Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14674

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
05-12-2016
Zaaknummer
16/25770, 16/25774 en 16/25788
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

opvolgende aanvragen, Dublin België, geen nova

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/25770, 16/25774 en 16/25778 (beroepen)

AWB 16/25772, 16/25778 en 16/25790 (verzoeken)

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 december 2016 in de zaken tussen

[naam 1], eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,

[naam 2] , eiser en verzoeker, hierna: eiser 1,

[naam 3] , eiser en verzoeker, hierna: eiser 2,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde mr. A.J.P. Lemmen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij drie afzonderlijke besluiten van 7 november 2016 (hierna: de bestreden besluiten), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), heeft verweerder de opvolgende asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de overdracht van eisers achterwege te laten totdat op de beroepen is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016. Eiseres en eiser 1 zijn verschenen. De gemachtigde van eisers heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet te zullen verschijnen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers (zus, broer en zoon van broer) zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum], [geboortedatum] en [geboortedatum] en bezitten de Servische nationaliteit. Eisers hebben op 1 november 2016 aanvragen ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eisers hebben driemaal eerder in Nederland een asielaanvraag ingediend. De eerste aanvraag van eiseres is op 24 juli 2014 afgewezen, omdat België verantwoordelijk was voor de behandeling ervan. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 augustus 2014 (AWB 14/17404), ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 5 september 2014 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd (nr. 201406904/1/V2). De eerste aanvragen van eiser 1 en eiser 2 zijn op 19 juni 2014 afgewezen, omdat België verantwoordelijk was voor de behandeling ervan. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 september 2014 (AWB 14/14419) is hun verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Nu eiser 1 en eiser 2 hun beroep hebben ingetrokken, is het besluit in rechte komen vast te staan.

3. De tweede aanvragen van eisers zijn bij afzonderlijke besluiten van 19 maart 2015 afgewezen, omdat aan de aanvragen geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) ten grondslag waren gelegd. België was nog immer verantwoordelijk voor de behandeling ervan. De hiertegen ingestelde beroepen zijn bij mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 april 2015 (AWB 15/5778, 15/5780 en 15/5783) ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hadden verzoekers geen rechtens relevante nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb aangevoerd. Op 23 april 2015 zijn eisers overgedragen aan België.

4. De derde aanvragen van eisers zijn bij afzonderlijke besluiten van 3 maart 2016 niet in behandeling genomen, met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Verweerder heeft op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) België verantwoordelijk gehouden voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers. Bij brief van 23 december 2015 hebben de Belgische autoriteiten het overnameverzoek geaccepteerd (claimakkoord). Op 7 juni 2016 heeft verweerder de Belgische autoriteiten laten weten dat eisers zijn verdwenen en dat overdracht binnen de overdrachtstermijn niet mogelijk was.

5. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder, onder verwijzing naar de besluiten van 3 maart 2016, de onderhavige asielaanvragen niet in behandeling genomen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Met verwijzing naar de voornemens van 3 november 2016 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de claim van 23 december 2015 niet is geëffectueerd, daarom van kracht blijft en België verantwoordelijk blijft voor de asielaanvragen van eisers. Nu eisers voor de overdracht met onbekende bestemming zijn vertrokken, is het claimakkoord verlengd tot 23 juni 2017.

6. Op hetgeen eisers in beroep hebben aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt:

7. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), wordt een asielaanvraag niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

8. Op grond van artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of deels afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

9. Het bestreden besluit is van gelijke strekking als het besluit van 3 maart 2016.

Ingevolge de uitspraak van 22 juni 2016 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2016:1759) dient de rechtbank te toetsen of verweerder in het licht van de daar tegen aangevoerde beroepsgronden niet ten onrechte tot het bestreden besluit is gekomen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hetgeen eisers naar voren hebben gebracht niet kan worden beschouwd als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Anders dan eisers hebben gesteld, is uit informatie van de Belgische autoriteiten gebleken dat zij zich na het besluit van 3 maart 2016 niet bij de Belgische autoriteiten hebben gemeld. Evenmin hebben eisers met documenten aangetoond dat zij na 3 maart 2016 terug zijn geweest in Servië.

11. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 6 oktober 2016 (AWB 16/204920) heeft verweerder terecht niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid aangemerkt. Deze uitspraak heeft immers betrekking op Servië als veilig land van herkomst en ziet niet op de Dublinverordening.

12. De beroepsgrond dat eisers in België niet (meer) wordt toegestaan (opvolgende) asielaanvragen in te dienen slaagt niet. Eisers hebben deze grond op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien blijkt uit het terugnameverzoek van 17 december 2015 en het daarop volgende claimakkoord van 23 december 2015 dat eisers – na afwijzing van hun eerste asielvragen in Nederland - op 31 oktober 2014 in België opvolgende asielaanvragen hebben ingediend.

13. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de aanvragen van eiseres dan ook niet ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Awb niet in behandeling genomen.

14. De beroepen zijn ongegrond. Er is geen aanleiding om de gevraagde verzoeken om voorlopige voorzieningen toe te wijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaken met AWB nummers: 16/25770, 16/25774 en 16/25788:

- verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaken met AWB nummers: 16/25772, 16/25785 en 16/25790:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover deze betrekking heeft op de beroepen, binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: