Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14520

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-12-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
09-765024-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen straf voor politieagent die wegvluchtende verdachte neerschoot

De politieagent die op 6 oktober 2014 in Den Haag ter hoogte van de kruising Stationsweg/Hoefkade een wegvluchtende verdachte heeft geraakt met twee kogels, wordt door de rechtbank Den Haag veroordeeld voor poging doodslag. Hij krijgt geen straf, omdat hij onder moeilijke omstandigheden zijn werk als politieagent aan het doen was, een blanco strafblad had en deze zaak al een grote impact op hem en zijn werk heeft gehad.

Achtervolging van verdachte

De politieagent heeft die avond de achtervolging ingezet om een verdachte aan te houden. Deze verdachte veroorzaakte tijdens een achtervolging in een auto door zijn hoge snelheid (levens)gevaarlijke verkeerssituaties. Pas na een tweede politieblokkade heeft deze man noodgedwongen de auto gestopt en is hij uitgestapt en weggerend omdat hij met alcohol op achter het stuur zat.

Stressvolle situatie tijdens aanhouding verdachte

De adrenaline na de achtervolging, de druk van de aanhouding en de noodzaak om binnen zeer korte tijd een beslissing te nemen zijn stresserende omstandigheden waardoor het nemen van een ‘juiste’ beslissing, die grote gevolgen kan hebben, wordt bemoeilijkt. In deze stressvolle situatie heeft verdachte, die bevoegd was tot het gebruik van zijn vuurwapen ter aanhouding, een belangrijke stap gemist. Hij heeft geen waarschuwingsschot gelost.

Verzachtende omstandigheden

Hoewel dit een, voor deze zaak, cruciaal punt betreft, merkt de rechtbank op dat deze situatie in eerste instantie is ontstaan door toedoen van de wegvluchtende man en op meerdere momenten door hem beëindigd had kunnen worden. Verder merkt de rechtbank op dat een mondelinge waarschuwing, indien deze al met een motorhelm met gesloten vizier op gegeven had kunnen worden, door de vluchter niet zou zijn verstaan omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is en dat hij na een waarschuwingsschot naar alle waarschijnlijkheid niet zou zijn gestopt aangezien hij zelfs is blijven doorrennen nadat hij door de eerste kogel was geraakt.

Geen straf

Alles overwegende, rekening houdend met het blanco strafblad van de politieagent en de impact van deze zaak op zijn persoon en werk, is de rechtbank van oordeel dat met de constatering dat hij een strafbaar feit heeft begaan en dat hij daarvoor strafbaar is, kan worden volstaan. De rechtbank zal aan verdachte dan ook geen (voorwaardelijke) straf of maatregel opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0496

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/765024-15

Datum uitspraak: 2 december 2016

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 november 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J.J. Talsma en van hetgeen door de raadslieden van verdachte mrs. L.E.G. van der Hut en C.L.A. de Sitter, advocaten te Den Haag, door verdachte en door mrs. P.D. Popescu en A.J.J.G. Schijns, advocaten te Amsterdam, namens de benadeelde partij, [slachtoffer] , (tevens in het kader van het spreekrecht) naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 oktober 2014 in de gemeente Den Haag (ter hoogte van de kruising Stationsweg/Hoefkade) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen twee, althans een kogel(s) heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] , waarbij een (van die) kogel(s) het (achter)hoofd van die [slachtoffer] heeft geraakt, althans geschampt en/of een (van die) kogel(s) het (onder)lichaam van die [slachtoffer] is binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 oktober 2014 in de gemeente Den Haag (ter hoogte van de kruising Stationsweg/Hoefkade) aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een doorschotwond in de buik en/of perforatie(s) van de dunne darm en/of een (schamp)schotverwonding op/aan het achterhoofd door opzettelijk met een vuurwapen twee, althans een kogel(s) af te vuren in de richting van die [slachtoffer] en waarbij een (van die) kogel(s) het (onder)lichaam van die [slachtoffer] is binnengedrongen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 6 oktober 2014 onttrekt [slachtoffer] zich in Den Haag aan een controle van de politie door met zijn auto, met daarin vier inzittenden, weg te rijden. Vervolgens negeert hij een stopteken van [verbalisant 1] , die zich samen met [verbalisant 2] op de rijbaan bevindt, waardoor beide verbalisanten voor de auto opzij moeten gaan. Verdachte, die die avond dienst heeft als motoragent, is hier getuige van en zet de achtervolging in, waarbij hij via de portofoon hoort dat de auto op collega’s is ingereden. Tijdens de achtervolging ontwijkt [slachtoffer] een blokkade van een politieauto en vertoont hij zeer gevaarlijk rijgedrag door (onder meer) te rijden met veel te hoge snelheid. Achteraf blijkt dat hij alcohol heeft gedronken. De achtervolging eindigt uiteindelijk op de hoek van de Stationsweg met de Hoefkade door een blokkade van een politieauto, waarna [slachtoffer] - van wie de identiteit op dat moment onbekend is - uitstapt en wegrent om aan de politie te ontkomen. Verdachte beslist op dat moment om vanaf zijn motor aanhoudingsvuur te gebruiken, waarbij hij [slachtoffer] , die door blijft rennen, tweemaal raakt.

Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat verdachte op 6 oktober 2014 in Den Haag (ter hoogte van de kruising Stationsweg/Hoefkade)2 met een vuurwapen twee kogels3 heeft afgevuurd4 in de richting van [slachtoffer]5, waarbij de ene kogel het (achter)hoofd van [slachtoffer] heeft geraakt/geschampt en de andere kogel zijn (onder)lichaam is binnengedrongen6.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze feiten als vaststaand worden aangemerkt en zonder nadere motivering als vertrekpunt dienen voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De door de rechtbank te beantwoorden bewijsvragen zijn of verdachte met zijn handelen heeft getracht [slachtoffer] opzettelijk – al dan niet in de variant van voorwaardelijk opzet – van het leven te beroven (primair) dan wel hem opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (subsidiair).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden aangezien volgens hem sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging doodslag vanwege het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] . De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag moet ten eerste de vraag worden beantwoord of verdachte boos opzet had om een ander van het leven te beroven. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hiervan geen sprake is aangezien ieder bewijs daartoe ontbreekt.

De door de rechtbank vervolgens te beantwoorden vraag is of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat er een, naar algemene ervaringsregels, aanmerkelijke kans op de dood van een ander heeft bestaan en dat de verdachte willens en wetens die aanmerkelijke kans heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

De rechtbank dient derhalve de vragen te beantwoorden of de kans dat [slachtoffer] door de door verdachte geloste schoten zou overlijden in de gegeven omstandigheden aanmerkelijk was (het objectieve element) en, zo ja, of verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard (het subjectieve element).

Bij regulier aanhoudingsvuur zoals dat wordt onderwezen en getraind is de kans op een fataal schot niet aannemelijk te noemen. De agent richt dan immers op de benen van de aan te houden persoon en schiet vanuit een stabiele positie op een stilstaand doel op een afstand van maximaal 15 meter. De omstandigheden waaronder verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten weken echter in een aantal opzichten af van de situatie tijdens de trainingen.

Ten eerste is daar de tijdens trainingen niet getrouw na te bootsen stress, na een intensieve achtervolging7, waarvan bekend is dat deze het waarnemingsvermogen, de beslissingsvaardigheid en de fijne motoriek nadelig beïnvloeden.

Ten tweede het voor verdachte onverwachte gedrag van [slachtoffer] door, nadat hij zijn auto gedwongen had moeten stoppen vanwege een blokkade door een politieauto, te voet verder te vluchten8, waardoor verdachte zich genoodzaakt voelde direct te schieten.

En ten derde de omstandigheid dat [slachtoffer] in beweging was (voorovergebogen rennend over ongelijk terrein (opengebroken weg)) en dat verdachte direct vanaf zijn motor met zijn helm op (met gesloten vizier) en zijn motorhandschoenen aan heeft geschoten.9

Bij deze omstandigheden was het voor verdachte veel moeilijker dan in een trainingssituatie om [slachtoffer] in de benen te raken, waardoor het risico dat de afgevuurde kogels een vitaal deel van diens lichaam zou raken (en dus dodelijk zou zijn) navenant toenam. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de kans op een fataal schot in deze omstandigheden aanmerkelijk is te achten. Verdachte moet zich daar naar het oordeel van de rechtbank ook bewust van zijn geweest, gezien zijn opleiding (2002-2006), de (extra) IBT-trainingen (eenmaal per acht weken twee dagen), zijn IBT-certificering en zijn jarenlange ervaring als politieagent op straat en als lid van de Mobiele Eenheid (ME) (2006-2008), de aanhoudingseenheid (AE) (sinds 2008) en ondersteuningsgroep (OG)10. Door toch aldus te handelen, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank voornoemde aanmerkelijke kans bewust aanvaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

op 6 oktober 2014 in de gemeente Den Haag (ter hoogte van de kruising Stationsweg/Hoefkade) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen twee kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] , waarbij een van die kogels het achterhoofd van die [slachtoffer] heeft geraakt, althans geschampt en een van die kogels het (onder)lichaam van die [slachtoffer] is binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep toekomt op de rechtvaardigingsgrond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), te weten uitvoering van een wettelijk voorschrift aangezien het aanhoudingsvuur volgens hem, op grond van alle op dit moment bekende feiten en omstandigheden, niet voldoet aan de vereisten van artikel 7 van de Politiewet 2012 (hierna: de Politiewet) en de artikelen 7 en 10a van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) en de toegepaste geweldshandeling evenmin voldoet aan de eisen van proportionaliteit (artikel 7, eerste lid juncto artikel 7, vijfde lid, van de Politiewet) en subsidiariteit (artikel 7, eerste lid van de Politiewet).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een gerechtvaardigd beroep op artikel 42 Sr toekomt, aangezien hij ter uitvoering van een wettelijk voorschrift op grond van primair artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en subsidiair artikel 7 van de Politiewet (juncto artikel 7 van de Ambtsinstructie) aanhoudingsvuur heeft toegepast dat, uitgaande van de hem op dat moment bekende feiten en omstandigheden, voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdediging heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Het wettelijk kader

De bevoegdheid om een verdachte aan te houden volgt uit artikel 53 Sv. Of bij de aanhouding door een politieagent in functie geweld mag worden gebruikt, volgt uit artikel 7 van de Politiewet. Ingevolge laatstgenoemd artikel is een politieagent bevoegd geweld te gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat, zo mogelijk, een waarschuwing vooraf. De uitoefening van die bevoegdheid dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

In de artikelen 7, 10 en 10a van de Ambtsinstructie is nader uitgewerkt wanneer en op welke wijze door een politieambtenaar in functie bij aanhouding een vuurwapen mag worden gebruikt.

Een vuurwapen mag onder andere worden gebruikt om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding onttrekt en die wordt verdacht van het plegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld of van een misdrijf dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer. Van het vuurwapen wordt geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt. Bij het gebruik van een vuurwapen waarschuwt de politieambtenaar onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing, die zo nodig vervangen kan worden door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.

4.3.2

Het toetsingskader

De rechtbank stelt voorop dat bij de strafrechtelijke beoordeling van opsporingshandelingen van politieambtenaren in functie terughoudendheid moet worden betracht. De rechter mag niet, achteraf oordelend, zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van een politieambtenaar in de hitte van de strijd. Beoordeeld dient te worden of het toegepaste geweld aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet, niet of de politieagent redelijkerwijs een andere keuze had kunnen of zelfs had moeten maken.

4.3.3

Rechtmatigheid aanhouding met vuurwapen

Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat [slachtoffer] , van wie de identiteit op het moment van aanhouding onbekend was, zich aan zijn aanhouding onttrok door te vluchten. De vraag is of verdachte voorafgaand aan het door hem gebruikte aanhoudingsvuur terecht de beoordeling heeft gemaakt dat [slachtoffer] werd verdacht van het plegen van een poging tot doodslag op zijn collega(’s). De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Vast staat immers dat verdachte, voordat hij zag dat één van zijn collega’s opzij sprong voor de auto van [slachtoffer] , de auto heeft horen accelereren en dat hij via de portofoon heeft gehoord dat op collega’s was ingereden. De juistheid van de beoordeling van verdachte dat sprake was van een verdenking van een poging tot doodslag vindt bevestiging in de verklaring van de betreffende collega’s, waar onder andere uit blijkt dat collega [verbalisant 1] zich gezien de ernst van de situatie genoodzaakt zag de noodknop van zijn portofoon in te drukken om alle overige communicatie door de meldkamer voor negen seconden stil te leggen. Tevens vindt de juistheid van zijn beoordeling bevestiging in de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie ten aanzien van [slachtoffer] .

In deze situatie was verdachte naar het oordeel van de rechtbank bevoegd om het zwaarste geweldsmiddel, te weten aanhoudingsvuur, in te zetten.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank dit toegepaste geweld in de gegeven situatie niet disproportioneel en/of in strijd met het subsidiariteitsbeginsel. Het toepassen van een lichter alternatief hoefde onder de gegeven omstandigheden niet van verdachte te worden gevergd. Dat verdachte mogelijk ook andere opties zou hebben gehad, maakt niet, gezien het hiervoor gegeven toetsingskader, dat het toegepaste geweld niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet. Ten overvloede overweegt de rechtbank daarbij dat vast staat dat verdachte de achtervolging op zijn motor niet kon voortzetten doordat de weg was opengebroken, dat hij de achtervolging evenmin te voet kon voortzetten vanwege zijn motorkleding en dat zijn collega ter plaatse de achtervolging niet heeft ingezet.

4.3.4

Waarschuwing(sschot)

Verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het aanhoudingsvuur heeft geroepen: “Politie, blijf staan.” Daarmee staat vast dat hij niet mondeling de waarschuwing heeft geven dat geschoten zal worden indien het bevel tot staan blijven niet wordt opgevolgd. Verdachte had ook geen duidelijk verstaanbare mondelinge waarschuwing kunnen geven omdat hij een motorhelm met gesloten vizier droeg. Voorts staat vast dat verdachte geen waarschuwingsschot heeft gelost.

Anders dan de deskundigen (IBT-docenten) R.A.J. Waarsenburg en J.J.C. Verhoeven, is de rechtbank van oordeel dat een achtervolging (met sirenes en zwaailichten) niet aangemerkt kan worden als een (impliciete) waarschuwing dat ter aanhouding zal worden geschoten. Zeker in het geval van het inzetten van het zwaarste geweldsmiddel ter aanhouding (aanhoudingsvuur) geldt het wettelijk uitgangspunt des te meer dat de verdachte door het geven van een expliciete waarschuwing de mogelijkheid dient te krijgen om zijn verzet tegen de aanhouding te staken.

Aangezien vast staat dat verdachte geen waarschuwing(sschot) heeft gegeven, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het geven van een waarschuwing(sschot) achterwege mocht blijven vanwege omstandigheden die een waarschuwing niet toelieten.

Verdachte heeft gesteld dat, gezien de omstandigheid dat [slachtoffer] wegrende, de tijd ontbrak om eerst een waarschuwingsschot te geven om daarna, indien noodzakelijk, gericht binnen een afstand van vijftien meter te kunnen schieten ter aanhouding.

Uit de omstandigheid dat verdachte tweemaal heeft geschoten (het eerste schot op ongeveer 10 meter afstand en het tweede schot op ongeveer 12 tot 15 meter afstand van [slachtoffer] ), waarbij hij [slachtoffer] beide keren heeft geraakt, trekt de rechtbank de conclusie dat er wel ruimte was voor het geven van een waarschuwingsschot voorafgaand aan het, indien noodzakelijk, succesvol toepassen van aanhoudingsvuur. De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte heeft geschoten vanuit een stabiele noodweerscan houding, hetgeen inhoudt dat hij voorafgaand aan beide schoten de situatie en omgeving heeft gescand, zoals hij ook heeft verklaard. In deze situatie mag van een goed getrainde en ervaren politieambtenaar worden verwacht dat hij eerst een waarschuwingsschot plaatst alvorens over te gaan tot het gebruik van aanhoudingsvuur.

4.4.5

Slotsom

Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zijn bevoegdheid om aanhoudingsvuur te gebruiken niet op de juiste wijze en derhalve niet rechtmatig heeft uitgeoefend, waardoor hem geen beroep toekomt op de strafuitsluitingsgrond van artikel 42 Sr.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat hij handelde overeenkomstig zijn wettelijke bevoegdheid op grond waarvan hij wegens afwezigheid van schuld dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor (onder 4.3.4) reeds is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten onrechte heeft afgezien van het geven van een waarschuwingsschot zoals in de training conform de Politiewet en de Ambtsinstructie wordt aangeleerd. Derhalve is geen sprake van een verontschuldigbare dwaling die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis en een gevanggeniststraf van 1 dag.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gelet op de primair bepleite vrijspraak en de subsidiair bepleite ontslag van alle rechtsvervolging niet uitgelaten over de strafmaat.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag door gericht op een wegvluchtende verdachte, [slachtoffer] , te schieten. Dit is een ernstig feit dat tot zeer grote gevolgen heeft geleid. [slachtoffer] is immers geraakt in zijn hoofd en rug waardoor hij ernstig letsel heeft opgelopen, waar hij nog altijd (de blijvende) lichamelijke en psychische gevolgen van ondervindt. Verdachte heeft met het plegen van dit feit een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] .

Naast de ernst van dit feit houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft gehandeld vanuit zijn functie als politieambtenaar. De kerntaken van een politieambtenaar zijn onder meer het zorgen voor de veiligheid van burgers, het voorkomen en bestrijden van criminaliteit, het bewaken van de openbare orde en het opsporen van strafbare feiten. Verdachte heeft hieraan uitvoering gegeven door de achtervolging in te zetten ter aanhouding van [slachtoffer] , die hij op dat moment terecht aanmerkte als verdachte van een poging tot doodslag op (een) collega(’s). Tijdens de achtervolging heeft [slachtoffer] , door zijn hoge snelheid en alcoholgebruik, (levens)gevaarlijke verkeerssituaties in het leven geroepen. Pas na een tweede politieblokkade heeft [slachtoffer] noodgedwongen de auto gestopt en is hij uitgestapt en weggerend omdat hij met alcohol op achter het stuur zat.

De adrenaline na de achtervolging, de druk van de aanhouding en de noodzaak om binnen zeer korte tijd een beslissing te nemen zijn stresserende omstandigheden waardoor het nemen van een ‘juiste’ beslissing, die grote gevolgen kan hebben, wordt bemoeilijkt. In deze stressvolle situatie heeft verdachte, die bevoegd was tot het gebruik van zijn vuurwapen ter aanhouding, een belangrijke stap gemist. Verdachte heeft geen waarschuwingsschot gelost om [slachtoffer] te waarschuwen dat geschoten zou worden indien hij zijn vlucht niet zou staken. Hoewel dit een, voor deze zaak, cruciaal punt betreft, merkt de rechtbank op dat deze situatie in eerste instantie is ontstaan door toedoen van [slachtoffer] en op meerdere momenten door hem beëindigd had kunnen worden. Voorts merkt de rechtbank op dat een mondelinge waarschuwing, indien deze al met een motorhelm met gesloten vizier op gegeven had kunnen worden, door [slachtoffer] niet zou zijn verstaan omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is en dat [slachtoffer] na een waarschuwingsschot naar alle waarschijnlijkheid niet zou zijn gestopt aangezien hij zelfs is blijven doorrennen nadat hij door de eerste kogel was geraakt.

Alles overwegende, rekening houdend met het blanco strafblad van verdachte en de impact van deze zaak op zijn persoon en werk, is de rechtbank van oordeel dat met de constatering dat verdachte een strafbaar feit heeft begaan en dat hij daarvoor strafbaar is, kan worden volstaan. De rechtbank zal aan verdachte dan ook geen (voorwaardelijke) straf of maatregel opleggen.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van in totaal € 35.315,45. De vordering strekt tot vergoeding van materiële schade (€ 10.315,45) en immateriële schade (€ 25.000,--), te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij aangezien de behandeling van de omvangrijke vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gezien de primair bepleite vrijspraak en de subsidiair bepleite ontslag van alle rechtsvervolging op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, mede gezien zijn eigen aandeel in het incident, geen schadevergoeding toekomt.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Vast staat immers dat de benadeelde partij zich heeft onttrokken aan zijn aanhouding, waardoor het eigen aandeel van de benadeelde partij in de door hem gestelde schade dient te worden vastgesteld. Daarbij komt dat in het strafgeding de mogelijkheid voor beide partijen ontbreekt om ten aanzien van de letselschade nadere conclusies uit te wisselen. Gezien de omvang van de vordering en de samenhang tussen de verschillende posten is de rechtbank van oordeel dat de vordering in zijn geheel door de burgerlijke rechter dient te worden beoordeeld.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 Het toepasselijk wetsartikel

De beslissing van de rechtbank is gegrond op artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot doodslag

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd;

bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. J.A. van Steen, rechter,

mr. C.E. Voskens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Heirman-Huisman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 december 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 20140079, van de Rijksrecherche (doorgenummerd blz. 1 t/m 299), het proces-verbaal met het nummer 20140079-A, van de Rijksrecherche (doorgenummerd blz. 1 t/m 159) en het proces-verbaal met het nummer 20140079-A, van de Rijksrecherche (Vervolgonderzoek B), met bijlagen met betrekking tot het schotrestonderzoek.

2 Proces-verbaal forensische opsporing eenheid Rotterdam d.d. 4 november 2014 onder “locatie onderzoek”: (…) kruising Stationsweg – Hoefkade te Den Haag (blz. 173) en plattegrond (blz. 179).

3 Proces-verbaal forensische opsporing eenheid Rotterdam d.d. 4 november 2014: “(…) Op de kruising van de Stationsweg en de Hoefkade (…) zijn (…) twee verschoten hulzen aangetroffen. (…)” (blz. 177) Proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 3 november 2014: “(…) Bij dit dienstpistool ontving (ik) één patroonmagazijn (…) de maximum capaciteit van dit patroonmagazijn bedraagt 8 kogelpatronen. Bij ontvangst van dit patroonmagazijn zag ik dat dit patroonmagazijn gevuld was met 6 kogelpatronen. (…)” (blz. 161)

4 Proces-verbaal uitkijken camerabeelden met betrekking tot het schietincident op de hoek Hoefkade met de Stationsweg te Den Haag d.d. 8 oktober 2014: “(…) Hierna zag ik dat op 6 oktober 2014 te 21:20:39 uur de bestuurder van de politiemotor (…) zijn dienstpistool trok, richtte en schoot (…) Vervolgens zag ik dat op 6 oktober 2014 te 21:20:40 uur de bestuurder van de politiemotor (…) zijn dienstpistool (…) richtte en schoot. (…)” (blz. 37)

5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 november 2016 over het schietincident op 6 oktober 2014 te Den Haag: “Ik heb een eerste schot geplaatst, waarna hij ( [slachtoffer] ) zijn handen omhoog deed maar bleef doorrennen. Toen heb ik nog een tweede schot geplaatst, waarna ik zag dat zijn T-shirt ter hoogte van zijn billen rood kleurde.”

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, [slachtoffer] d.d. 15 oktober 2014 met betrekking tot het schietincident op 6 oktober 2014 te Den Haag: “(….) Ik werd beschoten. Ik voelde alsof iemand mij op mijn hoofd had geslagen en ik voelde mij “dizzy”, duizelig. Het was een klap. Boom. Dat voelde als een soort explosie in mijn hoofd. (…) Ik nam nog twee stappen en daarna viel ik. (…)” (blz. 151-152) Aanvraagformulier medische informatie met betrekking tot [slachtoffer] d.d. 18 oktober 2014: “(…) schotwond abdomen, schotwond hoofdhuid, hersenbloeding (…)” (blz. 284-285) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 november 2014 met daarin opgenomen foto’s van het hoofd- en buikletsel van [slachtoffer] . (blz. 43-44) Proces-verbaal forensische opsporing eenheid Rotterdam d.d. 4 november 2014: “(…) Het slachtoffer (….) is vermoedelijk doorschoten met 1 projectiel. In de jas en het hemd van het slachtoffer zijn aan de voor- en de achterzijde beschadigingen in de vorm van perforaties aangetroffen. Het slachtoffer (…) is waarschijnlijk (…) van achteren in zijn rug geschoten. In de achterzijde van de jas is een beschadiging in de vorm van een perforatie aangetroffen met om de beschadiging heen een donkere rand, mogelijk een afveegzoom. Een afveegzoom kan worden waargenomen bij een inschotbeschadiging van een afgevuurd projectiel.” (blz. 222)

7 De verklaring van verdachte ter zitting van 18 november 2016: “Hij ( [slachtoffer] ) probeerde ten koste van alles aan mij te ontkomen. Ik zag dat hij levensgevaarlijke verkeerssituaties veroorzaakte en liet veel ruimte tussen ons om hem niet op te jagen. Ik was bezig met de veiligheid van derden en mijn eigen veiligheid als motorrijder.” Proces-verbaal verhoor verdachte [betrokkene] (hij zat op de passagiersstoel in de auto bij [slachtoffer] ) d.d. 7 oktober 2014: “(…) Ik heb nog geprobeerd de sleutel uit het contact te halen (…) Iedereen in de auto heeft hem verzocht te stoppen. (…) Ik was totaal in shock wij allemaal (…) Omdat hij de politiebus had vermeden en was weggereden van de politie. En ik weet niet wat voor controle hij nog over de auto had. (…) [betrokkene] die reed als een gek en we werden achtervolgd door de politie. (…) Hij ( [slachtoffer] ) heeft onze levens en dat van anderen in gevaar gebracht.” (blz. 107, 109, 111)

8 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 november 2016: “Hij ( [slachtoffer] ) stapt heel snel uit zijn auto, hij kijkt naar mij, maar hij blijft niet staan en rent weg.” Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] d.d. 15 oktober 2014: “(…) Ik stapte uit de auto en rende (…) hard weg. (…)” (blz. 151)

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte] d.d. 7 oktober 2014: “(…) Ik zag dat de man ( [slachtoffer] ) wegrende richting het gedeelte met al het zand. (…) Op de vraag: “Wat kunt u vertellen over het eerste schot?”: Ik zat op de motor (…) Tijdens het schieten had ik mijn helm op (…) de zomermotorhandschoenen die ik tijdens het schieten droeg” (blz. 52, 53) Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 12 januari 2014: “(…) De man ( [slachtoffer] ) rende en was voorovergebogen. Door het bouwterrein met hoogte verschil is het lastig precies een houding aan te geven. (…)” (blz. 61)

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte] d.d. 7 oktober 2014, blz. 47, onder de vragen: “Wat kunt u kort verklaren over uw politieloopbaan?”, “Welke neventaken verricht u binnen de politieorganisatie?” en “Wat kunt u verklaren ten aanzien van uw IBT certificering?”.