Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14653

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
09/857487-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een tweetal straatroven. Verdachte en zijn mededader hebben met geweld de mobiele telefoons van de slachtoffers, die - vroeg in de ochtend bij randstadrailstation Centrum West - samen op een bankje zaten met ieder hun mobiele telefoon in de hand, weggetrokken. Zij hebben de slachtoffers eerst bedreigd door te zeggen dat het een straatroof was en dat zij hun telefoon moesten afgeven. De verdachte heeft een slachtoffer bij haar pols vastgepakt om zo haar telefoon te kunnen pakken en zijn mededader heeft het andere slachtoffer bij zijn arm vastgepakt en die arm zodanig vastgehouden dat ook zijn telefoon kon worden weggenomen. De verdachte heeft hierbij geholpen. Een straatroof is zeer bedreigend voor de slachtoffers. Naast de geleden materiële schade kunnen de slachtoffers zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen.

De verdachte en zijn mededader hebben geen respect getoond voor de eigendommen van een ander. Zij hebben alleen aan hun eigen geldelijk gewin gedacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/857487-16

Datum uitspraak: 1 december 2016

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum]

[adres]

thans preventief gedetineerd in het Forensisch Centrum Teylingereind te

Sassenheim.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 17 november 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. Roosma en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. C.H. Remmelink, advocaat te Zoetermeer, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 augustus 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (Iphone 6s+), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal

werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- op dreigende/dwingende toon tegen die [slachtoffer 1] zeggen: "dit is een straatroof, geef je

telefoon", althans woorden van gelijke dreigende/dwingende aard en/of strekking en/of

- duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of het vastpakken van een arm van die [slachtoffer 1]

en/of die arm onder zijn, verdachte's en/of medeverdachte's, oksel te trekken/houden en/of

aan de door die [slachtoffer 1] vastgehouden telefoon te trekken;

en/of

hij op of omstreeks 06 augustus 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon (Iphone 6s+), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- op dreigende/dwingende toon tegen die [slachtoffer 1] zeggen: "dit is een straatroof, geef je

telefoon", althans woorden van gelijke dreigende/dwingende aard en/of strekking en/of

- duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of het vastpakken van een arm van die [slachtoffer 1]

en/of die arm onder zijn, verdachte's en/of medeverdachte's, oksel te trekken/houden en/of

aan de door die [slachtoffer 1] vastgehouden telefoon te trekken

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 06 augustus 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (Iphone 5s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- op dreigende/dwingende toon tegen die [slachtoffer 2] zeggen: "dit is een straatroof, geef je telefoon",

althans woorden van gelijke dreigende/dwingende aard en/of strekking en/of

- vastpakken van een pols/arm van die [slachtoffer 2] en/of die telefoon uit de hand van die [slachtoffer 2] te

pakken;

en/of

hij op of omstreeks 06 augustus 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon (Iphone 5s), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die

[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- op dreigende/dwingende toon tegen die [slachtoffer 2] zeggen: "dit is een straatroof, geef je telefoon",

althans woorden van gelijke dreigende/dwingende aard en/of strekking en/of

- vastpakken van een pols/arm van die [slachtoffer 2] en/of die telefoon uit de hand van die [slachtoffer 2] te

pakken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 10 augustus 2016 te Zoetermeer een gasbusje gevuld met Ortho-Chlorbenzylidenmalononitril, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich samen met een ander

op 6 augustus 2016 te Zoetermeer schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld dan wel afpersing van een tweetal mobiele telefoons (feit 1 en 2).

Ook dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte op 10 augustus 2016 te Zoetermeer een gasbusje gevuld met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof voorhanden heeft gehad (feit 3). De verdachte heeft dit feit bekend.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 eerste alternatief/cumulatief, feit 2 eerste alternatief/cumulatief en feit 3 heeft begaan.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de officier van justitie haar requisitoir op schrift gesteld en aan de rechtbank overgelegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van feit 1 en 2 bepleit, nu de verdachte ontkent deze feiten te hebben gepleegd en er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een veroordeling te komen. De raadsvrouw heeft hierbij aangevoerd dat de verdachte en zijn [medeverdachte] gedurende de nacht diverse malen door verbalisanten zijn aangesproken, waarbij telkens verschillende signalementen van de verdachte en [medeverdachte] zijn doorgegeven, maar waarbij wel steeds werd opgemerkt dat [medeverdachte] aanzienlijk groter is dan de verdachte. De aangevers hebben, aldus de raadsvrouw, geen melding gemaakt van dit opmerkelijke lengteverschil, maar hebben het over daders die bijna even groot zijn. Voorts zijn de gestolen goederen niet bij de verdachte noch bij [medeverdachte] aangetroffen.

