Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14326

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
C/09/504637 / HA ZA 16-125
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Octrooi op printkop van inkjetprinter (aansturing van druppelgeneratoren). Geen toegevoegde materie. Geen gebrek aan nieuwheid en inventiviteit. Inbreuk. Beslagen op printcartridges ten onrechte gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/504637 / HA ZA 16-125

Vonnis van 30 november 2016

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

HEWLETT-PACKARD DEVELOPMENT COMPANY, L.P.,

gevestigd te Houston, Texas, Verenigde Staten van Amerika,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BENSON IMAGE B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TOP PRINTING B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AIGOSTAR B.V.,

alle gevestigd te Rotterdam,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. C. Shannon te Eindhoven.

Eiseres zal hierna HP worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk Benson Image, Top Printing en Aigostar, en gezamenlijk Benson c.s. worden genoemd. De zaak is voor HP inhoudelijk behandeld door mr. R.M. Kleemans, mr. J.D. Drok en mr. ir. R.C. Laddé, advocaten te Amsterdam, bijgestaan door de octrooigemachtigden mr. ir. F.A.T. van Looijengoed en ir. J.G. Laddé. De zaak is voor Benson c.s. inhoudelijk behandeld door mr. I. Werts, advocaat te Eindhoven, en mr. J.M.J.A. Krens, advocaat te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 12 juni 2015 waarbij HP verlof is verleend om te procederen volgens het Versneld Regime in Octrooizaken;

- de VRO-dagvaarding van 16 juni 2015;

- de akte houdende overlegging producties zijdens – zo begrijpt de rechtbank – HP (de akte vermeldt abusievelijk een andere eisende partij) van 3 februari 2016 met producties 1 tot en met 16;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, tevens akte houdende overlegging producties van 13 april 2016, met producties 1 tot en met 16;

- de conclusie van antwoord in reconventie van 8 juni 2016, met producties 17 tot en met 20;

- de akte overlegging nadere producties van Benson c.s. van 19 juli 2016, met producties 17 tot en met 19;

- de akte houdende overlegging nadere producties van HP van 20 juli 2016, met producties 21 tot en met 29;

- de akte overlegging reactieve producties van Benson c.s. van 18 augustus 2016, met producties 20 en 21;

- de akte houdende overlegging reactieve nadere productie van HP van 19 augustus 2016, met productie 30;

- de akte houdende overlegging nadere producties van HP van 19 augustus 2016, met producties 31 en 32;

- de fax van 1 september 2016 van mrs. Maas en Krens, waarbij de rechtbank wordt meegedeeld dat partijen een proceskostenvergoeding van € 170.000,- overeen zijn gekomen;

- de ter gelegenheid van het pleidooi van 16 september 2016 overgelegde pleitnotities van partijen, waarbij randnummers 87 tot en met 110 van de pleitnota zijdens HP, en randnummers 6, 20 en 29 van de pleitnota zijdens Benson c.s. zijn doorgehaald omdat zij niet zijn gepleit.

1.2.

Voorafgaand aan de zitting heeft Benson c.s. verzocht de zaak uit het VRO te verwijderen. HP heeft daartegen bezwaar gemaakt. Partijen is op 13 september 2016 te verstaan gegeven dat het pleidooi op 16 september 2016 doorgang zal vinden en dat Benson c.s. desgewenst haar verzoek ter zitting nader kan toelichten. Aangezien Benson c.s. ter zitting niet heeft aangegeven in haar verzoek te volharden, is de zaak voortgezet.

1.3.

Ter zitting heeft HP bezwaar gemaakt tegen toelating tot de procedure van de volgens haar te laat ingediende producties 17 en 18 van Benson c.s., twee Europese octrooischriften. Door Benson c.s. is op haar beurt bezwaar gemaakt tegen de volgens haar te late overlegging van twee LinkedIn-profielen van (beweerdelijke) medewerkers van Benson c.s. (producties 31 en 32 van HP). De rechtbank heeft ter zitting beslist dat producties 17 en 18 van Benson c.s. worden geweigerd nu zij zijn overgelegd op 27 juli 2016, dat wil zeggen na de door de VRO beschikking gestelde uiterste datum voor het overleggen van producties voor pleidooi (20 juli 2016), en omdat zij niet zijn voorzien van enige toelichting, zodat HP zich daartegen niet naar behoren heeft kunnen verweren en in haar verdediging is geschaad. De rechtbank heeft beslist dat de producties 31 en 32 van HP worden geweigerd omdat zij ruim na de uiterste termijn zijn ingediend (op 19 augustus 2016) en ze overigens niet zijn aan te merken als reactieve producties.

1.4.

Vervolgens is de datum voor vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

HP is houdster van het Nederlandse deel van Europees octrooi (EP) 1 737 669, getiteld ‘Fluid ejection device’, aangevraagd op 6 april 2005, onder inroeping van prioriteit van de aanvrage US 827139 van 19 april 2004, en verleend op 15 januari 2014 (hierna ook ‘het octrooi’, of ‘EP 669’). Het octrooi is van kracht in Nederland. De door HP ingeroepen conclusies 1 tot en met 4 en 12 van het verleende octrooi, conform de B1-publicatie, luiden als volgt in de originele Engelse taal:

1. A fluid ejection device (22) comprising:

a first fire line (214) adapted to conduct a first energy signal comprising energy pulses;

a second fire line (214) adapted to conduct a second energy signal comprising energy pulses;

a plurality of select lines to conduct timing signals, said plurality of select lines including a first select line and a second select line;

a first address generator (1000) configured to provide first address signals based on timing signals received from said plurality of select lines;

a second address generator (1002) configured to provide second address signals based on timing signals received from said plurality of select lines;

first drop generators (60) electrically coupled to the first fire line and the first select line and configured to respond to the first energy signal to eject fluid based on the first address signals and a timing signal on the first select line; and

second drop generators (60) electrically coupled to the second fire line and the second select line and configured to respond to the second energy signal to eject fluid based on the second address signals and a timing signal on the second select line.

2. The fluid ejection device of claim 1, wherein the first address generator is disposed on a first half portion of the fluid ejection device and the second address generator is disposed on a second half portion of the fluid ejection device, and wherein the first drop generators are disposed on the first half portion and the second drop generators are disposed on the second half portion.

3. The fluid ejection device of claim 1, wherein the first address generator is disposed at one end of the fluid ejection device and the second address generator is disposed at the other end of the fluid ejection device.

4. The fluid ejection device of claim 1, wherein the first address generator is disposed in one corner of the fluid ejection device and the second address generator is disposed in another corner of the fluid ejection device.

12. A method of operating a fluid ejection device (22) comprising: generating first address signals in the fluid ejection device based on timing signals on a plurality of select lines including a first select line and a second select line; generating second address signals in the fluid ejection device based on timing signals on a plurality of select lines including a first select line and a second select line; receiving a first energy signal comprising energy pulses on a first fire line (214); receiving a second energy signal comprising energy pulses on a second fire line (214); responding to the first energy signal to eject fluid based on the first address signals and a timing signal on the first select line; and responding to the second energy signal to eject fluid based on the second address signals and a timing signal on the second select line.

2.2.

In de onbestreden Nederlandse vertaling luiden deze conclusies als volgt:

1. Vloeistofuitstootinrichting (22) die het volgende omvat:

een eerste afvuurlijn (214) die geschikt is om een eerste energiesignaal dat energiepulsen omvat, te geleiden;

een tweede afvuurlijn (214) die geschikt is om een tweede energiesignaal dat energiepulsen omvat, te geleiden;

een veelheid van keuzelijnen om kloksignalen1 te geleiden, waarbij de veelheid van keuzelijnen een eerste keuzelijn en een tweede keuzelijn omvat;

een eerste adresgenerator (1000) die geconfigureerd is om eerste adressignalen af te geven op basis van tijdsignalen die van de veelheid van keuzelijnen ontvangen is;

een tweede adresgenerator (1002) die geconfigureerd is om tweede adressignalen af te geven op basis van tijdsignalen die van de veelheid van keuzelijnen ontvangen is;

eerste druppelgeneratoren (60) die elektrisch aan de eerste afvuurlijn en de eerste keuzelijn gekoppeld zijn en geconfigureerd zijn om op het eerste energiesignaal te reageren met het uitstoten van vloeistof op basis van de eerste adressignalen en een kloksignaal op de eerste keuzelijn;

en tweede druppelgeneratoren (60) die elektrisch aan de tweede afvuurlijn en de tweede keuzelijn gekoppeld zijn en geconfigureerd zijn om op het tweede energiesignaal te reageren met het uitstoten van vloeistof op basis van de tweede adressignalen en een kloksignaal op de tweede keuzelijn.

2. Vloeistofuitstootinrichting volgens conclusie 1 waarbij de eerste adresgenerator op een eerste helft van de vloeistofuitstootinrichting geplaatst is en de tweede adresgenerator op een tweede helft van de vloeistofuitstootinrichting geplaatst is, en waarbij de eerste druppelgeneratoren op de eerste helft geplaatst zijn en de tweede druppelgeneratoren op de tweede helft geplaatst zijn.

3. Vloeistofuitstootinrichting volgens conclusie 1 waarbij de eerste adresgenerator op een eind van de vloeistofuitstootinrichting geplaatst is en de tweede adresgenerator op het andere eind van de vloeistofuitstootinrichting geplaatst is.

4. Vloeistofuitstootinrichting volgens conclusie 1 waarbij de eerste adresgenerator in een hoek van de vloeistofuitstootinrichting geplaatst is en de tweede adresgenerator in een andere hoek van de vloeistofuitstootinrichting geplaatst is.

12. Werkwijze voor besturing van een vloeistofuitstootinrichting (22) die het volgende omvat: het genereren van eerste adressignalen in de vloeistofuitstootinrichting op basis van tijdsignalen op een veelheid van keuzelijnen die een eerste keuzelijn en een tweede keuzelijn omvat; het genereren van tweede adressignalen in de vloeistofuitstootinrichting op basis van tijdsignalen op een veelheid van keuzelijnen die een eerste keuzelijn en een tweede keuzelijn omvat; het ontvangen van een eerste energiesignaal dat energiepulsen omvat, op een eerste afvuurlijn (214); het ontvangen van een tweede energiesignaal dat energiepulsen omvat, op een tweede afvuurlijn (214); het reageren op het eerste energiesignaal met het uitstoten van vloeistof op basis van de eerste adressignalen en een kloksignaal op de eerste keuzelijn; en het reageren op het tweede energiesignaal met het uitstoten van vloeistof op basis van de tweede adressignalen en een kloksignaal op de tweede keuzelijn.

2.3.

Het octrooi (dat 80 pagina’s telt) bevat de volgende passages (de bijbehorende figuren zijn voor het leesgemak bij de betreffende passage opgenomen):

[0003] In a typical thermal inkjet printing system, the printhead ejects ink drops through nozzles by rapidly heating small volumes of ink located in vaporization chambers. The ink is heated with small electric heaters, such as thin film resistors referred to herein as firing resistors. Heating the ink causes the ink to vaporize and be ejected through the nozzles.

[0004] To eject one drop of ink, the electronic controller that controls the printhead activates an electrical current from a power supply external to the printhead. The electrical current is passed through a selected firing resistor to heat the ink in a corresponding selected vaporization chamber and eject the ink through a corresponding nozzle. Known drop generators include a firing resistor, a corresponding vaporization chamber, and a corresponding nozzle.

[0005] As inkjet printheads have evolved, the number of drop generators in a printhead has increased to improve printing speed and/or quality. The increase in the number of drop generators per printhead has resulted in a corresponding increase in the number of input pads required on a printhead die to energize the increased number of firing resistors. In one type of printhead, each firing resistor is coupled to a corresponding input pad to provide power to energize the firing resistor. One input pad per firing resistor becomes impractical as the number of firing resistors increases.

[0006] The number of drop generators per input pad is significantly increased in another type of printhead having primitives. A single power lead provides power to all firing resistors in one primitive. Each firing resistor is coupled in series with the power lead and the drain-source path of a corresponding field effect transistor (FET). The gate of each FET in a primitive is coupled to a separately energizable address lead that is shared by multiple primitives.

[0007] Manufacturers continue reducing the number of input pads and increasing the number of drop generators on a printhead die. A printhead with fewer input pads typically costs less than a printhead with more input pads. Also, a printhead with more drop generators typically prints with higher quality and/or printing speed. To maintain costs and provide a particular printing swath height, printhead die size may not significantly change with an increased number of drop generators. As drop generator densities increase and the number of input pads decrease, printhead die layouts can become increasingly complex.

[0008] EP 1128324 discloses a printhead which receives image data and drives a plurality of printing elements. An image signal received by the printhead has a 4-bit bus format containing block selection data in its head. The block selection data held in the head of the image signal is separated, held in a latch and supplied to a decoder. The decoder decodes the block selection data and outputs a first printing control signal which is used together with a second printing control signal to turn on/off printing elements.

[0009] For these and other reasons, there is a need for the present invention.

(…)

[0026] Figure 4 is a diagram illustrating one embodiment of a firing cell 70 employed in one embodiment of printhead die 40. Firing cell 70 includes a firing resistor 52, a resistor drive switch 72, and a memory circuit 74. Firing resistor 52 is part of a drop generator 60. Drive switch 72 and memory circuit 74 are part of the circuitry that controls the application of electrical current through firing resistor 52. Firing cell 70 is formed in thin-film structure 48 and on substrate 44.

[0027] In one embodiment, firing resistor 52 is a thin-film resistor and drive switch 72 is a field effect transistor (FET). Firing resistor 52 is electrically coupled to a fire line 76 and the drain-source path of drive switch 72. The drain-source path of drive switch 72 is also electrically coupled to a reference line 78 that is coupled to a reference voltage, such as ground. The gate of drive switch 72 is electrically coupled to memory circuit 74 that controls the state of drive switch 72.

[0028] Memory circuit 74 is electrically coupled to a data line 80 and enable lines 82. Data line 80 receives a data signal that represents part of an image and enable lines 82 receive enable signals to control operation of memory circuit 74. Memory circuit 74 stores one bit of data as it is enabled by the enable signals. The logic level of the stored data bit sets the state (e.g., on or off, conducting or non-conducting) of drive switch 72. The enable signals can include one or more select signals and one or more address signals.

[0029] Fire line 76 receives an energy signal comprising energy pulses and provides an energy pulse to firing resistor 52. In one embodiment, the energy pulses are provided by electronic controller 30 to have timed starting times and timed duration to provide a proper amount of energy to heat and vaporize fluid in the vaporization chamber 56 of a drop generator 60. If drive switch 72 is on (conducting), the energy pulse heats firing resistor 52 to heat and eject fluid from drop generator 60. If drive switch 72 is off (non-conducting), the energy pulse does not heat firing resistor 52 and the fluid remains in drop generator 60.

(…)

[0038] Figure 6 is a schematic diagram illustrating one embodiment of a pre-charged firing cell 120. Pre-charged firing cell 120 is one embodiment of firing cell 70. The pre-charged firing cell 120 includes a drive switch 172 electrically coupled to a firing resistor 52. In one embodiment, drive switch 172 is a FET including a drain-source path electrically coupled at one end to one terminal of firing resistor 52 and at the other end to a reference line 122. The reference line 122 is tied to a reference voltage, such as ground. The other terminal of firing resistor 52 is electrically coupled to a fire line 124 that receives a fire signal or energy signal FIRE including energy pulses. The energy pulses energize firing resistor 52 if drive switch 172 is on (conducting).

[0039] The gate of drive switch 172 forms a storage node capacitance 126 that functions as a memory element to store data pursuant to the sequential activation of a pre-charge transistor 128 and a select transistor 130. The drainsource path and gate of pre-charge transistor 128 are electrically coupled to a pre-charge line 132 that receives a precharge signal. The gate of drive switch 172 is electrically coupled to the drain-source path of pre-charge transistor 128 and the drain-source path of select transistor 130. The gate of select transistor 130 is electrically coupled to a select line 134 that receives a select signal. The storage node capacitance 126 is shown in dashed lines, as it is part of drive switch 172. Alternatively, a capacitor separate from drive switch 172 can be used as a memory element.

[0040] A data transistor 136, a first address transistor 138 and a second address transistor 140 include drain-source paths that are electrically coupled in parallel. The parallel combination of data transistor 136, first address transistor 138 and second address transistor 140 is electrically coupled between the drain-source path of select transistor 130 and reference line 122. The serial circuit including select transistor 130 coupled to the parallel combination of data transistor 136, first address transistor 138 and second address transistor 140 is electrically coupled across node capacitance 126 of drive switch 172. The gate of data transistor 136 is electrically coupled to data line 142 that receives data signals ~DATA. The gate of first address transistor 138 is electrically coupled to an address line 144 that receives address signals ~ADDRESS1 and the gate of second address transistor 140 is electrically coupled to a second address line 146 that receives address signals ~ADDRESS2. The data signals ~DATA and address signals ~ADDRESS1 and ~ADDRESS2 are active when low as indicated by the tilda (~) at the beginning of the signal name. The node capacitance 126, precharge transistor 128, select transistor 130, data transistor 136 and address transistors 138 and 140 form a memory cell.

[0044] Figure 7 is a schematic diagram illustrating one embodiment of an inkjet printhead firing cell array 200. Firing cell array 200 includes a plurality of pre-charged firing cells 120 arranged into six-fire groups 202a-202f. The pre-charged firing cells 120 in each fire group 202a-202f are schematically arranged into 13 rows and eight columns. The fire groups 202a-202f and pre-charged firing cells 120 in array 200 are schematically arranged into 78 rows and eight columns, although the number of pre-charged firing cells and their layout may vary as desired.

[0045] The eight columns of pre-charged firing cells 120 are electrically coupled to eight data lines 208a-208h that receive data signals ~D1, ~D2 ... ~D8, respectively (…)

[0047] The rows of pre-charged firing cells 120 are electrically coupled to address lines 206a-206g that receive address signals ~A1, ~A2 ... ~A7, respectively (…)

[0048] The subgroups of the fire groups 202a-202f are identified as subgroups SG1-1 through SG1-13 in fire group one (FG1) 202a, subgroups SG2-1 through SG2-13 in fire group two (FG2) 202b and so on (…).

[0049] Each subgroup of pre-charged firing cells 120 is electrically coupled to two address lines 206a-206g (…)

[0050] Subgroups of pre-charged firing cells 120 are addressed by providing address signals ~A1, ~A2 ... ~A7 on address lines 206a-206g. In one embodiment, the address lines 206a-206g are electrically coupled to one or more address generators provided on printhead die 40.

[0051] Pre-charge lines 210a-210f receive pre-charge signals PRE1, PRE2 PRE6 and provide the pre-charge signals PRE1, PRE2 PRE6 to corresponding fire groups 202a-202f. (…)

[0052] Select lines 212a-212f receive select signals SEL1, SEL2 SEL6 and provide the select signals SEL1, SEL2 30 SEL6 to corresponding fire groups 202a-202f. (…)

[0053] Fire lines 214a-214f receive fire signals or energy signals FIRE1, FIRE2 FIRE6 and provide the energy signals FIRE1, FIRE2 FIRE6 to corresponding fire groups 202a-202f. (…) Each of the fire lines 214a-214f is electrically coupled to all of the firing resistors 52 in the corresponding fire group 202a-202f, and all pre-charged firing cells 120 in a fire group 202a-202f are electrically coupled to only one fire line 214a-214f.The fire lines 214a-214f are electrically coupled to external supply circuitry by appropriate interface pads (…)

(…)

[0056] In another aspect of operation, one of the fire groups 202a-202f is operated by providing a pre-charge signal PRE1, PRE2 ... PRE6 on the pre-charge line 210a-210f of the one fire group 202a-202f. The pre-charge signal PRE1, PRE2 ... PRE6 defines a pre-charge time interval or period during which time the node capacitance 126 on each drive switch 172 in the one fire group 202a-202f is charged to a high voltage level, to pre-charge the one fire group 202a-202f.

[0057] Address signals ∼A1, ∼A2 ... ∼A7 are provided on address lines 206a-206g to address one row subgroup in each of the fire groups 202a-202f, including one row subgroup in the pre-charged fire group 202a-202f. Data signals ∼D1, ∼D2 ... ∼D8 are provided on data lines 208a-208h to provide data to all fire groups 202a-202f, including the addressed row subgroup in the pre-charged fire group 202a-202f.

[0058] Next, a select signal SEL1, SEL2 ... SEL6 is provided on the select line 212a-212f of the pre-charged fire group 202a-202f to select the pre-charged fire group 202a-202f. The select signal SEL1, SEL2 ... SEL6 defines a discharge time interval for discharging the node capacitance 126 on each drive switch 172 in a pre-charged firing cell 120 that is either not in the addressed row subgroup in the selected fire group 202a-202f or addressed in the selected fire group 202a-202f and receiving a high level data signal ∼D1, ∼D2 ... ∼D8. The node capacitance 126 does not discharge in pre-charged firing cells 120 that are addressed in the selected fire group 202a-202f and receiving a low level data signal ∼D1, ∼D2 ... ∼D8. A high voltage level on the node capacitance 126 turns the drive switch 172 on (conducting).

[0059] After drive switches 172 in the selected fire group 202a-202f are set to conduct or not conduct, an energy pulse or voltage pulse is provided on the fire line 214a-214f of the selected fire group 202a-202f. Pre-charged firing cells 120 that have conducting drive switches 172, conduct current through the firing resistor 52 to heat ink and eject ink from the corresponding drop generator 60.

(…)

[0194] Figure 13 is a block diagram illustrating one embodiment of two address generators 1000 and 1002 and six fire groups 1004a-1004f. Each of the address generators 1000 and 1002 is similar to address generator 400 of Figure 9 and fire groups 1004a-1004f are similar to fire groups 202a-202f illustrated in Figure 7. The address generator 1000 is electrically coupled to fire groups 1004a-1004c through first address lines 1006. The address lines 1006 provide address signals ~Al, ~A2,... ~A7 from address generator 1000 to each of the fire groups 1004a-1004c. Also, address generator 1000 is electrically coupled to control line 1010. Control line 1010 [receives]2 conducts control signal CSYNC to address generator 1000. In one embodiment, the CSYNC signal is provided by an external controller to a printhead die on which two address generators 1000 and 1002 and six fire groups 1004a-1004f are fabricated. In addition, address generator 1000 is electrically coupled to select lines 1008a-1008f. The select lines 1008a-1008f are similar to select lines 212a-212f illustrated in Figure 7. The select lines 1008a-1008f conduct select signals SEL1, SEL2, SEL6 to address generator 1000, as well as to the corresponding fire groups 1004a-1004f (not shown).

[0195] The select line 1008a conducts select signal SEL1 to address generator 1000, in one embodiment is timing signal T3 timing signal T6. The select line 1008b conducts select signal SEL2 to address generator 1000, in one embodiment is timing signal T3 timing signal T1. The select line 1008c conducts select signal SEL3 to address generator 1000 in one embodiment is timing signal T3 timing signal T2. The select line 1008d conducts select signal SEL4 to address generator 1000, in one embodiment is timing signal T3 timing signal T3. The select line 1008e conducts select signal SEL5 to address generator 1000, in one embodiment is timing signal T3 timing signal T4, and the select line 1008f conducts select signal SEL6 to address generator 1000, in one embodiment is timing signal T3 timing signal T5.

[0196] The address generator 1002 is electrically coupled to fire groups 1004d-1004f through second address lines 1012. The address lines 1012 provide address signals ∼B1, ∼B2, ... ∼B7 from address generator 1002 to each of the fire groups 1004d-1004f. Also, address generator 1002 is electrically coupled to control line 1010 that conducts control signal CSYNC to address generator 1002. In addition, address generator 1002 is electrically coupled to select lines 1008a-1008f. The select lines 1008a-1008f conduct select signals SEL1, SEL2, ... SEL6 to address generator 1002, as well as to the corresponding fire groups 1004a-1004f (not shown).

[0197] The select line 1008a conducts select signal SEL1 to address generator 1002, which in one embodiment is timing signal T3. The select line 1008b conducts select signal SEL2 to address generator 1002 , which in one embodiment is timing signal T4. The select line 1008c conducts select signal SEL3 to address generator 1002, which in one embodiment is timing signal T5. The select line 1008d conducts select signal SEL4 to address generator 1002, which in one embodiment is timing signal T6. The select line 1008e conducts select signal SEL5 to address generator 1002, which in one embodiment is timing signal T1, and the select line 1008f conducts select signal SEL6 to address generator 1002, which in one embodiment is timing signal T2.

Prior art

2.4.

Europese octrooiaanvrage EP 1 080 898 A2 (hierna: EP 898), getiteld ‘Redundant input signal paths for an inkjet print head’, gepubliceerd op 7 maart 2001, omvat het volgende:

[0007] Individual transistors are typically addressed using combinations of electrical signals applied to the drain, source and gate terminals. These combinations of signals can effectively control when individual transistors will be in their "on" state, thereby allowing a droplet of ink to be ejected onto the print medium. Multiplexing the function of the various lines through the semiconductors allows a large number of individual transistors to be addressed using a relatively small number of address line conductors.

[0027] Each primitive shown in FIG. 1B (P1 - P1') includes a plurality of heater resistors, also known in the art as drop generators D or D', and associated multiplexing circuitry M or M', including the FETs described above. The multiplexing circuitry receives signals from a plurality of power or primitive select or primitive control lines (not shown in FIG. 1B) and address select lines A or A'. The primitive control lines and the address lines together actuate the drop generators D or D' by firing the FETs, the current of which acts to eject droplets of ink during a printing operation. In order to properly activate a particular drop generator, a combination of a primitive select line[s] and an address select line[s] that is unique to that drop generator must be activated. A primitive select line connects to the source/drain of each transistor by way of the drop generator within the primitive associated with the primitive select line. An address select line 32 or 32' connects to the gate of one transistor in each of the primitives within region 30-1 or 30-2.

(…)

[0032] In the preferred embodiment, each FET of a primitive has its gate terminal coupled to an address line 642. There are therefore a number of address lines "N" in an address bus 640, 650 that is equal to the number of drop generators (and FETs) in each of the primitives shown (602, 604, 606, 608, 610, 612, 614, 615, 616, 618, 620, and 622). The address lines to the gates of the FETs of one set of primitives shown (602, 604, 606, 608, 610, 612) are electrically isolated from the gates of the FETs of the other set of primitives shown (614, 615, 616, 618, 620, and 622). (In an alternate embodiment, the two sets of address lines may be indirectly or directly coupled together.) The FETs in any set of primitives will not fire if those FETs are deactivated by their corresponding primitive control lines, depicted in FIG. 6A as the "P" lines 690. The address lines are therefore effectively multiplexed to reduce the number of address lines needed to control numerous transistors in several primitives while allowing for individual selectability (addressability) of the drop generators. The only exception to this would be if one or more truncated primitives P (with less than N drop generators) is utilized. During a printing operation, the printing system cycles through the address lines such that only one of the address lines A1 through AN is activated at a time. (See FIG. 6B.) Thus, within a primitive, only one drop generator can be activated at a time. However, all of the drop generators in the various primitives associated with a particular address can be fired simultaneously.

(…)

[0036] In a third embodiment, the number of addresses A1, A2,..., AN in region 30-1 is equal to the number of addresses A1',A2',...,AN' in region 30-2 (although alternate embodiments would include using different numbers of address lines in each region.) In the third embodiment, jumpers or conductive traces on print head 30 or a flexible circuit attached to the print head 30 electrically connect the address A1 to address A1', address A2 to address A2',..., address AN to AN', etc. Thus, whenever address A is activated in section 30-1, a corresponding address A' is activated in section 30-2. By providing these separate connections for each address pair A and A', the crucial address connections are maintained even if a connection to one of them is lost. This assures that the proper signals are provided to print head 30 even if one of the address connections to print head 30 is lost.

[0037] In a fourth embodiment, the addresses in the sections 30-1 and 30-2 are electrically isolated. This allows the printer assembly to operate the print head in two modes. The printer can activate pairs of addresses A and A' simultaneously, allowing for a higher printer speed. One way to do this is might include having the printer assembly circuitry electrically couple the address lines in pairs. Alternatively, the printer can operate the addresses A and A' independently while combining primitives between region 30-1 and 30-2 in pairs. This lowers printer cost, but sacrifices speed.

(…)

[0042] A more-reliable ink jet print head of the present invention includes a substrate that supports heater resistors that provide heat pulses for ejecting droplets of ink onto a medium. As depicted schematically by Fig. 4, each heater resistor 400 is individually controlled by a separate switching device 402, which is preferably a field effect transistor, or FET. Each switching device 402 has a primitive select lead 404 for transmitting power, and an address select lead 406 for opening and closing the switching device 402 through the FET gate to allow current to flow through the resistor 400. Thus, in order to heat a particular resistor 400, the particular resistor's associated switching device 402 must have its primitive lead 404 and address lead 406 active concurrently.

[0043] In the print head of the present invention, the resistors and associated FETs coupled to the resistors are arranged into groupings called primitives. There are several primitives on each substrate. Each primitive has a separate single primitive select lead that provides power to all of the resistors in the primitive. Each primitive has a ground lead coupled to the ground connections of every switching device in the primitive. To reduce the required number of connections required to connect to the substrate, the same ground lead can be coupled to multiple primitives.

[0044] Each switching device (FET or other transistor device) within a particular primitive is coupled to an independent or separately energizable address select lead. During operation, the address leads are actuated one at a time in a sequence such that only a single switching device in a primitive is actuated at a time. To reduce the required number of connections to the substrate, address lines are shared between primitives.

2.5.

Amerikaans octrooi US 6 176 569 (hierna US 569), getiteld ‘Transitional ink jet heater addressing’, verleend op 23 januari 2001, Europese octrooiaanvragen EP 1 172 211 A2, getiteld ‘Printhead, head cartridge, printing apparatus, and printhead element substrate’, gepubliceerd op 16 januari 2002, en EP 1 128 324 A2, (hierna: EP 324), getiteld ‘Printhead, printhead driving method, and data output apparatus’, gepubliceerd op 29 augustus 2001, zijn eveneens, naast EP 898, door Benson c.s. aangehaald in het kader van het gestelde gebrek aan inventiviteit van EP 669.

Benson c.s., proefaankopen, beslag

2.6.

Benson Image, Aigostar en Top Printing zijn alle actief in de handel in computer- en/of printeraccessoires.

2.7.

Top Printing heeft een derde, die voor HP cartridges heeft besteld, op 4 maart 2015 gefactureerd voor de volgende producten, welke op 8 maart 2015 zijn geleverd:

HP 300 color (10 cartridges)

HP 300 black (10 cartridges)

HP 364 black (20 cartridges)

HP 364 photo black (10 cartridges)

HP 364 cyan (10 cartridges)

HP 364 magenta (10 cartridges)

HP 364 yellow (10 cartridges)

HP 950 black (10 cartridges)

HP 951 cyan (10 cartridges)

HP 951 magenta (10 cartridges)

HP 951 yellow (10 cartridges)

2.8.

Op 19 mei 2015 hebben HP en Hewlett-Packard Company (hierna: HPC) conservatoir beslag tot afgifte en bewijsbeslag met monsterneming op bepaalde printercartridges en bescheiden doen leggen onder gedaagden. Het betrof printcartridges met de typeaanduidingen HP 300, HP 301, HP 901, HP 336, HP 337, HP 338, HP 348, HP 343, HP 342, HP 344, HP 350 en HP 351. Het beslag is gelegd krachtens verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2015 (zaak- /rekestnummer 475819 / KG RK 15-915), gegeven op verzoek van HP en HPC. Op 16 juli 2015 heeft in elk geval HP conservatoir beslag tot afgifte doen leggen onder gedaagden op bepaalde typen remanufactured cartridges (hervulde ‘originele’ cartridges).

3 De vorderingen en het verweer in conventie en reconventie

3.1.

HP vordert in conventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

“1. gedaagden te gebieden met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis iedere directe of indirecte inbreuk op het octrooi EP 1 737 669 te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder het in of voor haar bedrijf te (doen) vervaardigen, te (doen) gebruiken, in het verkeer te (doen) brengen of verder te (doen) verkopen, te (doen) verhuren, af te (doen) leveren en/of anderszins te (doen) verhandelen dan wel voor een of ander aan te (doen) bieden of in voorraad te (doen) hebben van de inbreukmakende cartridges te staken en gestaakt te houden;

2. te gebieden dat met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis de raadslieden van HP een uittreksel, dan wel afschrift of inzage wordt verschaft in de bescheiden welke zijn beslagen nadat de deskundige van DigiJuris in samenwerking met een Chinees sprekende tolk een selectie heeft gemaakt op basis van de door HP overgelegde keywords;

3. te gebieden dat met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis de monstergenomen cartridges worden afgegeven aan de raadslieden van HP;

4. gedaagden te gebieden binnen twee weken na betekening van het vonnis, de in voorraad gehouden inbreukmakende cartridges te vernietigen, uitsluitend voor zover die producten zich bevinden in Nederland, en aan de raadslieden van HP binnen één week na de vernietiging deugdelijk bewijs te verschaffen dat die vernietiging volledig en tijdig heeft plaatsgevonden;

5. gedaagden te gebieden om aan de raadslieden van HP binnen vier weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, een door een onafhankelijke registeraccountant gecontroleerde en gecertificeerde schriftelijke en gedetailleerde opgave te doen, vergezeld van door deze accountant gecertificeerde kopieën van alle relevante onderliggende documenten (facturen, paklijsten, vrachtbrieven, orders, orderbevestigingen, voorraadadministratie en andere bewijsstukken) van het aantal gefabriceerde, ingekochte, geïmporteerde, verkochte, in voorraad zijnde en/of op andere commerciële wijze in het verkeer gebrachte inbreukmakende cartridges waarbij tevens de kostprijs, inkoopprijs, verkoopprijs en herkomst van deze inbreukmakende cartridges, alsmede de van de verhandeling van deze exemplaren genoten bruto- en nettowinst, berekend conform de variabele kostprijsmethode, alsmede alle overige voor de berekening van de winst en/of schadevergoeding van belang zijnde informatie;

6. gedaagden te gebieden de geleden schade van HP te vergoeden dan wel de door de octrooi-inbreuk genoten winst aan HP af te dragen, één en ander naar keuze van HP en indien HP binnen veertien dagen na de door gedaagde verstrekte winstopgave kiest voor winstafdracht, die winst direct opeisbaar is en zal worden afgedragen aan HP en indien HP niet binnen veertien dagen na de door gedaagde verstrekte winstopgave kiest voor winstafdracht, HP de keuze voor schadevergoeding, nader op te maken bij staat, behoudt;

7. gedaagden te gebieden om aan de raadslieden van HP binnen vier weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, opgave te doen van de leverancier(s), producent(en), tussenhandelaren en alle overige partijen die onderdeel uitmaken van de distributieketen van de inbreukmakende cartridges vanaf de productie tot aan de verkoop door BI in Nederland, onder mededeling van volledig(e) adres(sen) en telefoonnummer(s);

8. gedaagden te gebieden binnen een periode van zeven dagen na betekening van het vonnis, al hun professionele afnemers (niet zijnde particulieren) voor zover deze afnemers gevestigd zijn in Nederland, per brief of e-mail te verzoeken de inbreukmakende cartridges binnen twee weken te retourneren met het aanbod de factuurprijs en transportkosten te vergoeden, met gebruikmaking van uitsluitend de volgende tekst:

“[Logo Gedaagde/ gebruikelijk brievenhoofd]

[plaats/datum]

Geachte [naam koper],

Enige tijd geleden hebben wij u cartridges van ons huismerk geleverd.

Bij vonnis van [DATUM VONNIS] heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat het vervaardigen, in voorraad houden, aanbieden, verkopen en/of leveren van deze producten inbreuk maakt op Europees Octrooi EP 1 737 669 van Hewlett-Packard.

Wij verzoeken u de aan u geleverde en hierboven genoemde cartridges, voor zover u deze nog in voorraad heeft, binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief aan ons te retourneren. Wij zullen in dat geval de factuurprijs en verzendkosten voor het retour sturen van de cartridges aan u vergoeden.

Voor de goede orde maken wij melding van het feit dat u, door het in voorraad houden, het aanbieden en/of het verkopen van genoemde cartridges, inbreuk maakt op de intellectuele eigendomsrechten van Hewlett-Packard.

Met vriendelijke groet,

[Naam Gedaagde]”

althans een brief met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen inhoud, onder gelijktijdige toezending van kopieën van deze brief of e-mail alsmede een lijst van geadresseerden met volledige adresgegevens aan de raadslieden van HP;

9. gedaagden te gebieden binnen een periode van zeven dagen na betekening van het vonnis de bezoekers van haar website te informeren met betrekking tot de inbreuk, door een boodschap te plaatsen op de websites “http://www.bensonimage.com” en “http://www.aigostar.com” en deze boodschap gedurende een periode van vier weken op de homepage te laten staan, zonder daarbij verder enig verder commentaar of anderszins een toelichting te geven, in woord of in beeld, met slechts de volgende inhoud, in de taal van de betreffende homepage:
Onlangs hebben wij cartridges van ons huismerk bestemd voor Hewlett-Packard printers in Nederland verkocht. Bij vonnis van [DATUM VONNIS] heeft de rechtbank Den Haag beslist dat deze cartridges inbreuk maken op Europees Octrooi EP 1 737 669 van Hewlett-Packard. Indien u deze cartridges van ons heeft gekocht, verzoeken wij u deze aan ons te retourneren. Wij zullen in dat geval de factuurprijs en de verzendkosten voor het retourneren van de cartridges aan u vergoeden”.

althans een boodschap met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen inhoud, waarbij de boodschap als duidelijk zichtbare hoofdtekst op de website wordt geplaatst zal worden (niet in een ‘pop-up window’) zodat, wanneer een internetgebruiker de website van gedaagde bezoekt de boodschap een zodanige omvang zal hebben dat deze tenminste een kwart van het zichtbare gedeelte van de homepage bedekt, zonder deze homepage omlaag te hoeven scrollen en waarbij de tekst van de boodschap zo is ontworpen dat de boodschap goed en duidelijk leesbaar is, waarbij tevens geen technische maatregelen mogen worden genomen ter voorkoming dat een bezoeker van de website niet op de normale wijze op de hoofdpagina terecht komt;

10. gedaagden te gebieden aan eiser een onmiddellijk opeisbare dwangsom te betalen van € 1.000,- althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, per inbreukmakende cartridge of € 10.000,- voor elke dag of gedeelte daarvan of, zulks ter keuze van eiser, waarop het aan gedaagde kan worden toegerekend dat de in het petitum van deze dagvaarding verzochte geboden en/of verboden niet geheel of niet deugdelijk worden nageleefd, waarbij elk aangetroffen exemplaar van de inbreukmakende cartridge geldt als een afzonderlijke overtreding heeft te gelden;

11. gedaagden te bevelen tot betaling van de daadwerkelijke en evenredige kosten van dit geding conform art. 1019h Rv.”

3.2.

HP legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Benson c.s. door het in Nederland verrichten van voorbehouden handelingen in de zin van artikel 53 lid 1 Rijksoctrooiwet (ROW) met inkjet cartridges die voldoen aan de kenmerken van de conclusies 1 tot en met 4 van EP 669, inbreuk maakt op het octrooi. Benson c.s. maakt indirecte inbreuk op het octrooi omdat zij in Nederland cartridges aanbiedt en levert die, in de zin van artikel 73 ROW, middelen betreffende een wezenlijk bestanddeel van de uitvinding zijn voor de toepassing van de geoctrooieerde werkwijze (volgens conclusie 12) in Nederland, aldus HP. Voorts heeft HP recht op en belang bij inzage in de onder het bewijsbeslag vallende bescheiden en afgifte van de in beslag genomen monsters op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) omdat HP de inbreuk en de omvang daarvan nader wenst te onderbouwen, mede in het licht van de schadestaatprocedure.

3.3.

Benson c.s. voert verweer in conventie.

3.4.

Benson c.s. vordert in reconventie, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

“1. het Nederlandse deel van EP 1 737 669, althans conclusies 1 en 12 daarvan, te vernietigen;

2. te verklaren voor recht dat het onder gedaagden gelegde conservatoire beslag tot afgifte, de monsternemingen en het bewijsbeslag d.d. 19 mei 2015 ten aanzien van de printhead cartridges zijn vervallen;

3. te verklaren voor recht dat het onder gedaagden gelegde conservatoire beslag tot afgifte d.d. 16 juli 2015 ten aanzien van de remanufactured cartridges is vervallen, althans het onder gedaagden gelegde conservatoire beslag tot afgifte d.d. 16 juli 2015 ten aanzien van de remanufactured cartridges op te heffen;

4. Primair :alle onder gedaagden gelegde conservatoire beslagen tot afgifte, monsternemingen en bewijsbeslagen d.d. 19 mei 2015 en 16 juli 2015 op te heffen; dan wel
HP te veroordelen om binnen twee dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis, dan wel binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, alle onder gedaagden gelegde conservatoire beslagen tot afgifte, monsternemingen en bewijsbeslagen d.d. 19 mei 2015 en 16 juli 2015 op te (doen) heffen;

Subsidiair: de onder gedaagden gelegde conservatoire beslagen tot afgifte d.d. 19 mei 2015 en 16 juli 2015 ten aanzien van de cartridges met typenummers HP 301, HP 901, HP 336, HP 337, HP 338, HP 348, HP 343, HP 342, HP 344, HP 350 en HP 351 op te heffen, dan wel HP te veroordelen om binnen twee dagen na het wijzen van vonnis althans na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, de onder gedaagden gelegde conservatoire beslagen tot afgifte d.d. 19 mei 2015 en 16 juli 2015 ten aanzien van de cartridges met typenummers HP 301, HP 901, HP 336, HP 337, HP 338, HP 348, HP 343, HP 342, HP 344, HP 350 en HP 351 op te (doen) heffen;

5. HP te veroordelen om binnen twee dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis, dan wel binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, ervoor zorg te dragen dat alle in bewijsbeslag c.q. in bewaring genomen zaken, waaronder alle gegevensdragers en bescheiden, door de gerechtelijk bewaarder worden (terug)gegeven aan gedaagden;

6. sub 4 (primair en subsidiair) en sub 5 van het petitum onder verbeurte van een onmiddellijk opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 2.000,- (tweeduizend Euro) per dag (een gedeelte daarvan tot een gehele gerekend) dat HP niet, althans niet volledig, voldoet aan die bevelen;

7. te verklaren voor recht dat HP onrechtmatig jegens gedaagden heeft gehandeld door het leggen van conservatoir beslag tot afgifte, monsterneming en bewijsbeslag d.d. 19 mei 2015 en/of 16 juli 2015;

8. HP te veroordelen tot vergoeding van de schade die gedaagden als gevolg van de onrechtmatige handhaving van de vermeende octrooirechten door HP hebben geleden, waaronder de schade die is ontstaan door de onrechtmatige beslaglegging, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en

9. HP te veroordelen in de volledige proceskosten ex artikel 1019h, alles inclusief de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.”

