Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14363

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
16/10774
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Libië, asiel, ongeloofwaardig relaas, vrees voor eerwraak, afvallig van islam, biseksueel, inreisverbod tien jaar. Beroep asiel ongegrond, beroep inreisverbod gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/10774

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 november 2016 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. E.S. van Aken,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 mei 2016 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig B. Arabi, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Libische nationaliteit. Op 21 september 2009 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in Libië problemen heeft ondervonden naar aanleiding van een valse beschuldiging van brandstichting. Hij is gearresteerd en gedetineerd geweest, maar uiteindelijk door een rechter vrijgesproken. Ook heeft hij problemen ondervonden naar aanleiding van een incident waarbij hij een portret van Khadaffi heeft vernield. Ook vanwege dit incident is hij gearresteerd en gedetineerd geweest. Bij besluit van 18 januari 2010 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk had gemaakt.

2. Op 17 april 2010 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en daarbij zijn Libische paspoort overgelegd. Bij besluit van 26 mei 2010 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 6 december 2010 (AWB 10/18828) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens op 2 mei 2011 zijn derde asielaanvraag ingediend. Ten behoeve van deze aanvraag heeft hij, naast het relaas dat hij eerder naar voren heeft gebracht, gesteld dat hij vreest voor eerwraak van de zijde van de familie van zijn ex-verloofde.

3. Op 27 oktober 2011 heeft verweerder zijn besluit van 26 mei 2010 ingetrokken en naar aanleiding daarvan heeft eiser het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken. Op verzoek van verweerder heeft eiser zijn derde asielaanvraag ingetrokken en verweerder heeft de omstandigheden die eiser aan die aanvraag ten grondslag heeft gelegd betrokken bij de (nieuwe) beoordeling van eisers tweede aanvraag van 17 april 2010. Op 7 mei 2013 heeft verweerder een voornemen tot afwijzing van deze aanvraag uitgebracht. In zijn zienswijze van 4 juni 2013 heeft eiser voor het eerst naar voren gebracht dat hij biseksueel is en tevens dat hij afvallig is van de islam. Bij besluit van 12 september 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser opnieuw afgewezen. Bij uitspraak van 19 december 2013 (AWB 13/24150) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 juli 2015 (201400503/1/V2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het daartegen door eiser ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, voornoemde uitspraak van de rechtbank van 19 december 2013 vernietigd, het beroep van eiser alsnog gegrond verklaard en het besluit van 12 september 2013 vernietigd.

4. Op 7 januari 2016 heeft verweerder eiser aanvullend gehoord over zijn gestelde biseksualiteit en zijn gestelde afvalligheid van de islam.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 17 april 2010 afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (oud) en daarbij tevens een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. In het bestreden besluit en daarin ingelaste voornemen van 11 maart 2016 heeft verweerder eisers identiteit en nationaliteit geloofwaardig geacht, alsmede zijn verklaringen omtrent de valse beschuldiging van brandstichting en de daarop volgende arrestatie, detentie en vrijspraak. Eisers verklaringen over de vernieling van het portret van Khadaffi en de daarop volgende arrestatie, detentie, onderduiking en problemen na terugkeer uit Saoedi-Arabië acht verweerder niet geloofwaardig. Ook de gestelde vrees voor eerwraak, zijn gestelde afvalligheid en zijn gestelde biseksualiteit acht verweerder niet geloofwaardig. Tot slot heeft verweerder overwogen dat eiser zijn verslavingsproblematiek dan wel psychische problemen onvoldoende heeft onderbouwd, zodat ook dit niet tot verlening van een verblijfsvergunning asiel kan leiden.

6. Eiser heeft in beroep betoogd dat de verklaringen die hij tijdens zijn eerste asielprocedure heeft afgelegd niet langer aan hem tegengeworpen mogen worden. Tijdens zijn eerste procedure heeft eiser over verschillende elementen uit zijn relaas niet durven verklaren, uit angst om teruggestuurd te worden naar Libië. Voorts heeft eiser ten aanzien van alle door verweerder als ongeloofwaardig bevonden elementen gemotiveerd betwist dat deze ongeloofwaardig zijn. Ter onderbouwing van zijn gestelde biseksualiteit en afvalligheid heeft eiser fotomateriaal, een getuigenverklaring van [naam 3] van 16 mei 2016 en een brief van [naam 4] van 24 mei 2016 overgelegd. Tot slot heeft eiser gesteld dat hem ten onrechte een onmiddellijke vertrekplicht en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar zijn opgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder het gehele dossier van eiser bij de beoordeling van onderhavige aanvraag betrekken. Dat betekent dat de verklaringen die eiser tijdens zijn eerste procedure heeft afgelegd, aan hem tegengeworpen mochten worden. Dat eiser er tijdens zijn eerste procedure voor gekozen heeft om bepaalde elementen uit zijn asielrelaas niet naar voren te brengen, komt voor zijn rekening en risico. Bij aanvang van ieder gehoor wordt immers duidelijk medegedeeld dat het belangrijk is om de waarheid te spreken, geen gegevens betreffende de asielaanvraag achter te houden en geloofwaardige en consistente verklaringen af te leggen.

Vernieling portret Khadaffi en daarop volgende gebeurtenissen

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de vernieling van het portret van Khadaffi en de daarop volgende arrestatie, detentie, onderduiking en problemen na terugkeer uit Saoedi-Arabië niet geloofwaardig zijn. Daartoe heeft verweerder terecht overwogen dat eiser over deze gebeurtenissen niet consistent heeft verklaard. Zo heeft hij tegenstrijdig verklaard over hoe vaak hij is mishandeld tijdens de detentie en over wanneer hij precies gedetineerd was. Verder is van belang dat uit het paspoort van eiser blijkt dat het reeds op 20 maart 2007 aan hem is afgegeven, terwijl hij toen volgens zijn eigen verklaringen nog gedetineerd was. Tot slot heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij pas bij zijn tweede asielaanvraag heeft verklaard over zijn reis naar Saoedi-Arabië. Nu eiser heeft verklaard dat de negatieve aandacht van de autoriteiten intensiveerde vanwege deze reis, mocht verweerder van hem verwachten dat hij dit bij zijn eerste aanvraag naar voren had gebracht.

Eerwraak

9. Ook ten aanzien van eisers verklaringen over zijn gestelde vrees voor eerwraak is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze ongeloofwaardig zijn. Eerst tijdens het gehoor opvolgende aanvraag op 4 mei 2011, dat naar aanleiding van eisers derde asielaanvraag werd gehouden, heeft eiser verklaard dat dit de voornaamste reden voor zijn asielaanvraag is. Voor het niet eerder naar voren brengen van deze vrees heeft eiser geen afdoende verklaring gegeven. Bovendien heeft eiser wisselende verklaringen afgelegd over de redenen voor het verbreken van de verloving, een essentieel onderdeel van dit element van zijn asielrelaas.

Afvalligheid

10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet geloofwaardig is dat eiser als afvallige van de islam moet worden beschouwd. Verweerder heeft daartoe terecht overwogen dat eiser wisselend heeft verklaard over de manier waarop hij zijn geloof uitoefende in zijn land van herkomst. Tijdens zijn eerste asielprocedure heeft eiser verklaard dat hij moslim is, maar niet praktiserend en dat hij in Libië niet naar de moskee ging (zie p. 1 van het eerste gehoor van 21 september 2009). Tijdens het aanvullend gehoor van 7 januari 2016 heeft eiser echter verklaard dat hij in Libië fanatiek moslim was: hij ging vijf keer per dag naar de moskee en ging ook regelmatig voor in het gebed. Verder is van belang dat eiser niet uitvoerig heeft kunnen verklaren over het verloop van zijn geloof en de omschakeling die hij heeft gemaakt. Gelet op het feit dat hij stelt dat hij in Libië een fanatiek moslim was, mag juist van hem verwacht worden dat hij uitvoerig kan verklaren over het verloop naar zijn afvalligheid en dat er sprake is van een innerlijke overtuiging. Zijn manier van leven (hij rookt, drinkt, gebruikte drugs en stelt biseksueel te zijn) kan niet dienen als onderbouwing van zijn gestelde afvalligheid.

Biseksuele gerichtheid
11. In de uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) heeft de Afdeling overwogen dat verweerder met de in Werkinstructie 2015/9 (WI 2015/9) opgenomen methode op een zorgvuldige manier onderzoek doet naar een gestelde seksuele gerichtheid als asielmotief. Verweerder heeft met de WI 2015/9 de systematiek aan de hand waarvan hij antwoorden op vragen over een seksuele gerichtheid beoordeelt, voldoende inzichtelijk gemaakt. Niet in geschil is dat eiser op 7 januari 2016 conform de WI 2015/9 is gehoord.

12. Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016 volgt dat verweerder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van een gestelde seksuele gerichtheid terecht veel waarde hecht aan de verklaringen van een vreemdeling over zijn eigen ervaringen. Daarbij gaat het met name om het bewustwordingsproces. De vreemdeling moet kunnen verklaren over het moment waarop of de periode waarin hij zich bewust is geworden van zijn seksuele gerichtheid, wat deze seksuele gerichtheid voor hem heeft betekend en welke invloed dit heeft gehad voor de manier waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid. Dit alles moet worden bezien tegen de achtergrond van het land van herkomst en de omgeving waar de vreemdeling vandaan komt, waarbij relevant zijn het moment van bewustwording en eventuele andere belangrijke momenten, zoals het aangaan van een relatie.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde biseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Allereerst heeft verweerder daaraan terecht ten grondslag gelegd dat het feit dat eiser zijn gestelde gerichtheid pas in 2013 voor het eerst naar voren heeft gebracht, terwijl hij al sinds 2009 in Nederland verblijft, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid daarvan. Voorts heeft eiser wisselend verklaard over het moment waarop hij zich bewust is geworden van zijn biseksuele gerichtheid. Tijdens het aanvullend gehoor op 7 januari 2016 heeft eiser verklaard dat hij zich in Libië nog niet bewust was van zijn gerichtheid. In de zienswijze van 4 juni 2013, waarin eiser voor het eerst melding maakt van zijn gestelde biseksuele gerichtheid, stelde hij echter dat deze gerichtheid zich hier in Nederland nader heeft geopenbaard. Ook uit de correcties en aanvullingen van 20 januari 2016 blijkt dat eiser in Libië al biseksuele gevoelens had. Voorts heeft verweerder terecht geconcludeerd dat er uit eisers verklaringen geen proces van bewustwording of zelfacceptatie blijkt. Hoewel er meerdere malen en op verschillende manieren naar gevraagd is, heeft eiser hierover vage verklaringen afgelegd. Hij stelt slechts dat het voor hem niet makkelijk was, maar dat hij zijn gerichtheid wel heeft geaccepteerd. In dit verband is van belang dat eiser afkomstig is uit een land waar zijn gestelde seksuele gerichtheid niet geaccepteerd wordt en hij ook zelf heeft verklaard dat hij het beschouwt als een ziekte. Voorts heeft verweerder terecht bij zijn beoordeling betrokken dat eiser vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over zijn gestelde homoseksuele relaties in Nederland. Eiser stelt een relatie te hebben (gehad) met [naam 2] , maar weet zijn achternaam, telefoonnummer en adres niet en kan ook verder niets substantieels over deze persoon vertellen. Ook stelt eiser een duurzame relatie te hebben gehad met een man in [plaats] , maar hij weet zijn naam niet meer te noemen. De in beroep overgelegde getuigenverklaringen kunnen niet tot een ander oordeel leiden, nu eiser door middel van zijn eigen verklaringen zijn seksuele gerichtheid aannemelijk dient te maken. Ten aanzien van het fotomateriaal overweegt de rechtbank dat dit niet als bewijs kan worden aanvaard. De rechtbank verwijst daartoe naar punt 65 en 66 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 december 2014 (C-148/13 – C-150/13).

Verslavingsproblematiek
14. De rechtbank stelt vast dat uit de in beroep overgelegde brief van dr. A. van der Grift niet blijkt dat eiser thans onder behandeling staat. Uit deze brief blijkt dat eiser een periode is opgenomen in een kliniek in verband met zijn verslavingsproblematiek, maar dat hij op eigen initiatief en in goeden doen deze kliniek weer heeft verlaten. Voorts blijkt, anders dan eiser heeft betoogd, uit de brief niet dat er sprake is van dermate ernstige psychische klachten dat zijn terugkeer reeds daarom in strijd zou zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

15. Gelet op al het voorgaande is het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond.

Vertrektermijn en inreisverbod

16. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw kan verweerder besluiten dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Volgens artikel 6.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een dergelijk risico worden aangenomen als tenminste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van de Vb van toepassing zijn. In het geval van eiser heeft verweerder geconcludeerd dat er meerdere van deze gronden van toepassing zijn. Eiser heeft dit niet gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht besloten dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten.

17. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw wordt een inreisverbod uitgevaardigd tegen de vreemdeling die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000. Ingevolge het vierde lid van deze bepaling, wordt het inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vb bedraagt de duur van het inreisverbod in dat geval ten hoogste tien jaren.

18. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550) volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O. (ECLI:EU:C:2015:377) dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. In de uitspraak van 20 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3579) heeft de Afdeling uit het arrest Z.Zh. en I.O. afgeleid dat verweerder bij zijn beoordeling alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan.

19. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt in het geval van eiser uit de motivering van het bestreden besluit geenszins dat een beoordeling zoals hierboven beschreven heeft plaatsgevonden. In het bestreden besluit zijn slechts eisers veroordelingen opgesomd. Verweerder is in het geheel niet ingegaan op de aard en de ernst van de strafbare feiten en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat en waarom het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De aanvullende motivering in het verweerschrift is onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen leiden. Dat er volgens verweerder geen sprake zou zijn van relatief lichte vergrijpen, omdat eiser zou zijn veroordeeld vanwege het plegen van een misdrijf (artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht), berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van het uittreksel Justitiële Documentatie van 11 maart 2016. Daaruit blijkt immers dat eiser hiervan in hoger beroep is vrijgesproken.

20. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het opleggen van het inreisverbod gegrond.

21. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 992 (1 punt in verband met het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het opleggen van het inreisverbod gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een inreisverbod is opgelegd;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 992 (negenhonderdtweeënnegentig euro) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: