Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14327

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
AWB 16/22706
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder (na het indienen van een nadere motivering) zorgvuldig heeft onderzocht en deugdelijk heeft gemotiveerd dat er in Servië algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.37f van het VV 2000 en dat hiermee de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst voldoet aan de vereisten zoals deze zijn neergelegd in de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 16/22706

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [nummer] ,

van Servische nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. T.H.G. Schuringa),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2016 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 24 september 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als kennelijk ongegrond afgewezen. Tevens is bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Aan eiseres is bij voornoemd besluit uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) van 30 september 2016 tot en met zes weken na de datum van bevalling.

Op 5 oktober 2016 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij brief van 26 oktober 2016 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.


De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 oktober 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.R. Nobel.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen te reageren op het verweerschrift van 26 oktober 2016.

Bij brief van 1 november 2016 heeft eiseres hierop gereageerd.

Bij brief van 4 november 2016 heeft verweerder gereageerd op die reactie.

Na verkregen toestemming van partijen, heeft de rechtbank het onderzoek vervolgens gesloten.


Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.


2. Eiseres heeft betoogd dat verweerder onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het afnemen van het gehoor van 27 september 2016. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat verweerder, gelet op het stadium van haar zwangerschap, medisch advies bij de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht had moeten opvragen om vast te stellen of zij gehoord kon worden.

3. De rechtbank stelt vast dat het afnemen van een medisch onderzoek op grond van paragraaf C2/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) deel uit maakt van de rust- en voorbereidingstermijn. Aangezien de aanvraag van eiseres op grond van artikel 3.109ca, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) gelezen in verbinding met artikel 3.109 van het Vb 2000, kennelijk ongegrond is verklaard, is de rust- en voorbereidingstermijn in dit geval niet van toepassing. Bovendien blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het verslag van het gehoor dat de hoormedewerker voldoende rekening heeft gehouden met haar gezondheidstoestand. De hoormedewerker heeft aan eiseres gevraagd of zij zich lichamelijk en geestelijk voldoende in staat voelde om het gehoor op dat moment te laten plaatsvinden, waarop eiseres ‘ja’ heeft geantwoord. Vervolgens is eiseres meegedeeld dat als zij behoefte had aan een pauze ze dat kon aangeven. Gelet hierop had verweerder geen aanleiding hoeven zien om eerst medisch advies in te winnen alvorens eiseres te horen. Het betoog faalt.

4. Eiseres heeft verder betoogd dat verweerder niet heeft voldaan aan de in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2474) geformuleerde vereisten op grond waarvan een land als veilig land van herkomst kan worden aangewezen. Gelet hierop heeft verweerder volgens eiseres niet deugdelijk gemotiveerd dat Servië als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Ter onderbouwing heeft eiseres gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 6 oktober 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:12146). In deze uitspraak heeft de rechtbank aanleiding gezien om de ministeriële regeling van 10 november 2015 onverbindend te verklaren voor zover Servië daarbij door wijziging van bijlage 13 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000) is aangemerkt als veilig land van herkomst.


5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zoals dat nader is toegelicht in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat Servië als veilig land van herkomst moet worden aangemerkt. Buiten het feit dat verweerder heeft overwogen dat burgers uit Servië zijn vrijgesteld van het visumvereiste, Servië kandidaat-lidstaat is voor de Europese Unie en dat negen andere lidstaten Servië als veilig land van herkomst hebben aangemerkt heeft verweerder het volgende overwogen. Servië heeft het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) geratificeerd. De grondwet biedt een basis voor zelfbestuur van minderheden op het gebied van onderwijs, taalgebruik, informatie en cultuur en geeft ook een recht in beroep te gaan bij het Constitutionele Hof in geval van mensenrechtenschendingen.

De Europese Commissie (hierna: EC) heeft op 10 november 2015 een rapport uitgebracht over de situatie in Servië waarin de EC zich gematigd positief heeft uitgesproken over de vooruitgang die Servië gedurende de afgelopen jaren heeft geboekt. Er is een juridisch en institutioneel kader voor de bescherming van de mensenrechten, waarbij de EC wel aantekent dat consistente implementatie daarvan, waaronder de bescherming van minderheden, aandacht behoeft. Zo komt discriminatie van personen uit kwetsbare groepen, zoals etnische minderheden, waaronder etnische Albanezen, religieuze minderheden, waaronder moslims, Roma en leden van de LHBTI-gemeenschap, nog steeds voor. Echter volgt ook uit het rapport van de EC dat sprake is van vooruitgang ten aanzien van Roma, zij het dat nog het nodige werk moet worden verricht. Ook hebben de Servische autoriteiten de nodige stappen ondernomen om de bescherming van de rechten van de LHBTI-gemeenschap te versterken.

Het meest recente Country Report (hierna: het rapport) van het US Department of State (hierna: USDOS) van 2015 komt in grote mate overeen met de bevindingen van de EC. Blijkens dit rapport was in 2015 geen sprake van arbitraire of buitengerechtelijke executies of politieke gemotiveerde verdwijningen en respecteerden de autoriteiten in het algemeen het verbod op arbitraire arrestaties. De wet die bepaalt dat detenties die langer duren dan 48 uur door een rechter moeten worden geaccordeerd en de grondwet die bepaalt dat de politie arrestanten moet informeren over hun rechten, worden in het algemeen nageleefd. Voorts meldt dit rapport dat de rechtspraak gevoelig is voor corruptie en politieke beïnvloeding, maar benoemt tevens dat een rechter in een voorkomend geval is veroordeeld vanwege oneigenlijke contacten met de pers en niet werd herbenoemd tot opperrechter bij het 'Special Court for Organized Crime'. Tevens volgt uit dit rapport dat ten aanzien van politie en veiligheidsdienst sprake is van voortgezette inspanningen ter bestrijding van corruptie en machtsmisbruik en dat de kwaliteit van het intern onderzoek naar machtsmisbruik binnen het politieapparaat vanwege de invoering van nieuwe wetgeving is verbeterd. Ook volgt uit het rapport dat zowel nationale als internationale mensenrechtenorganisaties in Servië actief zijn. Deze (onafhankelijke) instanties worden daarbij niet gehinderd door de autoriteiten, die meewerkend reageerden op vragen van deze instanties. De Servische autoriteiten treden bovendien actief op om de positie van minderheden te verbeteren en worden ondersteund door het Office for Human and Minority Rights.

Tot slot blijkt uit een analyse van EASO dat het gegeven dat andere lidstaten - evenals Nederland - slechts zeer incidenteel asielaanvragen van Servische burgers inwilligen, iets zegt over de veiligheidssituatie in dat land. Bij de beoordeling van asielaanvragen wordt immers per individueel geval getoetst aan het Vluchtelingenverdrag en aan artikel 3 van het EVRM. Het lage percentage is derhalve een sterke indicatie dat Servië in zijn algemeenheid veilig kan worden geacht, aldus verweerder.


6.De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus zorgvuldig heeft onderzocht en deugdelijk heeft gemotiveerd dat er in Servië algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.37f van het VV 2000 en dat hiermee de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst voldoet aan de vereisten zoals deze zijn neergelegd in de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder heeft overwogen dat er in Servië wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt, dat die wet- en regelgeving wordt toegepast en dat er daadwerkelijk een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is. Weliswaar behoeft het feitelijke functioneren van het wettelijke stelsel ter bescherming van de mensenrechten nog verbetering, maar dit is niet dusdanig zwaarwegend dat dit afdoet aan het uitgangspunt dat Servië in zijn algemeenheid als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Gelet hierop volgt de rechtbank de overgelegde uitspraak van 6 oktober 2016 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, niet.

7. Gelet hierop bestaat er een rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit Servië geen bescherming nodig hebben. Het is derhalve aan eiseres om aannemelijk te maken dat Servië voor haar wegens haar specifieke omstandigheden niet veilig is.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres hierin niet is geslaagd. Daartoe heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank van belang mogen achten dat eiseres met betrekking tot de ondervonden familieproblemen als gevolg van haar zwangerschap niet middels documenten heeft aangetoond dat zij aangifte heeft gedaan bij de politie. Voor zover eiseres heeft gesteld dat de politie corrupt is, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij zich niet heeft gewend tot de hogere autoriteiten en daartoe geëigende instanties om haar beklag te doen over deze behandeling. Gesteld noch gebleken is dat de (hogere) autoriteiten of geëigende instanties eiseres niet zouden kunnen of willen helpen. Dat eiseres onvoldoende financiële middelen heeft om een zelfstandig bestaan in Servië te leiden is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zwaarwegend om tot een ander oordeel te komen. De verwijzing van eiseres naar het rapport van USDOS leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat dit rapport algemeen van aard is en niet ziet op de specifieke individuele situatie van eiseres.

9. Gezien het vorenstaande heeft verweerder Servië terecht als veilig land van herkomst aangemerkt en de aanvraag van eiseres terecht ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen.

10. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerder gelet op artikel 8 van het EVRM, artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, alsmede artikel 7 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van haar partner en haar pasgeboren kind. Daartoe acht zij van belang dat haar partner in Nederland een asielvergunning heeft verkregen en hij aldus niet naar Servië of Bosnië kan verhuizen.

11. Voor de vraag of sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM zal eerst moeten worden bepaald of sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

12. Volgens paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 is er in ieder geval sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen echtgenoten in een reëel huwelijk, partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie of ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige en meerderjarige kinderen.

13. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de relatie tussen eiseres en haar verloofde, voldoende invulling wordt gegeven. Hierbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte meegewogen dat eiseres in Servië woont en haar verloofde in Nederland, zodat eiseres en haar verloofde niet samenwonen. Bovendien dragen eiseres en haar verloofde niet bij in elkaars kosten voor levensonderhoud. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat daarmee geen sprake is van een gezinsleven. Dat eiseres op 27 oktober 2016 is bevallen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de gevraagde verblijfsvergunning heeft geweigerd.

15. De rechtbank is van oordeel dat eerst met het verweerschrift verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat Servië kan worden aangemerkt als een veilig land van herkomst. Het bestreden besluit is op dit punt nog in strijd met artikel 3:46 van de Awb en komt hierom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet in de aanvullende motivering evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.

16. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht ,voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.240 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie, waarde per punt € 496 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.240.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. R.G. van den Berg, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen één week na de verzending van het proces-verbaal hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van dit proces-verbaal dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).