3.5.

Benson c.s. legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de wijzigingen van de conclusies van het octrooi tijdens de verleningsprocedure ertoe hebben geleid dat het onderwerp van het octrooi – althans van de conclusies 1 en 12 – niet meer gedekt wordt door de inhoud van de oorspronkelijke aanvrage, wat in strijd komt met artikel 75 lid 1 onder c ROW, althans artikel 123(2) van het Europees Octrooiverdrag (EOV). Ook ontberen de conclusies 1 en 12 van EP 669 nieuwheid en inventiviteit zodat het octrooi vernietigd dient te worden op grond van artikel 75 lid 1 onder a jo artikel 4 ROW/artikel 54 EOV, respectievelijk artikel 75 lid 1 onder a jo artikel 6 ROW/artikel 56 EOV. De beslagen van 19 mei 2015 en 16 juli 2015 zijn vervallen, althans zij dienen te worden opgeheven nu HP niet tijdig een eis in de hoofdzaak heeft ingesteld. Aangezien HP geen eis in de hoofdzaak heeft ingesteld, heeft zij misbruik gemaakt van haar bevoegdheid tot het (doen) leggen van beslag, en is HP aansprakelijk voor de schade zijdens Benson c.s. als gevolg daarvan, aldus Benson c.s.

3.6.

HP voert verweer in reconventie.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

Bevoegdheid

4.1.

Benson c.s. is in Nederland is gevestigd, zodat de rechtbank in conventie bevoegd is van de vorderingen van HP kennis te nemen op grond van artikel 4 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) jo artikel 80 lid 2 sub a ROW. De bevoegdheid in reconventie berust op artikel 24 lid 4 EEX-Vo jo artikel 80 lid 1 onder a ROW. Over en weer is de bevoegdheid voor Nederland bovendien niet bestreden3.

Technische inleiding

4.2.

Hieronder volgt een inleiding in de techniek die is gebaseerd op de procestukken en het pleidooi, inclusief de technische inleiding van HP voor zover die niet is weersproken door Benson c.s., en – voor zover het de uitleg van werking van de geclaimde uitvinding betreft – de beschrijving en tekeningen van het octrooi zoals aangehaald in r.o. 2.3.

4.3.

De voorliggende zaak heeft betrekking op zogeheten meerdimensionale aansturing van druppelgeneratoren in printhead cartridges voor inkjet printers.

4.4.

Inkjet printers brengen tekst of afbeelding aan op een printmedium (bijvoorbeeld papier) middels het uitstoten van inktdruppels. De gebruiker van een inkjet printer vervangt de cartridge van de printer wanneer deze leeg is. Inkjet cartridges kunnen worden onderverdeeld in zogeheten inktank cartridges, in wezen inktpatronen, , en printhead cartridges, bestaande uit printkop en inktreservoir in één.

4.5.

Tijdens het afdrukken beweegt de cartridge met printkop heen en weer over het medium. De printkop omvat een veelheid aan zogeheten druppelgeneratoren. Tijdens de beweging worden bepaalde druppelgeneratoren in de printkop op basis van gegevens omtrent de te produceren afbeelding aangestuurd om inkt uit te stoten door een elektrisch signaal afkomstig van de printer. Bij thermische inkjet printers stoten de druppelgeneratoren inkt uit wanneer de inkt in een verdampingskamer (ook wel vaporization chamber) wordt opgewarmd zodat deze wordt uitgestoten via een uitstootopening (ook wel nozzle). Dit opwarmen gebeurt door een weerstand (de zogeheten afvuurweerstand) die in contact is met de inkt, en die warmte produceert wanneer daar stroom doorheen loopt. Een schakelaar of schakeling, zoals bijvoorbeeld een veldeffecttransistor4, regelt of er stroom door de afvuurweerstand kan lopen.

4.6.

In de onderstaande afbeelding (een gedeelte van een door HP bewerkte figuur 6 uit het octrooi) zet een spanning die bij een van de aansluitingen (de gate) van FET 172 is opgebouwd (bij punt 126) de FET op “aan” (geleidend), zodat de stroom die via de toevoerlijn FIRE aan weerstand 52 wordt aangeboden door de weerstand naar de aarde 122 kan gaan lopen en zo de weerstand, en daarmee de inkt, kan verhitten.

4.7.

Aangezien er voor de gewenste printresolutie en -snelheid een steeds groeiende hoeveelheid druppelgeneratoren nodig is, en het aantal individuele aansluitingen op een printkop vanwege de gewenste kleine afmeting daarvan beperkt is, is gebruikelijk geworden om de druppelgeneratoren ‘meerdimensionaal’ aan te sturen. Dat kan door bijvoorbeeld een raster of matrix van druppelgeneratoren in zijn geheel op één afvuurlijn aan te sluiten, en de respectieve FETs van de afzonderlijke druppelgeneratoren aan te sturen met een eerste signaal voor selectie van de betreffende kolom waarin de gewenste druppelgenerator zich bevindt en een tweede signaal voor selectie van de gewenste rij. Zo kan iedere druppelgenerator individueel worden aangestuurd door een combinatie van meerdere signalen terwijl het aantal aansluitingen op de printkop beperkt blijft (ten opzichte van een situatie waarin iedere druppelgenerator zijn eigen afvuurlijn heeft).

4.8.

Eerdergenoemde signalen bestaan uit een spanning die op de betreffende lijn wordt gezet, of de afwezigheid daarvan (aan of uit). Hoewel in de praktijk verschillende namen worden gebruikt voor deze signalen (bijvoorbeeld select signal, enable signal, address signal, time signal) zijn zij in fysiek opzicht hetzelfde: wel of geen spanning. De wijze waarop de signaallijnen zijn gekoppeld (aan welke overige componenten van de printkop), bepaalt het effect van (afwezigheid) van dergelijke signalen.

4.9.

Een nadeel van eerdergenoemde tweedimensionale aansturing is dat nog steeds een relatief groot aantal contactpunten (input pads) nodig is op de printkop. Het octrooi beschrijft een techniek om dat aantal te verminderen. Daarbij zal de rechtbank verwijzen naar de figuren 6, 7 en 13 van het octrooi, die – zoals HP onweersproken heeft gesteld – een uitvoeringsvorm van de inrichting volgens conclusie 1 illustreren.

4.10.

In figuur 6 van het octrooi omvat afvuurcel 120 de afvuurweerstand 52. De (veldeffect)transistor 172 kan “aan” of “uit” staan naar gelang er spanning op punt 126 staat. Wanneer een energiesignaal FIRE op lijn 124 wordt aangelegd, en transistor 172 staat “aan” (geleidend) als gevolg van de opgebouwde lading op punt 126, zal een stroom gaan lopen door lijn 124 naar de aarde (122) als gevolg waarvan de weerstand 52 zal opwarmen en de afvuurcel inkt uitstoot. Teneinde deze situatie te bereiken moeten voorafgaand aan het afvuurmoment achtereenvolgens de volgende signalen zijn toegevoerd:

  • -

    een PRECHARGE-signaal op de lijn 132 voor de opbouw van lading op punt 126;

  • -

    een ~DATA-signaal op datalijn 142 (de ~ duidt een negatief signaal aan);

  • -

    ~ADDRESS 1 en ~ADDRESS 2-signalen op de lijnen 144 en 146;

  • -

    een SELECT-signaal op lijn 134.

4.11.

De DATA- en ADDRESS- signalen bepalen de toestand van respectievelijk datatransistor 136 en adrestransistoren 138 en 140. In bovenstaande figuur (een bewerking door HP van figuur 6) staan datatransistor 136 en adrestransistoren 138 en 140 “uit” (niet geleidend) als gevolg van de aangeboden negatieve signalen. Datatransistor 136 en adrestransistoren 138 en 140 zijn verbonden met de aarde 122, zodat wanneer zij “aan” staan (geleidend), stroom wegvloeit naar de aarde. Het SELECT-signaal op lijn 134 zet transistor 130 “aan” (geleidend).

4.12.

Wanneer ten minste één van de transistoren 136, 138 of 140 gelijktijdig met keuzetransistor 130 “aan” staat (zoals in bovenstaande figuur), zal de bij punt 126 opgebouwde lading naar de aarde wegvloeien waardoor de spanning op punt 126 wordt opgeheven, en transistor 172 “uit” zal gaan, waardoor geen stroom door weerstand 52 zal lopen wanneer het signaal FIRE wordt aangeboden. Wanneer transistoren 136, 138 als 140 alle “uit” staan wanneer het SELECT signaal wordt gegeven (en daardoor transistor 130 “aan” gaat), kan geen stroom wegvloeien naar de aarde en zal transistor 172 ook “aan” blijven staan. Als op dat moment het energiesignaal FIRE wordt aangeboden, zal een stroom door weerstand 52 lopen en zal de afvuurcel een druppel inkt afgegeven, zoals in onderstaande afbeelding.

4.13.

De in figuur 6 genoemde signalen ADDRESS, SELECT, PRECHARGE en DATA komen van buiten de afvuurcel. In figuur 7 van het octrooi is een matrix van afvuurcellen 120 weergegeven (vergelijk r.o. 2.3) die door eerdergenoemde signalen meerdimensionaal worden aangestuurd. Wanneer die figuur word samengevoegd met figuur 13 van het octrooi, waarin de in conclusie 1 genoemde adresgeneratoren worden getoond, ontstaat het volgende ‘totaalbeeld’ (bewerking door HP van de combinatie van de figuren 7 en 13 van het octrooi):

4.14.

Eerdergenoemde afvuurcellen (die druppelgeneratoren omvatten) zijn in deze uitvoeringsvorm gegroepeerd in afvuurgroepen die uit rijen en kolommen afvuurcellen bestaan. Uitgaande van een afvuurgroep die als geheel een prechargesignaal (PRE1-5) ontvangt, wordt een (hele) afvuurgroep door een signaal (SEL1-6) op de betreffende eigen selectielijn geselecteerd (rood). Datasignalen (~D1-8) activeren binnen de (alle) afvuurgroepen één of meer kolommen afvuurcellen (groen). Door middel van twee adressignalen (blauw) wordt binnen een afvuurgroep een rij afvuurcellen geselecteerd. De combinatie van deze signalen leidt vervolgens in één of meer individuele afvuurcellen tot het uitstoten van inkt indien op de betreffende vuurlijn een energiesignaal wordt aangeboden (immers dan staan in de betreffende afvuurcellen de transistoren 130, 136, 138 allen “uit”, transistor 140 “aan” en – dus – transistor 172 “aan”).

in conventie

4.15.

Het meest verstrekkende verweer van Benson c.s. in conventie is dat het octrooi nietig is vanwege toegevoegde materie, gebrek aan nieuwheid en gebrek aan inventiviteit, en dat op een nietig octrooi geen inbreuk kan worden gemaakt.

Toegevoegde materie

4.16.

Benson c.s. betoogt dat de wijzigingen van de onafhankelijke conclusies 1 en 12 tijdens de verleningsprocedure er toe hebben geleid dat de verleende conclusies toegevoegde materie bevatten en het octrooi daarom nietig is. Benson c.s. brengt in dit verband drie hoofdargumenten voort. HP bestrijdt deze argumenten gemotiveerd.

4.17.

De rechtbank stelt voorop dat wijzigingen van een Europese octrooiaanvrage (van zowel beschrijving of conclusies) slechts zijn toegestaan binnen de grenzen van hetgeen de vakman, met zijn vakkennis en objectief gezien op de indieningsdatum, rechtstreeks en ondubbelzinnig, impliciet dan wel expliciet, uit de oorspronkelijke aanvrage kan afleiden (de zogenaamde disclosure-test of ‘gouden standaard’). Na genoemde wijzigingen mag de vakman niet geconfronteerd worden met nieuwe technische informatie5. In de rechtspraak van de Kamers van Beroep van het Europees Octrooibureau (EOB) zijn criteria aangelegd die worden gehanteerd voor de toegevoegde materie-toetsing in specifieke situaties, zoals bij toevoegingen aan dan wel weglatingen uit oorspronkelijk ingediende conclusies, of het in een conclusie veralgemeniseren van een kenmerk van een bepaalde uitvoeringsvorm zonder de overige kenmerken daarvan aldus te veralgemeniseren (intermediate generalisation). Daarbij is door Benson c.s. een beroep gedaan op de in de EOB-rechtspraak ontwikkelde regel dat een intermediate generalisation slechts toelaatbaar is als het voor de vakman duidelijk is dat tussen het veralgemeniseerde kenmerk en de overige kenmerken van de uitvoeringsvorm waaruit het kenmerk is gehaald geen functioneel of structureel verband bestaat. De rechtbank zal ook naar deze regel verwijzen. In lijn met G 2/10 is de rechtbank van oordeel dat eerdergenoemde regel slechts een hulpmiddel is en dat uiteindelijk slechts het antwoord op de eerder geformuleerde hoofdvraag (de disclosure-test of ‘gouden standaard’) de doorslag geeft.

4.18.

Tijdens de verleningsprocedure heeft HP verschillende elementen aan de conclusies 1 en 12 van de aanvrage toegevoegd. In onderstaande onderverdeling van conclusie 1 in deelkenmerken zijn de toegevoegde elementen onderstreept.

  • -

    a) vloeistofuitstootinrichting (22) die het volgende omvat:

  • -

    b) een eerste afvuurlijn (214) die geschikt is om een eerste energiesignaal dat energiepulsen omvat, te geleiden;

  • -

    c) een tweede afvuurlijn (214) die geschikt is om een tweede energiesignaal dat energiepulsen omvat, te geleiden;

  • -

    d) een veelheid van keuzelijnen om kloksignalen te geleiden, waarbij de veelheid van keuzelijnen een eerste keuzelijn en een tweede keuzelijn omvat;

  • -

    e) een eerste adresgenerator (1000) die geconfigureerd is om eerste adressignalen af te geven op basis van tijdsignalen die van de veelheid van keuzelijnen ontvangen is;

  • -

    f) een tweede adresgenerator (1002) die geconfigureerd is om tweede adressignalen af te geven op basis van tijdsignalen die van de veelheid van keuzelijnen ontvangen is;

  • -

    g) eerste druppelgeneratoren (60) die elektrisch aan de eerste afvuurlijn en de eerste keuzelijn gekoppeld zijn en geconfigureerd zijn om op het eerste energiesignaal te reageren met het uitstoten van vloeistof op basis van de eerste adressignalen en een kloksignaal op de eerste keuzelijn; en

  • -

    h) tweede druppelgeneratoren (60) die elektrisch aan de tweede afvuurlijn en de tweede keuzelijn gekoppeld zijn en geconfigureerd zijn om op het tweede energiesignaal te reageren met het uitstoten van vloeistof op basis van de tweede adressignalen en een kloksignaal op de tweede keuzelijn.

Het ontbreken van het besturingssignaal CSYNC (kenmerken (e) en (f))

4.19.

Volgens Benson c.s. is het kenmerk dat de adresgeneratoren hun adressignaal afgeven op basis van kloksignalen (Benson c.s. gebruikt de term ‘tijdsignalen’) die afkomstig zijn van een veelheid aan keuzelijnen (Benson c.s. gebruikt de term ‘selectielijnen’), uit een uitvoeringsvoorbeeld gehaald en veralgemeniseerd. Daarbij is nagelaten het structureel en functioneel daaraan gerelateerde kenmerk dat adressignalen worden afgegeven op basis van besturingssignalen (control signals) mee te claimen. Er is dus sprake van een ontoelaatbare intermediate generalisation, en zodoende wordt de vakman geconfronteerd met nieuwe technische informatie en is derhalve sprake van toegevoegde materie, aldus Benson c.s.

4.20.

In de oorspronkelijke aanvrage wordt onder meer de volgende passage aan de kloksignalen en besturingssignalen gewijd (p. 68, regel 25 - p. 69, regel 2).

“In address generator 1000, address signals ~A1, ~A2,... ~A7 are valid during timing pulses in timing signals T6, T1 and T2 that correspond to timing pulses in select signals SEL1, SEL2 and SEL3. The control signal CSYNC includes a control pulse coincident with a timing pulse in timing signal T4 that corresponds to the timing pulse in select signal SEL5 to set up address generator 1000 for shifting in the forward direction. The control signal CSYNC includes a control pulse coincident with a timing pulse in timing signal T6 that corresponds to the timing pulse in select signal SEL1 to set up address generator 1000 for shifting in the reverse direction.”

4.21.

In bovenstaande passage leest de vakman dat de adressignalen in de adresgenerator ´are valid’ gedurende bepaalde kloksignalen op de keuzelijnen. Hoewel de aangehaalde tekst wellicht niet meteen helder is, is – zo begrijpt de rechtbank het betoog van HP – een voor de vakman zinnige uitleg daarvan dat de genoemde adressignalen worden opgewekt door de genoemde kloksignalen die samenvallen met genoemde keuzesignalen. Het besturingssignaal CSYNC omvat een besturingspuls die in de tijd samenvalt (coincides) met een kloksignaal, welke puls ervoor dient om de adresgenerator in voorwaartse dan wel achterwaartse richting adressen te laten genereren. HP heeft onweersproken gesteld dat het voor- en achterwaarts genereren van adressen nodig is wanneer de printkop gedurende zowel heen- als terugbeweging van de cartridge inktdruppels moet kunnen uitstoten. De vakman zal aldus begrijpen dat het besturingssignaal CSYNC niet nodig is voor het genereren van adressen als zodanig, maar slechts voor het aansturen van de richting daarvan.

4.22.

Het enkele feit dat het besturingssignaal tegelijk (coincident) met een van de kloksignalen wordt gestuurd, betekent niet dat sprake is van een functionele of structurele relatie tussen klok- en besturingssignalen, zoals Benson c.s. stelt. De enkele gelijktijdigheid van twee fenomenen zegt immers niet noodzakelijkerwijs iets over hun onderlinge structurele of functionele relatie. Ook de omstandigheid dat klok- en besturingssignalen in het leeuwendeel van de oorspronkelijke aanvrage in één adem worden genoemd, is daarvoor onvoldoende. Bovendien kan dat verklaard worden door de boven beschreven functie van de besturingssignalen als ‘versnellingsbak’ voor het voor- of achterwaarts genereren van adressen. Dat de vakman zou begrijpen dat de printkop niet kan werken zonder besturingssignaal, zoals Benson c.s. stelt, wordt verworpen. Zoals HP ter zitting onweersproken heeft gesteld, begrijpt de gemiddelde vakman dat met de geclaimde inrichting (en volgende de geclaimde werkwijze) kan worden geprint zonder besturingssignaal, zij het dat dan de inktdruppels slechts kunnen worden uitgestoten tijdens beweging van de printkop in één richting (niet heen en terug), waardoor het printen langzamer zal gaan.

4.23.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vakman uit de oorspronkelijke aanvrage niet zou begrijpen dat er een functioneel en structureel verband bestaat tussen het besturingssignaal en het kloksignaal en dat daarom de betreffende intermediate generalisation is toegestaan. Anders gezegd: de vakman wordt door de gewijzigde conclusie 1 op dit punt niet met nieuwe technische informatie geconfronteerd.

Keuzelijnen ‘elektrisch… gekoppeld’ aan druppelgeneratoren (kenmerken (g) en (h))

4.24.

Volgens Benson c.s. biedt de oorspronkelijke aanvrage geen basis voor het kenmerk dat de keuzelijnen elektrisch zijn gekoppeld aan de druppelgeneratoren (toevoeging aan kenmerken (g) en (h)). In de aanvrage wordt slechts beschreven dat de keuzelijnen zijn verbonden met afvuurcel 120, dan wel met keuzetransistors 130, dus niet (rechtstreeks) met de druppelgeneratoren. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

4.25.

De vakman leest in conclusie 1 van het octrooi dat de druppelgeneratoren elektrisch gekoppeld zijn aan keuzelijnen en afvuurlijnen. In figuur 6, welke figuur – zo heeft HP onweersproken gesteld – een uitvoeringsvorm volgens conclusie 1 voorstelt, is een afvuurlijn verbonden met de afvuurweerstand van de druppelgenerator, hetgeen een rechtstreekse koppeling kan worden genoemd omdat de afvuurweerstand onderdeel is van de druppelgenerator, zoals HP eveneens onweersproken heeft gesteld. De vakman kan in dezelfde figuur waarnemen dat de keuzelijn 134 via keuzetransistor 130 en afvuurtransistor 172 met de druppelgenerator is verbonden, wat als een indirecte koppeling kan worden gezien. Een zelfde indirecte koppeling van selectielijn met afvuurweerstand wordt ook in de andere (in dit kader relevante) figuren van het octrooi gezien. De vakman zal dus onder ‘elektrisch .. gekoppeld’ in conclusie 1 zowel een directe als een indirecte elektrische koppeling verstaan.

4.26.

Het argument van Benson c.s. dat de oorspronkelijke aanvrage geen basis biedt voor het kenmerk dat de keuzelijnen elektrisch zijn gekoppeld aan de druppelgeneratoren gaat uit van de premisse dat de vakman onder ‘elektrisch… gekoppeld’ in conclusie 1 slechts een rechtstreekse koppeling zal verstaan. Niet is echter gesteld of gebleken dat, of waarom, de vakman een dergelijke beperkte uitleg aan de term ‘elektrisch…gekoppeld’ zou geven. Gelet op het voorgaande is een aldus beperkte uitleg in elk geval niet in lijn met (de figuren van) het octrooi noch met de op dit punt gelijkluidende aanvrage, zodat zij wordt verworpen.

4.27.

De subsidiaire stelling van Benson c.s. is dat met de introductie van de indirecte elektrische koppeling tussen de keuzelijn en de druppelgenerator, ook de keuzetransistor had moeten worden meegeclaimd omdat de geclaimde uitvoeringsvorm niet kan werken zonder deze transistor. Hier zou aldus sprake zijn van een ongeoorloofde intermediate generalisation.

4.28.

De rechtbank is van oordeel dat, zoals HP onweersproken heeft gesteld, de gemiddelde vakman die de verleende conclusie 1 in de context van de octrooibeschrijving leest, begrijpt dat een schakeling moet worden aangebracht tussen enige signaallijn, zoals de keuzelijn, en de druppelgenerator omdat anders een energiepuls die over de afvuurlijn wordt aangeboden, zal kunnen weglopen door deze signaallijn, dan wel een signaal op deze signaallijn over de afvuurweerstand kan gaan lopen en zo de afvuurweerstand verwarmen. Beide situaties zijn onverenigbaar met de in het octrooi (en de aanvrage) beschreven uitvinding. Ter illustratie hiervan heeft HP ter zitting verwezen naar figuur 4 van de aanvrage (r.o. 2.3). In die figuur wordt een uitvoeringsvorm beschreven waarin de enable lijnen (die volgens HP in die uitvoeringsvorm een vergelijkbare functie hebben als de keuzelijnen van conclusie 1) en datalijnen ook via een schakeling (memory circuit) zijn gekoppeld aan de druppelgenerator. Hieruit lijkt in eerste plaats te volgen dat de indirecte koppeling tussen keuzelijn en druppelgenerator niet een kenmerk is dat specifiek is voor een bepaalde uitvoeringsvorm (van figuren 6, 7 en 13), en dat reeds daarom geen sprake is van een intermediate generalisation. Belangrijker is echter dat de vakman op basis van de octrooibeschrijving de term ‘elektrisch …gekoppeld’ in conclusie 1 (behoudens wellicht voor wat betreft de vuurlijn) zal begrijpen als gekoppeld via enige schakeling (transistor), en dus niet geconfronteerd wordt met nieuwe informatie ten opzichte van de oorspronkelijke aanvrage.

4.29.

De stelling dat alle componenten van de uitstootinrichting uiteindelijk op enigerlei wijze (indirect) met elkaar zijn verbonden en het uitlichten van specifieke (indirecte) koppelingen (door middel van het opnemen in conclusie 1) in dat licht betekenisloos zou zijn, zoals Benson c.s. stelt, mist doel. De in conclusie 1 genoemde koppelingen en componenten vormen samen een inrichting die – althans volgens HP – nieuw en inventief is ten opzichte van de stand van de techniek, hetgeen hun afzonderlijke vermelding in de conclusie reeds rechtvaardigt.

Inkt uitstoten mede op basis van kloksignalen

4.30.

Wat betreft het argument van Benson c.s. dat de aanvrage geen basis biedt voor de andere toevoeging aan kenmerken (g) en (h), te weten dat de druppelgeneratoren inkt uitstoten mede op basis van kloksignalen op de keuzelijnen (naast adressignalen op de adreslijnen), overweegt de rechtbank als volgt.

4.31.

In de aanvrage worden keuzelijnen beschreven die zijn verbonden met zowel adresgeneratoren als druppelgeneratoren (de figuren 7 en 13 in samenhang gelezen). Signalen die door de adresgeneratoren over de keuzelijnen worden ontvangen, worden ook wel ‘kloksignalen’ (timing signals) genoemd, terwijl signalen die door de druppelgeneratoren over de keuzelijnen worden ontvangen ook wel ‘keuzesignalen’ (selection signals) worden genoemd. De vakman zal het duidelijk zijn dat het onderscheid tussen kloksignaal en keuzesignaal slechts een kwestie van functionele naamgeving is, in die zin dat dezelfde signalen voor de ontvangende adresgenerator als kloksignaal fungeren omdat zij bepalen op welk moment de adresgenerator een adres aanmaakt (of afgeeft), en voor de ontvangende afvuurgroep als selectie/keuzesignaal fungeren omdat daarmee een bepaalde groep afvuurcellen wordt geselecteerd. Immers, de keuzelijn die naar de adresgeneratoren (figuur 13) en de betreffende druppelgeneratoren (figuur 6) loopt, betreft één en dezelfde (ononderbroken) fysieke leiding. Zoals in de technische toelichting uitgelegd (r.o. 4.8), zijn de op de signaallijnen (dus ook de keuzelijn, maar niet de datalijn) aangeboden signalen ‘aan’ of ‘uit’ (wel of geen spanning; het zijn geen gegevens in de vorm van enen en nullen). Het gevolg daarvan is dat enig elektrisch signaal op de keuzelijn tegelijk door zowel adresgenerator als druppelgenerator zal worden ontvangen en zijn werking zal hebben. Het moet dus bij kloksignalen en keuzesignalen logischerwijs gaan om fysiek dezelfde signalen. Voor de suggestie van Benson c.s. dat keuzesignalen en kloksignalen, hoewel fysiek gelijk, gescheiden in de tijd zouden worden afgegeven, is geen (enkele) basis te vinden in de aanvrage. Een en ander brengt mee dat de primaire stelling van Benson c.s. in dit kader, te weten dat de aanvrage te onduidelijk is om de vakman überhaupt iets te leren omtrent kloksignalen, niet kan slagen.

4.32.

Benson c.s. stelt subsidiair dat in de uitvoeringsvorm volgens figuren 6, 7 en 13 de druppelgeneratoren slechts indirect, namelijk via de tussenkomst van door de adresgeneratoren opgewekte adressignalen, inkt uitstoten op basis van kloksignalen. Omdat de kloksignalen (kennelijk) structureel en functioneel met de overige onderdelen van de uitvoeringsvorm zijn verbonden, hadden ook het controlesignaal, keuzesignaal, precharge signaal, afvuursignaal en datasignaal moeten worden meegeclaimd, aldus Benson c.s. De geclaimde uitstootinrichting kan zonder die andere signalen immers geen inkt uitstoten. Ook is sprake van toegevoegde materie omdat genoemde uitvoeringsvorm alleen maar kan werken als, wat niet is geclaimd, meerdere kloksignalen over meerdere keuzelijnen zijn ontvangen. Het niet opnemen van de genoemde signalen, en dat het om meerdere kloksignalen over meerdere lijnen gaat, levert ook een ongeoorloofde intermediate generalisation op, aldus Benson c.s.

4.33.

Het subsidiaire argument van Benson c.s. kan reeds niet slagen omdat de druppelgeneratoren ook zonder tussenkomst van de adresgeneratoren kloksignalen ontvangen, zoals uit de figuren 7 en 13 (in samenhang) en de toelichting daarop blijkt (vergelijk r.o. 2.3 en de figuur onder 4.13). Wat betreft de volgens Benson c.s. ten onrechte niet meegeclaimde signalen, en het ontbrekende kenmerk dat meerdere kloksignalen over meerdere keuzelijnen moeten worden ontvangen, geldt primair dat Benson c.s. deze stellingen pas bij pleidooi heeft betrokken en HP dus geen gelegenheid heeft gehad zich naar behoren daartegen te verweren. Deze stellingen worden dus primair als in strijd met de goede procesorde gepasseerd.

4.34.

Daarbij overweegt de rechtbank ten overvloede dat, als in r.o. 4.31 overwogen, de vakman zal begrijpen dat de geclaimde kloksignalen dezelfde signalen (moeten) zijn als keuzesignalen. De keuzesignalen zijn dus – materieel gezien – meegeclaimd, evenals het afvuursignaal, dat immers gelijk is aan het energiesignaal, namelijk de drager van de energiepuls die de afvuurweerstand verwarmt. Ten aanzien van het controlesignaal verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen. Wat betreft de beweerdelijk ontbrekende precharge- en datasignalen geldt dat Benson c.s. niet heeft gesteld, noch is gebleken, dat de vakman conclusie 1 van het octrooi in het licht van de octrooibeschrijving zal begrijpen als (mede) omvattend een inrichting zonder precharge en/of datasignaal. Integendeel, overal in de oorspronkelijke aanvrage zijn die signalen uitgangspunt, evenals in het octrooi, zodat daarin geen nieuwe informatie is geopenbaard.

4.35.

Samenvattend geldt ten aanzien van de door Benson c.s. gevoerde toegevoegde materie-argumenten dat (i) de besturingssignalen (CSYNC) niet functioneel en technisch verbonden zijn met de overige kenmerken van de uitvoeringsvorm, zodat de intermediate generalisation is toegestaan, (ii) de vakman “elektrisch… gekoppeld” in conclusie 1 als mede omvattend indirecte koppelingen zal begrijpen, en wat betreft de keuzelijn zal begrijpen als gekoppeld via een schakeling zodat reeds hierom geen sprake is van nieuwe technische informatie, en (iii) de overige argumenten tardief zijn voortgebracht, en overigens summierlijk beschouwd geen hout snijden. De argumenten van Benson c.s. ten aanzien van toegevoegde materie in conclusie 1 kunnen dus niet slagen. Bij deze uitkomst kan de vraag – die partijen verdeeld houdt – in het midden blijven op wie de stelplicht en bewijslast rust voor het aan- of afwezig zijn van een functioneel of structureel verband tussen een veralgemeniseerd kenmerk en de overige kenmerken van de uitvoeringsvorm waaruit eerstgenoemd kenmerk is genomen.

4.36.

Nu Benson c.s. ten aanzien van conclusie 12 niets anders of meer heeft aangevoerd in het kader van toegevoegde materie, geldt hetzelfde daarvoor.

Nieuwheid

4.37.

