Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14396

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
NL16.3189
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ethiopische. Ongeloofwaardig relaas. Amhaarse etniciteit. Betoging Kinijit-partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL16.3189

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 25 november 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2016 (het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen en tevens bepaald dat hem geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) toekomt.

Op 7 november 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 november 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig L. Abajebel, tolk in de Amhaarse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Ethiopische nationaliteit, heeft op 10 september 2016 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de Ethiopische autoriteiten zijn vader hebben lastiggevallen en diens dood hebben veroorzaakt, dat een oom en een familielid zijn vermoord en dat eiser zelf bij de moord op zijn oom gewond is geraakt. Daarnaast heeft hij nog verklaard dat hij naar aanleiding van zijn aanwezigheid bij een politieke betoging voor de Kinijit-partij is gedetineerd en mishandeld. Eiser vermoedt dat hij in de negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten staat vanwege zijn Amhaarse etniciteit.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, omdat verweerder de - met verwijzing naar de Amhaarse achtergrond - gestelde problemen niet geloofwaardig acht. Eiser heeft hierover te weinig en op punten tegenstrijdig en onaannemelijk verklaard.

3. Eiser meent dat hem ten onrechte een asielvergunning is onthouden. Eiser bestrijdt dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Volgens eiser verwacht verweerder ten onrechte dat hij meer informatie had kunnen verschaffen. De oorzaak voor de vermeende tegenstrijdige verklaring is gelegen in de vertaling. Eiser betwist onaannemelijk te hebben verklaard.

4. In artikel 29, eerste lid, van de Vw is bepaald dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die (a) verdragsvluchteling is of (b) die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade zoals in dat artikel omschreven.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is.

6. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat eiser summier heeft verklaard over de oorzaak van de problemen van zijn vader en over diens dood. Dat eiser – zoals hij stelt – toen slechts elf jaar oud was, kan daaraan niet afdoen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser in de gelegenheid is geweest om in de jaren erna hierover met zijn moeder te spreken.

7. Verder heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aanslag op hem en zijn oom in 2015. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat eiser in eerste instantie meerdere keren verklaard dat hij in elkaar is geslagen. Later tijdens het gehoor verklaart hij dat hij is beschoten en geraakt door een kogel. Geconfronteerd met deze tegenstrijdigheid, legt de tolk vervolgens uit dat eiser steeds woorden heeft gebruikt die zowel betekenen “ik ben samen met mijn oom in elkaar geslagen” als “ik ben samen met mijn oom geraakt” en dat eiser het woord “kogel” niet heeft gebruikt. Een en ander verklaart naar het oordeel van de rechtbank echter niet waarom in eerste instantie wel onderscheid is gemaakt tussen hetgeen eiser en zijn oom is overkomen. Ook past de lezing van eiser niet zonder meer bij zijn verklaring in het vrije relaas: “ik ben heel erg in elkaar geslagen, vooral op mijn rug. Mijn botten deden zeer […]”. Eiser heeft echter geen gebruik gemaakt van de correcties en aanvullingen op het nader gehoor om dit op te helderen. In de zienswijze en de gronden van beroep wordt hiervoor evenmin een plausibele verklaring gegeven.

8. Daarnaast heeft verweerder eveneens terecht overwogen dat eiser niet concreet weet te verklaren over het motief voor de moord op zijn oom en zijn andere familielid. Eiser vermoedt slechts dat dit is gelegen in hun Amhaarse etniciteit en verwijst daarbij slechts in algemene zin naar een conflict tussen Amharen en Tigray.

9. Ten slotte heeft verweerder terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser samen met vrienden heeft deelgenomen aan een betoging voor de politieke partij Kinijit, maar – ondanks zijn ondergeschikte rol – als enige zou zijn opgepakt. De enkele stelling dat in Ethiopië willekeurige arrestaties plaatsvinden, is onvoldoende om een en ander aannemelijk te maken.

10. Verweerder heeft op grond van het voorgaande terecht geoordeeld dat eiser met zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is aan te merken als vluchteling of dat hij te vrezen heeft voor ernstige schade, een en ander zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.

11. Het beroep is daarom ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.