Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14438

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
C/09/518917 / KG ZA 16-1163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gemeente Delft handelt niet onrechtmatig jegens de vakorganisaties door eenzijdig een voorlopig sociaal plan vast te stellen in het kader van een privatiseirngsbesluit. Uit de Ambtenarenwet en de CAR vloeit voor de Gemeente niet de verplichting voort tot het in de lokale overlegverordening regelen van het overeenstemmingsvereiste en evenmin tot het hierin opnemen van een geschillenregeling in de vorm van arbitrage en/of advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3598
TAR 2017/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/518917 / KG ZA 16-1163

Vonnis in kort geding van 30 november 2016

in de zaak van

1. de vereniging

FEDERATIE NEDERLANSE VAKBEWEGING (FNV),

in het bijzonder FNV Overheid,

statutair gevestigd te Amsterdam,

2. de vereniging

CNV CONNECTIEF,

in het bijzonder CNV Overheid,

statutair gevestigd te Utrecht,

eiseressen,

advocaat mr. L.C.J. Sprengers te Utrecht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DELFT,

gevestigd en kantoorhoudende te Delft,

gedaagde,

advocaat mr. C.I. van Gent te Den Haag.

Eiseressen worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de vakorganisaties’. Gedaagde zal hierna ‘de Gemeente’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de op 16 november 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 Relevante wet- en regelgeving

2.1.

In artikel 125, eerste lid, aanhef en onder m, van de Ambtenarenwet is bepaald dat, voor zover dit onderwerp niet reeds bij of krachtens de wet is geregeld, voor de ambtenaren, door of vanwege het rijk aangesteld, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, voorschriften worden vastgesteld betreffende de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren, alsmede de gevallen waarin overeenstemming in dat overleg dient te worden bereikt.

2.1.1.

In artikel 125, tweede lid, van de Ambtenarenwet is bepaald dat het bevoegd gezag van provincies, gemeenten en waterschappen voor de ambtenaar door of vanwege deze lichamen aangesteld onder gelijk voorbehoud voorschriften vaststelt omtrent de onderwerpen genoemd in het eerste lid van dit artikel.

2.2.

Binnen de sector gemeenten vindt decentraal overleg plaats door het College voor Arbeidszaken (CvA) van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG). VNG heeft blijkens artikel 2, tweede lid, van haar statuten onder meer tot doel om overeenkomsten met de werkgeversorganisaties te sluiten inzake de arbeidsvoorwaarden van personeel in de sector gemeenten. Op grond van het Reglement voor het CvA voert CvA dit overleg en sluit het arbeidsovereenkomsten inzake arbeidsvoorwaarden, waaraan de gemeente als leden van de VNG zijn gebonden.

2.3.

Een overeenkomst in de hiervoor bedoelde zin is de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR). In de CAR is ten aanzien van het overleg- en overeenstemmingsvereiste onder meer het volgende vastgelegd:

  • -

    artikel 12:1, tweede lid, bepaalt dat er een commissie is voor georganiseerd overleg (hierna: ‘de commissie GO’), die is samengesteld uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties;

  • -

    artikel 12:2, eerste lid, bepaalt dat deze commissie overleg voert over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd;

  • -

    artikel 12:2, tweede lid, bepaalt dat nadere regels worden gesteld over de werkwijze van de commissie GO en artikel 12:2, derde lid, bepaalt dat deze nadere regels moeten voorschrijven hoe moet worden gehandeld indien een geschil binnen de commissie GO niet tot overeenstemming leidt.

2.3.1.

Tussen de vakorganisaties en de VNG is tevens een Uitwerkingsovereenkomst CAR (UWO) gesloten, waarbij de Gemeente geen partij is. Blijkens de toelichting op de CAR dienen deze nadere regels in gemeenten waarvoor de UWO niet geldt in de commissie GO aan de orde te komen.

2.4.

Bedoelde nadere regels zijn binnen de Gemeente op voormelde wijze neergelegd in de Uitwerkingsregeling rechtspositie (UR), de Nadere uitwerkingsregeling rechtspositie (NUR) en in de Beleidsregels (BR). In de UR/NUR is voor zover thans van belang het volgende vastgelegd:

  • -

    artikel 12:2:2, eerste lid, bepaalt dat onder aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren als bedoeld in artikel 12:2 CAR worden verstaan a) de primaire arbeidsvoorwaarden in de UR, NUR en BR, b) alle overige rechtspositieregelingen waaraan individuele ambtenaren rechten kunnen ontlenen en waaruit voor hen verplichtingen voortvloeien en c) algemene regels, die door het gemeentebestuur zullen worden gehanteerd wanneer wordt overwogen dan wel wordt overgegaan tot wijziging van de organisatie;

  • -

    artikel 12:2:2, tweede lid, bepaalt dat besluiten betreffende de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden door het College van Burgemeester en Wethouders (hierna: ‘het College’) en de gemeenteraad niet worden genomen dan na behandeling van ontwerpbesluiten respectievelijk voorstellen daartoe in de commissie GO;

  • -

    artikel 12.2:2a bepaalt dat onverminderd het bepaalde in artikel 12:2:2 het College overleg voert in de commissie GO over organisatiewijzigingen, die voor één of meer ambtenaren leiden tot een beëindiging van het dienstverband met de Gemeente en die overgaan naar een ander regime van arbeidsvoorwaarden (privatiseringsoperaties of andere reorganisaties die ertoe leiden dat het dienstverband wordt verbroken);

  • -

    artikel 12:2:10 bepaalt dat de commissie GO bevoegd is voorstellen te doen aan het College betreffende onderwerpen die tot haar werkkring behoren;

  • -

    artikel 12:2:14, eerste lid, bepaalt dat wanneer in de vergadering van de commissie GO over een voorstel moet worden gestemd, elk der groepen één stem uitbrengt;

  • -

    artikel 12:2:14, vierde lid, bepaalt dat wanneer over enig voorstel geen overeenstemming tussen de genoemde groepen wordt bereikt, de commissie GO volstaat met de vermelding hiervan aan het College, onder vermelding van de stemverhouding bij de beide groepen, desverlangd met toelichting van de wederzijdse standpunten;

  • -

    artikel 12:2:19 bepaalt dat de UR/NUR niet kan worden gewijzigd dan nadat het voorstel tot wijziging in de commissie GO is behandeld, waarbij de commissie GO het recht heeft zelf wijzigingen voor te stellen aan het College.

3 De feiten

3.1.

Vanaf medio 2015 vindt binnen de Gemeente in het kader van een bezuinigingsoperatie onder meer in de commissie GO overleg plaats over een privatisering van de Vrije Academie voor de Kunsten (VAK) en een Sociaal Plan voor de desbetreffende medewerkers, die destijds allen als ambtenaar bij de Gemeente werkzaam waren. Tevens zijn in het kader van dit overleg de mogelijkheden besproken om te komen tot een privatisering van onder meer het zwembad alsmede tot een overkoepelend sociaal beleidskader in het kader van toekomstige verzelfstandigingen.

3.2.

Het College heeft op 15 maart 2016 een organisatiebesluit met betrekking tot de VAK genomen, inhoudende dat de VAK per 1 september 2016 wordt opgeheven. Medewerkers van de VAK is daarbij aangeboden om in dienst te treden bij de voortzettende partij DOK.

3.3.

In juni 2016 heeft de Gemeente in de commissie GO te kennen gegeven dat zij vóór 1 september 2016 wil komen tot de vaststelling van een voorlopig Sociaal Plan voor de medewerkers van de VAK. Naar aanleiding hiervan is tussen de Gemeente en de vakorganisaties discussie ontstaan over de vraag of over een dergelijk plan eerst in de commissie GO overeenstemming dient te worden bereikt alvorens het kan worden vastgesteld.

3.4.

Op 23 augustus 2016 heeft het College een voorlopig Sociaal Plan voor de medewerkers van de VAK vastgesteld per 1 september 2016, tenzij vóór 1 januari 2017 alsnog een Sociaal Plan wordt overeengekomen in de commissie GO. Indien dit Sociaal Plan gunstigere bepalingen bevat dan het vastgestelde voorlopige plan, zal dit Sociaal Plan per 1 september 2016 voor de betrokken medewerkers gelden.

3.5.

De advocaat van de vakorganisaties heeft op 5 september 2016 een juridisch advies aan zijn cliënten en het College toegestuurd, waarin hij onder meer betoogt dat het overeenstemmingsvereiste in strijd met de Ambtenarenwet in de UR/NUR niet afdoende is geregeld, nu onduidelijk is welke onderwerpen onder dit vereiste vallen. Daarnaast heeft hij betoogd dat sprake is van strijd met artikel 12:2 van de CAR, nu in de UR/NUR niet is voorzien in een geschillenregeling ingeval een geschil in de commissie GO niet tot overeenstemming leidt.

3.6.

Het College heeft bij brief van 8 september 2016 bij monde van de heer [X] , wethouder P&O (hierna: ‘de wethouder’), onder meer als volgt aan (de advocaat van) de vakorganisaties bericht:

“Uit een oogpunt van goed werkgeverschap vond ik, en met mij het college van Delft, het niet verantwoord om het personeel van De VAK langer in onzekerheid te laten over het Sociaal Plan. Vooral niet, nu de datum van 1 september naderde en nadat het overleg in het GO al geruime tijd had plaatsgevonden en dat tot dan toe niet tot de gewenste overeenstemming leidde. Een overgang zónder Sociaal Plan voor het betreffende personeel was vanuit mijn verantwoordelijkheid geen reëel alternatief voor de medewerkers. Daarom heeft het college besloten een voorlopig Sociaal Plan vast te stellen, dat de gewenste zekerheid aan het personeel biedt, met de mogelijkheid om het overleg met u voort te zetten om te bezien of alsnog tot overeenstemming kan worden gekomen.

(…)

In de eerste plaats lees ik in de aangehaalde bepalingen uit de Ambtenarenwet niet de plicht voor de betrokken overheid om een bewust achterwege gelaten voorziening – het overeenstemmingsvereiste ten aanzien van een of meerdere onderwerpen – nadrukkelijk te regelen. Het regelen van iets dat er niet is lijkt mij niet opportuun.

(…)

De heer Sprengers stelt (…) dat het bepaalde in artikel 12:2 CAR/UR vergt dat er een geschillenregeling had moeten worden vastgesteld, daarmee kennelijk implicerend dat er een regeling had moeten worden geformuleerd aan de hand waarvan een gebrek aan overeenstemming formeel en materieel zou kunnen worden beslecht. Met deze visie rekt de heer Sprengers de strekking van het bepaalde in artikel 12:2, lid 3 CAR/UR wel heel erg op. Voornoemde bepaling spreekt immers alleen maar over “een bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt”. Dat is ook precies wat lid 4 van artikel 12:2:14 CAR/UR aangeeft.”

3.7.

De advocaat van de vakorganisaties heeft bij brief van 14 september 2016 onder meer als volgt aan het College bericht:

“Voor FNV en CNV Overheid is (…) duidelijk geworden dat u de mening bent toegedaan dat aan hen geen positie in het overleg toekomt op grond van het overeenstemmingsvereiste over het sociaal plan noch over het overkoepelend sociaal plan voor privatiseringen.

(…)

Mijn cliënten constateren enerzijds dat de lokale regeling noch het overeenstemmingsvereiste noch een geschillenregeling inhoudelijk en adequaat regelt, hetgeen in strijd is met de voorschriften die daarover zijn opgenomen in hogere regelgeving. Anderzijds constateren zij dat in het lopend overleg er evenmin sprake is van erkenning van het overeenstemmingsvereiste als basis voor het overleg met de vakbonden over het sociaal plan VAK en het overkoepelend sociaal plan voor privatiseringen.

Gezien de ontwikkelingen op het terrein van privatiseringen binnen de gemeente Delft die voor een deel al uitgevoerd zijn en voor een deel nog in de pijplijn zitten, is het voor de vakbonden van het grootste belang dat er duidelijkheid komt over hun positie in het overleg.

Er dient een einde te komen aan de strijdigheid van de regels in Delft ten opzichte van de hogere regels en aan de daarop gebaseerde praktijk, die de bevoegdheden van mijn cliënten miskent.

(…)

Indien er alsnog bereidheid zou zijn aan de kant van de gemeente Delft om toe te zeggen dat de lokale regeling gewijzigd gaat worden in die zin dat deze recht doet aan de voorschriften uit de Ambtenarenwet en het CAR en als vanuit de gemeente Delft de bereidheid bestaat om zolang de regeling nog niet aangepast is met betrekking tot het overleg over het sociaal plan/sociale plannen te erkennen dat dit plaats zal vinden onder de noemer van het overeenstemmingsvereiste, zijn juridische stappen niet nodig.

Ik kan mij ook voorstellen dat, indien er bereidheid in deze richting aan uw kant zou zijn, er dan ook gekeken wordt hoe om te gaan met een geschillenregeling, waarbij het te overwegen zou zijn op zijn minst voor de lopende aangelegenheden dan aan te sluiten bij de Landelijke Advies en Arbitrage Commissie in ieder geval tot het moment dat dit vastgelegd is in een lokale regeling dan wel een ander passend alternatief afgesproken wordt over een geschillenregeling dat recht doet aan het rechtskarakter van het overeenstemmingsvereiste.”

3.8.

De wethouder heeft bij e-mail van 21 september 2016 onder meer als volgt aan de advocaat van de vakorganisaties bericht:

“U geeft aan dat de bonden nog open staan voor overleg. Die bereidheid is wat mij betreft wederzijds. Met u ben ik ook van mening dat een verdere juridisering van het vraagstuk niet nodig zou moeten zijn en waarschijnlijk ook niet leidt tot de oplossing waar beide partijen naar op zoek zijn. Alleen via overleg, op een open en reële wijze, kan een oplossing naar mijn mening bereikt worden. Nogmaals zij gesteld dat ik daar voor open sta, maar niet als daaraan vooraf voorwaarden worden gesteld ten aanzien van de uitkomst van dat overleg, in termen van op voorhand instemmen met het overeenstemmingsvereiste. Ik heb u eerder aangegeven dat de oplossing voor beide partijen acceptabel moet zijn.”

4 Het geschil

4.1.

De vakorganisaties vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  • -

    de lokale overlegverordening te schorsen c.q. buiten werking te stellen vanwege het niet voldoen aan artikel 125, eerste lid, sub m, juncto het tweede lid van dit artikel van de Ambtenarenwet en artikel 12:2 van de CAR;

  • -

    de Gemeente op te dragen geen Sociaal Plan in verband met een privatiseringsbesluit vast te stellen zonder dat daarover overeenstemming met de vakorganisaties is bereikt, zolang er nog geen overeenstemming is bereikt over de wijze waarop de lokale overlegverordening moet worden aangepast;

subsidiair:

- de Gemeente op te dragen uitsluitend tot de vaststelling van een Sociaal Plan in verband met een privatiseringsbesluit over te gaan nadat daarover met de vakorganisaties in de commissie GO overeenstemming is bereikt;

meer subsidiair:

- in goede justitie dusdanige voorzieningen te treffen om het onrechtmatig handelen van de Gemeente jegens de vakorganisaties te ondervangen en te bewerkstelligen dat zij hun overlegrechten in het kader van het overeenstemmingsvereiste kunnen effectueren, waarbij gedacht kan worden aan het voorzien in een tijdelijke advies- en arbitrageregeling, rechtdoende aan het karakter van het overeenstemmingsvereiste;

een en ander totdat in een nog te starten bodemprocedure een vonnis is gewezen dat in kracht van gewijsde is gegaan dan wel in onderling overleg een nieuwe lokale overlegverordening is vastgesteld, die niet meer strijdig is met hogere regelgeving, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Gemeente in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.2.

Daartoe voeren de vakorganisaties aan dat Gemeente onrechtmatig jegens hen handelt door het vaststellen van een voorlopig Sociaal Plan in verband met een privatiseringsbesluit zonder dat daarover met hen in de commissie GO overeenstemming is bereikt dan wel zonder dat het geschil omtrent het niet bereiken van overeenstemming dienaangaande ter beslechting is voorgelegd op een wijze die recht doet aan het rechtskarakter van het overeenstemmingsvereiste.

4.2.1.

In dit verband stellen de vakorganisaties primair dat de lokale overlegverordening (UR/NUR) niet (in voldoende mate) voldoet aan de eisen die hogere regelgeving (Ambtenarenwet en de CAR) oplegt aan overheidswerkgevers, waaronder de Gemeente. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de verplichting uit artikel 125, eerste lid, sub m juncto het tweede lid van dit artikel van de Ambtenarenwet dat een overheidswerkgever regels dient te stellen over de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties en overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren, alsmede de gevallen waarin overeenstemming in het overleg bereikt dient te worden. In de lokale overlegverordening is bepaald dat over bedoelde aangelegenheden van algemeen belang, waaronder een Sociaal Plan als hier aan de orde, overleg moet worden gevoerd in de commissie GO. Meer in het bijzonder staat in de lokale overlegverordening expliciet dat over een privatisering overleg dient te worden gevoerd. In de lokale overlegverordening is echter niet geregeld welke onderwerpen onder het overeenstemmingsvereiste vallen. Daarnaast is in de lokale overlegverordening niet overeenkomstig artikel 12:2, derde lid, CAR beschreven hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt. Met de enkele vermelding in artikel 12:2:14, derde lid, UR/NUR dat wanneer over enig voorstel geen overeenstemming wordt bereikt hiervan mededeling moet worden gedaan aan het College wordt naar de mening van de vakorganisaties niet aan dit vereiste voldaan.

4.2.2.

Subsidiair stellen de vakorganisaties dat indien de lokale overlegverordening aldus moet worden gelezen dat ieder onderwerp van overleg onder het overeenstemmingsvereiste valt, de Gemeente niet tot vaststelling van een Sociaal Plan in verband met een privatiseringsbesluit kon overgaan zonder hierover eerst overeenstemming met hen te bereiken. Dit klemt volgens de vakorganisaties te meer nu lokale overlegverordening niet voorziet in een geschillenregeling. Nu over het besluit tot privatisering en de vaststelling van het Sociaal Plan geen overeenstemming met hen is bereikt, handelt de Gemeente naar de mening van de vakorganisaties jegens hen onrechtmatig.

4.3.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

Aan de orde is in dit kort geding de vraag of de Gemeente onrechtmatig jegens de vakorganisaties handelt door zonder in de lokale overlegverordening (UR/NUR) het overeenstemmingsvereiste te regelen en zonder hierin te voorzien in een geschillenregeling indien in de commissie GO geen overeenstemming wordt bereikt, eenzijdig een voorlopig Sociaal Plan in het kader van een privatiseringsbesluit vast te stellen voor de medewerkers van de VAK.

5.2.

De Gemeente heeft in de eerste plaats weersproken dat de vakorganisaties een (voldoende) spoedeisend belang hebben bij het door hen gevorderde. Volgens de Gemeente is van de door de vakorganisaties betoogde overeenstemmingsverplichting geen sprake, terwijl de vakorganisaties evenmin via de in artikel 12:2:10 en 12:2:19 van de UR/NUR geregelde procedure een verzoek aan de Gemeente hebben gedaan om het overeenstemmingsvereiste daarin overeen te komen. Nu uitsluitend een voorlopig Sociaal Plan is vastgesteld en zij zich uitdrukkelijk bereid heeft verklaard om in ieder geval dit kalenderjaar hierover verder te onderhandelen, past het volgens de Gemeente niet dat de vakorganisaties weigeren hieraan medewerking te verlenen en hebben besloten tot het voeren van deze procedure. De Gemeente wijst er daarbij op dat op haar eveneens een verplichting rust om de belangen van de medewerkers van de VAK te behartigen. Nu privatisering van het zwembad en het vaststellen van een overkoepelend beleidskader voor toekomstige privatiseringen onderwerpen betreffen, die zich nog in de overlegfase bevinden, hebben de vakorganisaties naar de mening van de Gemeente in ieder geval geen spoedeisend belang bij haar vorderingen, voor zover die betrekking hebben op meer dan alleen het vastgestelde voorlopige Sociaal Plan voor de medewerkers van de VAK.

5.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het in kort geding vereiste spoedeisend belang in voldoende mate aanwezig. De vordering van de vakorganisaties raakt in de kern immers aan een essentieel geschilpunt, te weten de juridische positie van de vakorganisaties ten opzichte van de Gemeente aan de onderhandelingstafel over de totstandkoming van sociale plannen in het kader van privatiseringsbesluiten. Nu vast staat dat over het Sociaal Plan voor de medewerkers van de VAK in ieder geval nog tot 1 januari 2017 met de Gemeente onderhandeld kan/dient te worden, terwijl thans eveneens in de verwachting ligt dat dat op termijn meerdere gemeenteonderdelen zullen worden geprivatiseerd, is invoelbaar dat de vakorganisaties op korte termijn helderheid wensen te verkrijgen over hun hiervoor geschetste positie.

5.4.

Met de Gemeente is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat op de Gemeente op grond van hogere regelgeving niet de verplichting rust om het overeenstemmingsvereiste in de lokale overlegverordening (UR/NUR) te regelen. Van de door de vakorganisaties gestelde strijd met artikel 125, eerste lid, sub m, juncto het tweede lid van dit artikel van de Ambtenarenwet is geen sprake. Bedoeld artikel verplicht het bevoegd gezag van in dit geval de Gemeente te regelen a) de wijze waarop met de vakorganisaties overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren en b) de gevallen waarin overeenstemming in dat overleg dient te worden bereikt. Zoals de Gemeente met juistheid heeft betoogd, heeft zij door middel van haar lidmaatschap van (het CvA) van de VNG en de uit dien hoofde op haar rustende verplichting om de in dat verband tot stand gekomen overeenkomsten inzake de arbeidsvoorwaarden van personeel in de gemeentesector (waaronder de CAR) toe te passen, voldaan aan bedoelde vereisten van de Ambtenarenwet. Anders dan de vakorganisaties lijken te betogen, behelst de Ambtenarenwet geen inhoudelijke regeling van het overeenstemmingsvereiste, maar schrijft zij slechts voor dat gemeenten zelf moeten regelen in welke gevallen overeenstemming moet worden bereikt met de in aanmerking komende organisaties van overheidspersoneel. Artikel 125 van de Ambtenarenwet behelst derhalve niet de verplichting voor de Gemeente tot het bereiken van overeenstemming met de vakorganisaties over een Sociaal Plan in het kader van een privatiseringsbesluit.

5.4.1.

Vervolgens is aan de orde de vraag of de UR/NUR op dit punt strijdig is met de CAR. Dit is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenmin het geval. Artikel 12:2 van de CAR bepaalt dat in de commissie GO overleg wordt gevoerd over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren alsmede dat nadere regels worden vastgesteld over de werkwijze van de commissie GO en over hoe moet worden gehandeld indien een geschil binnen de commissie GO niet tot overeenstemming leidt. Artikel 12:2 van de CAR schrijft niet voor dat over bepaalde onderwerpen in de commissie GO overeenstemming met de vakorganisaties moet worden bereikt. Dit betekent dat het een gemeente vrijstaat om ter zake een regeling in haar lokale overlegverordening op te nemen, maar dat een verplichting daartoe niet op haar rust. De voorzieningenrechter constateert dat de UR/NUR niet een verplichting voor de Gemeente behelst om met de vakorganisaties overeenstemming te bereiken over een Sociaal Plan in het kader van een privatiseringsbesluit. De conclusie is dan ook dat zij daartoe – anders dan de vakorganisaties menen – niet gehouden kan worden en dat het haar in het kader van de uitoefening van haar publiekrechtelijke bevoegdheden was toegestaan om het bewuste voorlopige Sociaal Plan eenzijdig vast te stellen. Overigens heeft de Gemeente met juistheid opgemerkt dat aan de vakorganisaties op grond van artikel 12:2:10 in combinatie met artikel 12:2:19 van de UR/NUR de bevoegdheid toekomt om (via de commissie GO) een voorstel te doen om de lokale overlegverordening te wijzigen en het overeenstemmingsvereiste in te voeren. Zoals de Gemeente onweersproken heeft gesteld, hebben de vakorganisaties, nadat zij in 1994 hebben ingestemd met een gewijzigde UR, waarin het overeenstemmingsvereiste na een proef van een aantal jaar niet meer is opgenomen, gedurende een periode van ruim twintig jaar van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Onder die omstandigheden is in een bodemprocedure verdedigbaar dat de vakorganisaties zich niet binnen bekwame tijd tegen het ontbreken van het overeenstemmingsvereiste in de UR/NUR hebben verzet. Wat hier verder ook van zij, voormelde instemming van de vakorganisaties en de daarop volgende periode van stilzwijgen laten zich in ieder geval moeilijk rijmen met de principiële stellingname van de vakorganisaties in deze procedure.

5.4.2.

Van een op de Gemeente rustende verplichting tot het inrichten van een geschillenregeling in de vorm van de door de vakorganisaties gewenste advies- of arbitrageprocedure is naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin sprake. Een dergelijke verplichting is immers in de Ambtenarenwet niet opgenomen, terwijl de CAR uitsluitend verplicht tot het in de lokale overlegverordening beschrijven van de wijze van handelen indien een geschil in de commissie GO niet tot overeenstemming leidt. Aan deze verplichting is – zoals de Gemeente met juistheid heeft gesteld – voldaan doordat in artikel 12:2:14, vierde lid, van de UR/NUR is voorgeschreven dat de commissie GO in dat geval hiervan melding maakt aan het College.

5.5.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van de vakorganisaties niet toewijsbaar zijn. Dit laat overigens onverlet dat thans sprake is van een voorlopig Sociaal Plan en dat de Gemeente herhaaldelijk haar bereidheid heeft uitgesproken om (nader) met de vakorganisaties in overleg te treden over de inhoud van dit Sociaal Plan, waarbij het naar eigen zeggen haar streven is om alsnog met de vakorganisaties tot overeenstemming te komen. De voorzieningenrechter geeft de vakorganisaties in overweging om ter zake ook daadwerkelijk van haar overlegrechten gebruik te maken.

5.6.

De vakorganisaties zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1.

wijst het gevorderde af;

6.2.

veroordeelt de vakorganisaties in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Gemeente begroot op € 1.435,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2016.

mw