De raadsvrouw heeft tevens betoogd dat er geen sprake is geweest van geweld en bedreiging met geweld nu aangeefster [slachtoffer 2] haar telefoon heeft afgegeven en het enkele vastpakken van aangever [slachtoffer 1] niet als geweld kan worden aangemerkt. Verder is de uitspraak "dit is een straatroof, geef je telefoon" niet als bedreigend te kwalificeren.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, nu de verdachte het bezit van het busje pepperspray heeft bekend.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Ten aanzien van feit 1 en 2

Op 6 augustus 2016 omstreeks 06.15 uur zat L.C. [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 2]) op een bankje op station Centrum West te Zoetermeer. Ze was samen met een vriend, [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1]). [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zaten allebei met hun mobiele telefoon in hun handen. Twee jongens kwamen op hen aflopen en een van de jongens zei “dit is een straatroof, geef je telefoon”. Een van jongens stapte naar [slachtoffer 2] toe en pakte met zijn hand haar pols beet. Hij pakte de arm waarin zij haar telefoon beet had. Ze deed haar hand open zodat de jongen de telefoon kon pakken. [slachtoffer 2] zag dat de jongen haar telefoon (Iphone 5S) pakte. Vervolgens zag ze dat de andere jongen de telefoon van [slachtoffer 1] probeerde af te pakken en dat [slachtoffer 1] zijn telefoon probeerde vast te houden. De jongen die de telefoon van haar had afgepakt, hielp bij de andere jongen met het afpakken van de telefoon van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] zag dat een jongen [slachtoffer 1] naar achteren duwde en dat de andere jongen aan de telefoon en aan [slachtoffer 1] handen trok. Ze zag dat het de jongens lukte de telefoon uit de handen van [slachtoffer 1] te trekken. De jongens renden direct weg in de richting van de Passage.

[slachtoffer 2] had deze jongens eerder op de avond gezien in café Spetters in Zoetermeer. Toen zij en [slachtoffer 1] omstreeks 06:00 uur vanaf Spetters richting het station Centrum West liepen, door het Stadshart, zag [slachtoffer 2] bovengenoemde jongens aan de andere zijde van de straat lopen. Haar was opgevallen dat de jongens naar hen keken toen zij daar liepen.

Ze had toen ook haar telefoon in haar handen. De jongens liepen ook het station op. Op het station heeft [slachtoffer 2] ze even niet gezien, totdat ze zag dat ze naar haar toe kwamen lopen.

[slachtoffer 2] geeft als signalement: beide jongens waren donker getint en rond de 20 jaar oud; één jongen was ongeveer 180 à 190 centimeter groot en had een slank en atletisch postuur; deze jongen droeg een donkerblauwe jas met capuchon; deze capuchon had hij op.

De andere jongen was groter, 190 à 200 centimeter groot; deze jongen was ook slank en had een atletisch figuur; ook hij droeg een donkere jas met capuchon.2

Ook [slachtoffer 1] verklaart dat hij op zaterdag 6 augustus 2016 omstreeks 06:00 uur vanuit café Spetters zag dat er twee jongens met hem en zijn vriendin meeliepen in de richting van station Centrum West. De jongens liepen aan de andere zijde van de winkelstraat. Op het station, bij spoor 1, is [slachtoffer 1] samen met [slachtoffer 2] op een bankje gaan zitten. Zij pakten allebei hun telefoon. [slachtoffer 1] zag dat de twee jongens die hij eerder had gezien op de halte van spoor 1 heen en weer liepen. Ze liepen minimaal twee keer langs [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] tot ze naast hen kwamen staan. [slachtoffer 1] keek op en zag dat de twee jongens binnen armlengte voor hen stonden. Voordat hij het wist, duwde de kleinere jongen hem tegen zijn linkerschouder naar achteren.

[slachtoffer 1] zag en voelde dat de langere jongen zijn telefoon (Iphone 6s+) uit zijn rechterhand wilde trekken. [slachtoffer 1] verzette zich en hield zijn telefoon goed vast. [slachtoffer 1] zag dat de langere jongen zijn hele arm vastpakte en onder zijn oksel vast zette. Wederom begon de lange jongen aan de telefoon [slachtoffer 1] te trekken.

[slachtoffer 1] hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat het het beste was om de telefoon los te laten. [slachtoffer 1] had het idee dat hij niet zou winnen van die jongens en voelde zich bang. Hij liet los omdat hij wist niet wat de jongens zouden doen als hij zijn telefoon bleef vasthouden.

[slachtoffer 1] beschrijft de daders als volgt. Dader 1: donkere huidskleur, ongeveer 1.86 meter lang, normaal postuur, donkere broek, blauwe poncho. Dader 2: donkere huidskleur, ongeveer 1.95 meter lang, breed postuur, donkere broek, blauwe poncho.3

Verbalisant Van der Geest was in de vroege ochtend van 6 augustus 2016 in uniform gekleed en belast met bikesurveillance in het Stadshart te Zoetermeer.

Omstreeks 03.30 uur zag verbalisant ter hoogte van het Stadhuisplein twee jongemannen in het Stadshart, die hij herkende als de verdachte en [medeverdachte]. De verdachte, die ongeveer 1.70 meter lang is, was gekleed in een zwartkleurige broek en droeg een donkerkleurig vest/jas. [medeverdachte], die ongeveer 1.95 meter lang is, droeg een bordeauxrode trainingsbroek en een paars/blauwe Northface jas. Verbalisant sprak de jongens aan.

Vervolgens is verbalisant Van der Geest de verdachte en [medeverdachte] vanaf 03.30 uur meerdere keren tegengekomen in het Stadshart. Om 05.15 uur zag verbalisant op de bewakingscamera’s dat de verdachte en [medeverdachte] weer op het Stadhuisplein waren. Hij stapte op de fiets en reed in die richting. Hij zag beide jongens staan en zag ze weglopen in de richting van de Markt.

Hij volgde de jongens enige tijd en sprak ze vervolgens nog eens aan. Ze liepen weg en verbalisant verloor ze uit het oog. Verbalisant fietste naar het politiebureau en hoorde aldaar dat er een straatroof had plaatsgevonden op station Centrum West.4

Ook enkele collega’s van verbalisant Van der Geest hebben twee personen gezien die rond 03.00 en 03.10 uur in of in de richting van het Stadshart liepen. Zij hebben deze personen herkend als de verdachte en [medeverdachte]. Er werd door twee verbalisanten specifiek melding gemaakt van de bordeauxrode trainingsbroek van [medeverdachte] met de tekst AS Roma.5

De camerabeelden van Randstadrailstation Centrum West zijn door de HTM verstrekt en bij het uitkijken van deze beelden blijkt dat de beroving van aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] volledig te zien is. De daders zijn twee zeer donker getinte jongens, waarvan er één een zwarte jas met capuchon, vermoedelijk van het merk Northface, draagt. Deze jongen, jongen 1, heeft onder zijn jas ook een vest aan waarvan hij de capuchon op heeft. Ook draagt hij een donkerkleurige broek en zwarte schoenen met een opvallend witte zool. Jongen 2, de langste van de twee, draagt een blauwe jas, waarvan hij de capuchon over zijn hoofd heeft, vermoedelijk ook van het merk Northface. Ook draagt hij een donkerrode broek met daaronder zwarte schoenen.

Op de beelden van camera 2114 is te zien dat om 6:18:55 uur voornoemde jongens voor de aangevers gaan staan. Vervolgens is te zien dat jongen 2 naar de hand van aangeefster [slachtoffer 2] grijpt. Zij trekt haar hand achteruit waardoor jongen 2 niet direct de telefoon kan pakken. Hij buigt naar voren en pakt haar hand vast. Hij trekt de telefoon uit haar rechterhand. Jongen 1 probeert de telefoon van aangever [slachtoffer 1] af te pakken.

[slachtoffer 1] probeert zijn telefoon weg te houden. Jongen 2 komt dichter bij aangever en neemt diens arm in een overstrekking. Hierdoor kan aangever zich kennelijk niet langer verzetten.

Jongen 2 trekt de telefoon uit de hand van aangever [slachtoffer 1] terwijl jongen 1 de overstrekking blijft vasthouden. Jongen 1 en jongen 2 rennen weg nadat ze ook de telefoon van aangever [slachtoffer 1] hebben weggenomen.

