Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14394

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
NL16.3196
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Georgië, geloofwaardig relaas, veilig land van herkomst, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL16.3196

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. P.R. Klaver,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 november 2016 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer NL16.3197, plaatsgevonden op 21 november 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Georgische nationaliteit. Op 21 april 2016 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Georgië meerdere keren zonder reden is opgepakt en mishandeld door de politie. Zo is hij meerdere keren beschuldigd van drugsmisbruik en is hij beschuldigd van het vermoorden van zijn oma. Uiteindelijk heeft hij in november 2015 besloten het land te verlaten, omdat hij wilde voorkomen dat hij opnieuw zou worden opgepakt en voor langere tijd in de gevangenis te belanden. Dat zou namelijk zijn ouders in moeilijkheden kunnen brengen, omdat zij dan bijvoorbeeld hun huis zouden moeten verkopen om eiser te kunnen helpen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht eisers asielrelaas geloofwaardig. Verweerder heeft Georgië aangemerkt als veilig land van herkomst. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Georgië ten aanzien van hem persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, noch dat hij bij voorkomende problemen niet de bescherming van de Georgische autoriteiten zou kunnen inroepen, bestaat er geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij reeds op 21 april 2016 zijn asielaanvraag heeft ingediend. Op dat moment had verweerder Georgië nog niet aangemerkt als veilig land van herkomst, zodat het bestreden besluit reeds daarom geen stand kan houden. Subsidiair betoogt eiser dat verweerder Georgië ten onrechte heeft aangemerkt als veilig land van herkomst. Tot slot stelt eiser dat van hem niet kan worden verwacht dat hij bescherming zoekt bij de Georgische autoriteiten, gelet op zijn geloofwaardig bevonden asielrelaas.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Verweerder beoordeelt een asielaanvraag op grond van alle relevante feiten en omstandigheden, onder meer in verband met het land van herkomst, die ten tijde van het nemen van het besluit op de aanvraag bij hem bekend zijn. Verweerder was dan ook gehouden alle relevante feiten ten aanzien van de (veiligheids-)situatie in Georgië die ten tijde van het bestreden besluit bekend waren, bij zijn beoordeling te betrekken. Daarbij is eveneens van belang dat verweerder bij de Regeling houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, gepubliceerd in de Staatscourant van 31 oktober 2016, waarbij Georgië is toegevoegd aan de lijst met veilige landen van herkomst, geen overgangsregeling heeft vastgesteld. Voornoemde regeling is per 1 november 2016 in werking getreden, zodat Georgië vanaf dat moment door verweerder als veilig land van herkomst wordt beschouwd. De beroepsgrond faalt.

6. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar diverse bronnen op het standpunt gesteld dat in zijn algemeenheid kan worden aangenomen dat Georgië een veilig land van herkomst is. Uit deze bronnen volgt, aldus verweerder, dat er in Georgië algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Geneve en de Richtlijn 2011/95/EU, of behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden plaatsvindt. Verweerder erkent daarbij dat willekeurige arrestaties en politiegeweld nog steeds voorkomen, maar leidt uit onder andere het Country Report on Human Rights Practices Georgia 2015 van het United States Department of State af dat dit gaat om incidenten. Er is geen sprake van systematische schendingen van mensenrechten.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling dat Georgië niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst, grotendeels baseert op dezelfde bronnen als die waar verweerder zijn standpunt op baseert. Daarmee heeft eiser de conclusie van verweerder dat er geen sprake is van systematische schendingen van mensenrechten niet kunnen weerleggen. De beroepsgrond faalt.

8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij voorkomende problemen niet de bescherming van de Georgische autoriteiten zou kunnen inroepen. Daartoe heeft verweerder terecht overwogen dat eiser in Georgië reeds bijstand had van een advocaat, die hem meerdere keren heeft geholpen, zodat niet valt in te zien waarom deze advocaat hem bij voorkomende problemen niet opnieuw zou kunnen bijstaan. Verder heeft betrokkene nooit bescherming gezocht bij de hogere autoriteiten of daar zijn beklag gedaan, terwijl daartoe wel mogelijkheden bestaan. Eiser heeft bovendien zelf verklaard dat zijn advocaat een klacht heeft geschreven aan het openbaar ministerie, maar dat deze nooit is verzonden omdat eiser daar geen heil in zag. Verweerder heeft daaruit terecht geconcludeerd dat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om in Georgië bescherming te krijgen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: