeklierkanker geconstateerd, waarvoor hij in dat jaar behandeld is. Vanaf 2012 heeft eiser 2 verschillende procedures op grond van artikel 64 van de Vw 2000 gevoerd. Dit resulteerde twee keer in een uitstel van vertrek voor het gezin, namelijk van 23 oktober 2013 tot 23 oktober 2014 en van 7 mei 2015 tot 7 mei 2016. Thans loopt een nieuwe aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Eisers hebben, ook in de periodes dat zij waren uitgeprocedeerd, steeds opvang in een asielzoekerscentrum (azc) gekregen vanwege de gezondheidstoestand van eiser 2.

3. Op 21 januari 2015 hebben eisers de aanvragen om een verblijfsvergunning op grond van het zogenoemde kinderpardon ingediend.

4. De aanvragen zijn afgewezen, omdat verweerder zich (samengevat) op het standpunt stelt dat eisers onvoldoende hebben meegewerkt aan hun vertrek. Dit is een contra-indicatie als bedoeld onder e van paragraaf B9/6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Verweerder baseert zich op een advies van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van 24 februari 2015. Hieruit blijkt dat eisers zich nooit hebben gemeld bij de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) of de DT&V voor hulp bij het verkrijgen van de vereiste (reis)documenten. Daarnaast heeft eiser 2 in vertrekgesprekken verklaard niet te zullen terugkeren naar Bosnië-Herzegovina. In het bestreden besluit is verweerder bij zijn standpunt gebleven.

5. Eisers zijn het met het bestreden besluit oneens. Zij hebben (kort samengevat) aangevoerd dat verweerder zich bij de vraag of zij hebben meegewerkt aan hun vertrek onvoldoende rekening heeft gehouden met de ernstige medische omstandigheden van eiser 2. Aan eiser 2 is meerdere keren uitstel van vertrek verleend en ook in de periodes dat dit uitstel van vertrek niet gold, was sprake van zeer ernstige psychische klachten. Van hen kon worden verlangd dat meewerkten aan hun vertrek. Voorts hebben eisers zich beroepen op artikel 8 van het EVRM. Zij hebben gewezen op de lange duur van het verblijf van eiser 1 in Nederland, het feit dat hij naar school gaat, daar zeer goed presteert en dat hij het Nederlands volledig beheerst. Volgens eisers heeft verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen. Eiser 1 heeft daar ter zitting nog aan toegevoegd dat hij (kort gezegd) een “normaal leven” wil, net zoals zijn Nederlandse klasgenoten.

6. De Regeling is thans neergelegd in paragraaf B9/6.1 van de Vc 2000 en luidt, voor zover van belang, als volgt:

Hoofdpersoon

De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling:

a. die jonger is dan 19 jaar op het moment van de aanvraag;

b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én

d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.

Gezinsleden

De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op het moment van de beoordeling deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B7. Het toetsmoment is het moment van de aanvraag.

Onder gezinsleden verstaat de IND:

• ouders.

Paragraaf B9/6.2 van de Vc 2000 luidt, voor zover van belang, als volgt:

De IND verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van de volgende contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geconstateerd worden:

a. de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid;

b. de vreemdeling is al houder van een verblijfsvergunning;

c. de vreemdeling is onderdaan van een lidstaat van de EU/EER;

d. de vreemdeling heeft de identiteit of nationaliteit niet kunnen aantonen door onder meer het overleggen van documenten of consistent en naar waarheid verklaren en antwoorden;

e. de vreemdeling heeft niet meegewerkt aan zijn vertrek; of

f. de vreemdeling heeft de Europese Unie aantoonbaar verlaten.

De IND neemt aan dat de vreemdeling heeft meegewerkt aan zijn vertrek als hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:

1. de vertegenwoordiging van de eigen autoriteiten of die van een ander land waartoe toegang kan worden verkregen;

2. de IOM, en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek te realiseren om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de vreemdeling; en

3. de DT&V, ten behoeve van facilitering bij het verkrijgen van de vereiste (reis)documenten en deze dienst heeft aangegeven dat dit niet is geslaagd om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de vreemdeling.

7. In dit geval voldoen eisers aan alle voorwaarden voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Onbestreden is dat eisers (zoals omschreven in het advies van DT&V) niet hebben meegewerkt aan hun vertrek. Evenmin staat ter discussie dat verweerder op grond van het hiervoor omschreven beleid in beginsel mag verlangen dat betrokkenen meewerken aan hun vertrek uit Nederland. Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of verweerder in dit geval, gelet op de ernstige medische klachten van eiser 2, van eisers in redelijkheid kon verlangen dat zij (meer dan zij hebben gedaan) meewerkten aan hun vertrek.

8. Uit het procesdossier blijkt dat eiser 2 bekend is met een chronische posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis, met psychotische kenmerken, die hij heeft opgelopen tijdens de oorlog in Bosnië in 1992-1996 en de jaren daarna. In die zin is het asielrelaas van eisers destijds overigens ook geloofwaardig bevonden. Verder blijkt uit het dossier dat eiser 2 al sinds zijn aankomst in Nederland in december 2008 doorlopend voor zijn psychische klachten in behandeling is geweest bij de GGzE. Ook ten tijde van de door verweerder gevorderde medewerking van eisers door middel van de vertrekgesprekken was bij eiser 2 sprake van deze zeer ernstige psychische klachten. Dit wordt bevestigd in de adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 1 mei 2012, 21 augustus 2012, 12 september 2013 en 20 januari 2015. Gelet hierop kan aan het feit dat eiser 2 diverse malen in vertrekgesprekken heeft aangegeven niet te willen meewerken aan terugkeer en aan het feit dat hij zonder opgaaf van redenen tweemaal niet is verschenen niet zo maar de conclusie worden verbonden dat hij dus weigerde mee te werken aan het vertrek. Dit geldt voor de periodes dat aan eisers uitstel van vertrek was verleend, maar ook voor de periodes dat dit niet het geval was. In die periodes was immers, zo moet op basis van de hiervoor genoemde dossierstukken worden geconcludeerd, sprake van dezelfde ernstige psychische gezondheidsklachten. Uit het bestreden besluit (en het daaraan ten grondslag liggende advies van de DT&V) blijkt op geen enkele wijze dat verweerder de ernstige psychische problemen van eiser 2 heeft betrokken bij de vraag of in redelijkheid van het gezin kon worden verlangd stappen te ondernemen om invulling te geven aan hun vertrekplicht. In die zin is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en dus genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen reden voor het toepassen voor de bestuurlijke lus, gelet op de ernst van het motiveringsgesprek. Het lijkt erop dat in dit bijzondere geval niet aan eisers kan worden tegengeworpen dat zij niet hebben meegewerkt aan hun vertrek en het is dus maar zeer de vraag of verweerder zijn standpunt in het bestreden besluit met een andere motivering overeind kan houden.

9. Op grond van het voorgaande is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd. Aan de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet meer toe.

Ten overvloede wenst de rechter nog op te merken dat zij er (met verweerder, zo is ter zitting gebleken) respect voor heeft hoe eiser 1 zich staande heeft weten te houden onder de moeilijke omstandigheden waarin hij is opgegroeid (de gezondheidstoestand van zijn vader en het leven op een azc) en dat bewonderenswaardig is dat hij er ondanks die omstandigheden in is geslaagd zeer succesvol te zijn op school.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt binnen zes weken na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.J. Wenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2016.

w.g. S. Wenders,

griffier

w.g. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 mei 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.