Op de beelden die zijn verstrekt van zaterdag 6 augustus 2016 tussen 06.00 uur en 06.30 uur van Randstadrailstation Centrum West zijn geen andere personen te zien dan de twee daders en de twee aangevers. Ook zijn de jongens die op de beelden van camera 2110- 2111-2112 en 2113 te zien zijn, dezelfde jongens als die de aangevers beroven, hetgeen op camera 2114 te zien is.6

Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte is een zwarte Northface jas en een blauw vest aangetroffen.7 Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte] is een blauwe Northface jas met capuchon aangetroffen8. In de fouillering van [medeverdachte] wordt een bordeauxrode trainingsbroek aangetroffen met een AS Roma embleem.9

Verbalisant Van der Geest heeft de door de HTM verstrekte camerabeelden bekeken en op de beelden direct en zonder enige twijfel de man met de donkerrode broek herkend als [medeverdachte]. Ook herkent hij direct en zonder enige twijfel de verdachte als de man met de zwartkleurige jas en de capuchon over zijn hoofd.10

De verdachte heeft bij de politie11, de rechter-commissaris12 en ook ter terechtzitting13 ontkend de straatroven op 6 augustus 2016 te hebben gepleegd. Hij heeft verklaard die nacht wel samen met [medeverdachte] te zijn geweest, maar niet op station Centrum West te zijn geweest en zichzelf ook niet op de camerabeelden van de HTM te herkennen.

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, kan worden afgeleid dat het de verdachte is, die samen met medeverdachte [medeverdachte] op de camerabeelden van de HTM te zien is, terwijl zij de aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van hun mobiele telefoon beroven. Deze diefstal is voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat de uitspraak: "dit is een straatroof, geef je telefoon", niet bedreigend is. Gelet op de combinatie van deze uitspraak met het tijdstip en de locatie van de overval en met de omstandigheid dat de aangevers op een bank zaten en de overvallers tegenover hen stonden, kon bij hen de redelijke vrees ontstaan dat de overvallers bereid waren geweld te gebruiken - hetgeen ook is gebeurd.

Verbalisant Van der Geest heeft de verdachte en [medeverdachte] gedurende de nacht van 6 augustus 2016 diverse malen in het Stadshart gezien. Hij heeft de kleding beschreven die de verdachte en [medeverdachte] die nacht droegen, die overeenkomt met de kleding die beide daders tijdens de beroving droegen. Collega’s van verbalisant Van der Geest, die de verdachte die nacht ook hebben gezien, beschrijven dezelfde kleding. De genoemde bordeauxrode trainingsbroek van A.S. Roma is bovendien aangetroffen in de fouillering van [medeverdachte].

De camerabeelden van de HTM zijn duidelijk. Op de beelden, zoals weergegeven op pagina 63 tot en met 65, is de beroving te zien. Op de beelden weergegeven op pagina 61 en 62 zijn beide daders voorts duidelijk met hun gezicht in beeld.

Verbalisant Van der Geest herkent de verdachte en [medeverdachte] ook zonder enige twijfel als de daders van de beroving. Hij kent beide verdachten en heeft hen gedurende de nacht diverse malen gezien in dezelfde kleding die op de camerabeelden te zien is.

De omstandigheid dat de kleding die op de beelden te zien is en die ook door verbalisant Van der Geest is beschreven ook bij de verdachte en [medeverdachte] is aangetroffen, sterkt de rechtbank in haar overtuiging evenals het korte tijdsbestek tussen het moment dat verbalisant Van der Geest de verdachte en [medeverdachte] voor het laatst heeft gezien, te weten omstreeks 05:15 uur, en het tijdstip van de beroving, zijnde 06:18:55 uur.

De rechtbank is voorts, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat er sprake is geweest van een dusdanig bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte dat er sprake is van medeplegen. Immers de verdachte en [medeverdachte] zijn met zijn tweeën naar de aangevers toe gelopen, er is tegen hen gezegd “dit is een straatroof, geef je telefoon”, en vlak na elkaar zijn de telefoons van de aangevers met geweld weggenomen door de verdachte en [medeverdachte], waarbij de verdachte [medeverdachte] nog heeft geholpen om de telefoon van [slachtoffer 1] te kunnen wegnemen.

De verdachte heeft aldus een bijdrage aan de beroving geleverd die van voldoende gewicht was om van medeplegen te kunnen spreken.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 eerste alternatief/cumulatief en onder 2 eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 november

2017;

- het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, met bijlagen, van de politie

Eenheid Den Haag, nr. PL1500-2016-218847, d.d. 10 augustus 2016, opgemaakt in de

wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (pagina 72/85);

- het proces-verbaal van de politie Eenheid Den Haag, team Forensische Opsporing,

nr. PL1500-2016-218847, d.d. 11 augustus 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door

een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (pagina 100/101).

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 06 augustus 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (Iphone 6s+), toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] zeggen: "dit is een straatroof, geef je telefoon" en

- duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en het vastpakken van een arm van die [slachtoffer 1]

en die arm onder zijn, medeverdachte's, oksel te houden en aan de door die [slachtoffer 1]

vastgehouden telefoon te trekken;

2.

hij op 06 augustus 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (Iphone 5s), toebehorende aan

[slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- op dreigende toon tegen die [slachtoffer 2] zeggen: "dit is een straatroof, geef je telefoon" en

- vastpakken van een pols van die [slachtoffer 2] en die telefoon uit de hand van die [slachtoffer 2] te

pakken;

3.

hij op 10 augustus 2016 te Zoetermeer een gasbusje gevuld met Ortho-Chlorbenzylidenmalononitril, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 160 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 47 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden het zich melden bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, het deelnemen aan ITB Criem gedurende de eerste drie maanden van de reclasseringsbegeleiding, het zich gedurende de eerste zes maanden houden aan een avondklok van 21.00 uur tot 06.00 uur de volgende ochtend, het volgen van een behandeling bij het Palmhuis en het zoeken van een dagbesteding.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal bevelen dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zullen zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de rechtbank, indien zij tot bewezenverklaring komt, aan de verdachte een voorwaardelijke straf zal opleggen, om de verdachte in de toekomst van strafbaar gedrag te weerhouden. Mocht de rechtbank een onvoorwaardelijke straf of maatregel opleggen, verzoekt de raadsvrouw daarbij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en om de tijd, die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, daarvan af te trekken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een tweetal straatroven. Verdachte en zijn mededader hebben met geweld de mobiele telefoons van de slachtoffers, die - vroeg in de ochtend bij randstadrailstation Centrum West - samen op een bankje zaten met ieder hun mobiele telefoon in de hand, weggetrokken. Zij hebben de slachtoffers eerst bedreigd door te zeggen dat het een straatroof was en dat zij hun telefoon moesten afgeven. Vervolgens heeft de verdachte slachtoffer Wendling bij haar pols vastgepakt om zo haar telefoon te kunnen pakken en heeft de mededader slachtoffer [slachtoffer 1] bij zijn arm vastgepakt en die arm zodanig vastgehouden dat ook zijn telefoon kon worden weggenomen. De verdachte heeft hierbij geholpen.

Een straatroof is zeer bedreigend voor de slachtoffers. Naast de geleden materiële schade kunnen de slachtoffers zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen.

De verdachte en zijn mededader hebben geen respect getoond voor de eigendommen van een ander. Zij hebben alleen aan hun eigen geldelijk gewin gedacht.

Het voorhanden hebben van een busje pepperspray is voorts verboden, omdat dit een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en andere feiten.

Van deze eerdere en bovendien recente veroordeling is kennelijk geen preventieve werking uitgegaan, nu de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de thans bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van diverse voorlichtingsrapporten van de

Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) betreffende de persoon van de verdachte, waaronder ook het meest recente rapport d.d. 4 november 2016.

Blijkens dit rapport zijn er op dit moment veel risicofactoren op het gebied van gezin, school, vrije tijd, relaties en vaardigheden. Er zijn weinig tot geen beschermende factoren, waardoor de kans op herhaling groot is. Daarnaast heeft de Raad veel zorgen over de ontwikkeling en opvoedsituatie van de verdachte. Hij functioneert in cognitief opzicht op een laag verstandelijk beperkt niveau. Op dit moment heeft hij geen dagbesteding, geen vrijetijdsbesteding en er is weinig zicht op zijn vriendenkring. De Raad maakt zich zorgen over de verdachte, omdat hij overkomt als een kwetsbare en beïnvloedbare jongen met beperkt inzicht en beperkte vaardigheden.

Vanuit de thuissituatie wordt hem weinig ondersteuning geboden. De moeder verwacht veel zelfstandigheid van de verdachte, terwijl hij dit gezien zijn niveau van functioneren nog niet aan kan. Hij heeft baat bij duidelijkheid en structuur. Hij heeft veel sturing/ begeleiding nodig. Het is van belang dat de moeder meer toezicht en controle gaat houden op haar zoon.

Om herhaling en verdere scheefgroei in de ontwikkeling van de verdachte te voorkomen is hulpverlening nodig. De Raad adviseert de maatregel toezicht en begeleiding van de William Schrikker Groep, de eerste periode uit te voeren door ITB Criem. De Raad is van mening dat ITB Criem passender is dan reguliere jeugdreclassering omdat deze aanpak intensievere begeleiding kan bieden, het gezinssysteem erbij betrekt en bovendien gespecialiseerd is in integratieproblematiek. Gezien de thans meerderjarige leeftijd van de verdachte is Reclassering Nederland overwogen, maar deze is niet passend bevonden vanwege het niveau van functioneren én omdat de verdachte een meer outreachende vorm van begeleiding nodig heeft. Mocht de verdachte schuldig bevonden worden, dan is het belangrijk dat hij de consequenties ervaart. Geadviseerd wordt behandeling bij het Palmhuis in te zetten gezien de vele zorgen omtrent vaardigheidstekorten. Voorts wordt het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie geadviseerd. Dit is een stevigere stok achter de deur voor de verdachte en noodzakelijk, omdat hij geen geringe intrinsieke motivatie lijkt te hebben ten aanzien van de jeugdreclassering. Ter ondersteuning van de moeder in het houden van toezicht en controle adviseert de Raad om een avondklok als bijzondere voorwaarde op te leggen aan de verdachte. Ook behandeling van het Palmhuis wordt geadviseerd als bijzondere voorwaarde gezien de matige motivatie van de verdachte hiervoor. Verder geeft de Raad de rechtbank in overweging om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Dit laatste omdat er veel zorgen zijn over de verdachte en zijn opvoedomgeving. Het is noodzakelijk dat de hulpverlening voor en het toezicht en de controle op de verdachte direct kunnen aanvangen om de kans op herhaling zodoende zo klein mogelijk te houden.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting is het advies van de Raad gewijzigd, in die zin dat het opleggen van een deels voorwaardelijke jeugddetentie wordt geadviseerd en niet slechts een geheel voorwaardelijke jeugddetentie. De geadviseerde bijzondere voorwaarden zijn gehandhaafd.

De rechtbank onderschrijft het advies van de Raad en zal dit opvolgen.

De op te leggen straf

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn begeleiding en behandeling te waarborgen, ziet de rechtbank aanleiding een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen, met alle door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft een stevige stok echter de deur nodig om ervoor te zorgen dat hij gemotiveerd is om aan zijn toekomst te werken en niet zal recidiveren.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal straatroven, derhalve misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Gelet op de omstandigheid dat de problematiek van de verdachte onverminderd aanwezig is en de kans op herhaling groot is, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerp (het busje pepperspray) zal worden vernietigd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw kan zich ten aanzien van het beslag verenigen met het standpunt van de officier van justitie.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 3 bewezenverklaarde feit is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van

Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder

feit 1 tweede alternatief/cumulatief en feit 2 tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder

feit 1 eerste alternatief/cumulatief, feit 2 eerste alternatief/cumulatief en feit 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feit 1 eerste alternatief/cumulatief en feit 2 eerste alternatief/cumulatief

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

feit 3

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 160 DAGEN

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 47 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1

Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de (jeugd)reclassering te houden toezicht,

bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich vanaf 1 december 2016 gedurende de proeftijd en op door de (jeugd)reclassering te

bepalen tijdstippen zal melden bij de (jeugd)reclassering, zo frequent en zo lang deze

instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de eerste drie maanden van de proeftijd zal deelnemen aan de maatregel

ITB Criem, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die

door of namens ITB Criem aan de veroordeelde zullen worden gegeven;

- zich gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd zal houden aan een avondklok,

inhoudende dat de verdachte zich tussen 21.00 uur en 06.00 uur niet buitenshuis zal

begeven, tenzij onder begeleiding van zijn moeder of een door de (jeugd)reclassering

goedgekeurde volwassene;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van het Palmhuis of een

soortgelijke instelling op tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven,

teneinde zich te laten behandelen;

- gedurende de proeftijd zal meewerken aan het vinden en behouden van een nuttige

dagbesteding, in de vorm van onderwijs of werk;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling, de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: 1.00 STK Spuitbus; kl:groen; NATO CS-GAS pepper; pepperspray.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter,

en mr. E.M.M. Smilde - Schölvinck, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2016218847, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 327.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], pagina 43/44.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 46/49.

4 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, pagina 50/53.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 54/56 en 57.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 58/65.

7 Lijst van inbeslaggenomen goederen, pagina 74.

8 Lijst van inbeslaggenomen goederen, pagina 93.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], pagina 115, met bijlagen, pagina 118/119.

10 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 66/67.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] pagina 102/106 en 107/110.

12 Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 12 augustus 2016.

13 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 17 november 2016.