Benson c.s. bestrijdt de nieuwheid van conclusie 1 van het octrooi onder verwijzing naar EP 898 (vergelijk r.o. 2.4). Conclusie 1 wordt hier nogmaals geciteerd:

  • -

    a) Vloeistofuitstootinrichting (22) die het volgende omvat:

  • -

    b) een eerste afvuurlijn (214) die geschikt is om een eerste energiesignaal dat energiepulsen omvat, te geleiden;

  • -

    c) een tweede afvuurlijn (214) die geschikt is om een tweede energiesignaal dat energiepulsen omvat, te geleiden;

  • -

    d) een veelheid van keuzelijnen om kloksignalen te geleiden, waarbij de veelheid van keuzelijnen een eerste keuzelijn en een tweede keuzelijn omvat;

  • -

    e) een eerste adresgenerator (1000) die geconfigureerd is om eerste adressignalen af te geven op basis van tijdsignalen die van de veelheid van keuzelijnen ontvangen is;

  • -

    f) een tweede adresgenerator (1002) die geconfigureerd is om tweede adressignalen af te geven op basis van tijdsignalen die van de veelheid van keuzelijnen ontvangen is;

  • -

    g) eerste druppelgeneratoren (60) die elektrisch aan de eerste afvuurlijn en de eerste keuzelijn gekoppeld zijn en geconfigureerd zijn om op het eerste energiesignaal te reageren met het uitstoten van vloeistof op basis van de eerste adressignalen en een kloksignaal op de eerste keuzelijn; en

  • -

    h) tweede druppelgeneratoren (60) die elektrisch aan de tweede afvuurlijn en de tweede keuzelijn gekoppeld zijn en geconfigureerd zijn om op het tweede energiesignaal te reageren met het uitstoten van vloeistof op basis van de tweede adressignalen en een kloksignaal op de tweede keuzelijn.

4.38.

Dat kenmerken (a) tot en met (c) van conclusie 1 in EP 898 worden beschreven, is niet in geschil. Ten aanzien van de veelheid aan keuzelijnen die kloksignalen geleiden (kenmerk (d)) heeft Benson c.s. zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat deze keuzelijnen corresponderen met de primitive select lines or primitive control lines van EP 898 (CvA nr. 97; vergelijk het geciteerde [0027] in r.o. 2.4). Bij pleidooi heeft Benson c.s. echter haar koers gewijzigd door de stellen dat de address select lines van EP 898 de keuzelijnen van conclusie 1 zijn.

4.39.

Ten eerste acht de rechtbank de fundamentele koerswijziging van Benson c.s. bij pleidooi in strijd met de goede procesorde en haar stellingname (daarmee) tardief. Zelfs als echter de address select lines van EP 898 als keuzelijnen in de zin van conclusie 1 worden aangemerkt, kan het argument van Benson c.s. niet slagen nu de address select lines, anders dan de keuzelijnen volgens conclusie 1 van het octrooi, niet zijn gekoppeld aan zowel adresgeneratoren als druppelgeneratoren: in de inrichting volgens conclusie 1 van het octrooi worden de druppelgeneratoren immers aangestuurd door een combinatie omvattende (i) op keuzelijnen aangeboden kloksignalen en (ii) op adreslijnen aangeboden adressignalen die door elk van twee adresgeneratoren op basis van over een veelheid van keuzelijnen ontvangen kloksignalen worden opgewekt (vergelijk r.o. 4.14). Zelfs als met Benson c.s. de address select lines dus als keuzelijnen zouden worden beschouwd (en dus in beginsel aan (d) zou zijn voldaan), is niet aan de kenmerken (g) en (h) voldaan nu de druppelgeneratoren van EP 898 niet tevens direct (naast indirect, via een adresgenerator) via address select lines worden aangestuurd.

4.40.

Ook kenmerken (e) en (f) (eerste en tweede adresgenerator) ontbreken in EP 898. EP 898 beschrijft slechts dat adressignalen worden aangeboden aan zogeheten multiplexers (M,M’in Figuur 1B, r.o. 2.4) die weer bestaan uit (veldeffect)transistors. Het enkele feit dat deze multiplexers adressignalen doorgeven, zoals in EP 898 beschreven, maakt hen niet tot adresgeneratoren in de zin van conclusie 1. In EP 669 worden adressignalen immers opgewekt in de adresgenerator op basis van kloksignalen die door een veelheid van keuzelijnen worden aangevoerd, en niet slechts doorgegeven. Daarbij doet op zich een louter verschil in naamgeving, zoals Benson c.s. heeft gesteld, niet ter zake. Maar zelfs als A en A’ als keuzelijnen worden gezien, worden door M en M’ geen adressignalen gegenereerd, althans is zulks niet duidelijk en ondubbelzinnig uit EP 898 af te leiden. Hierbij speelt mee dat HP onvoldoende weersproken heeft gesteld dat de FETs in de multiplexer M van EP 898 moeten worden beschouwd als afvuurtransistor 172 (in figuur 6 van EP 669) die een geheel andere functie heeft (het aan- of uitschakelen van de afvuurweerstand), en daarom ook (fysiek) op andere wijze is aangesloten op de overige componenten van de inrichting.

4.41.

Uit het voorgaande volgt dat conclusie 1 van EP 669 nieuw is. Ten aanzien van het gebrek aan nieuwheid van conclusie 12 heeft Benson c.s. niets meer of anders aangevoerd dan ten aanzien van conclusie 1. Conclusie 12 is dus ook nieuw.

Inventiviteit

4.42.

Benson c.s. stelt dat de vakman zonder inventieve arbeid zou komen tot de materie van conclusie 1 en dat het octrooi daarom inventiviteit ontbeert.

4.43.

Partijen gaan uit van EP 898 als meest nabije stand van de techniek. Benson c.s. identificeert slechts één verschilmaatregel tussen conclusie 1 en EP 898, te weten dat de adresgenerator kloksignalen ontvangt via een veelheid van keuzelijnen en op basis daarvan adressignalen afgeeft, terwijl de adressignalen in EP 898 reeds zijn opgewekt voordat zij (door de multiplexer) worden verwerkt (CvA nr. 112).

4.44.

Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van (gebrek aan) nieuwheid, te weten dat in elk geval de kenmerken (g) en (h), en (e) en (f) niet door EP 898 worden beschreven, kan de tweede stap van de problem solution approach van Benson c.s., waarin de verschilmaatregelen tussen de conclusie en de meest nabije stand van de techniek worden geïdentificeerd, niet worden aanvaard, en evenmin de daarop gebaseerde probleemstelling van Benson c.s.

4.45.

Het betoog van HP dat de overige door Benson c.s. in dit kader aangehaalde documenten (US 569, EP 211, EP 324, vergelijk r.o. 2.5) niet twee adresgeneratoren en ook niet meerdere keuzelijnen beschrijven in de zin van lijnen die met zowel adresgeneratoren als druppelgeneratoren zijn verbonden en waarover kloksignalen worden verstuurd, is door Benson c.s. onvoldoende (gemotiveerd) weersproken. Het combineren van EP 898 met deze overige stand van de techniek kan dus niet zonder inventieve denkarbeid tot alle kenmerken van conclusie 1 leiden. De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat de inventiviteitsaanval van Benson c.s. op basis van EP 898 in combinatie met US 569, EP 211 of EP 324 niet slaagt. Mutatis mutandis geldt het voorgaande ook voor de inventiviteitsaanval op basis van EP 324 als closest prior art (in combinatie met EP 898 of algemene vakkennis).

4.46.

Benson c.s. heeft zich bij pleidooi nog aanvullend op de algemene vakkennis beroepen. Daarin zou besloten liggen dat het ‘standaard’ is om signaallijnen te splitsen en/of meerdere adresgeneratoren toe te passen. Het zou logisch zijn dat twee adresgeneratoren sneller zijn dan één, en dat het met een tweede adresgenerator gepaard gaande probleem van meer signaallijnen/aansluitingen zou worden opgelost door het splitsen van signaallijnen. Nu HP deze stellingen gemotiveerd heeft betwist en Benson c.s. de algemene vakkennis dat dit allemaal (in combinatie) ‘standaard’ zou zijn en voor de hand zou liggen op geen enkele wijze heeft onderbouwd, wordt haar beroep daarop verworpen. Voor zover Benson c.s. in dit kader heeft verwezen naar haar producties 17 en 18 moet haar betoog (eveneens) als ongefundeerd worden aangemerkt omdat deze producties niet in de procedure zijn (vergelijk r.o. 1.2).

4.47.

De slotsom van het voorgaande is dat het beroep van Benson c.s. op een gebrek aan inventiviteit van conclusie 1 van het octrooi faalt. Ten aanzien van het gebrek aan inventiviteit van conclusie 12 heeft Benson c.s. niets meer of anders aangevoerd dan ten aanzien van conclusie 1, zodat dat beroep ook faalt. Samengevat: alle door Benson c.s. naar voren gebrachte nietigheidsargumenten tegen conclusies 1 en 12 stranden. Dat dit voor de verdere volgconclusies anders zou moeten worden gezien is door Benson c.s. niet aangevoerd.

Inbreuk

4.48.

Benson c.s. heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het inbreukbewijs van HP ten aanzien van de HP 300 huismerk cartridges zodanig tekortschiet dat zij geen verweer wenst te voeren. Subsidiair heeft Benson c.s. betoogd dat het bewijs van HP tekortschiet wat betreft de inbreuk door Benson c.s. met andere typen cartridges dan de HP 300 cartridge. Niet in geschil is dat van de in deze zaak geleverde huismerk cartridges (vergelijk r.o. 2.7) HP slechts twee cartridges (de HP 300 XL Black en de HP 300 XL Color) daadwerkelijk heeft onderzocht.

4.49.

Nu Benson c.s. nadat HP aanvullend bewijs voor de inbreuk op conclusie 1 door de HP 300 cartridge in het geding heeft gebracht, haar primaire betwisting niet heeft herhaald, en de stellingen van HP omtrent de inbreuk op dit punt niet heeft bestreden, oordeelt de rechtbank dat de HP 300 huismerk cartridge aan alle kenmerken van conclusie 1 van EP 669 voldoet. Indien immers een eisende partij – zoals hier – meer gedetailleerde en onderbouwde stellingen inneemt, kan de gedaagde niet blijven volstaan met blote ontkenningen. Het lag op de weg van Benson c.s. om uit te leggen dat en waarom haar cartridges niettemin anders werken dan door HP gesteld, hetgeen zij evenwel niet heeft gedaan.

4.50.

Ten aanzien van de overige typen cartridges heeft HP gesteld dat deze, evenals de HP 300 cartridges, tot de “Generation 2” printhead cartridges behoren die, evenals de “Generation 3“ cartridges, zijn voorzien van eenzelfde (inbreukmakende) chip. Daarnaast heeft HP in andere landen onderzoek verricht op de andere cartridges, aangeschaft bij andere bedrijven, maar die dezelfde typenummers hebben als die welke door Benson c.s. worden aangeboden, waaruit bleek dat deze onder de conclusies van EP 669 vallen. Zodoende stelt HP zich op het standpunt dat genoemde andere cartridges, meer in het bijzonder de typen HP 300 Color, HP 301 Color, HP 301 XL Black, HP 301 XL Color, HP 901 Black, HP 901 XL Black, HP 336, HP 337, HP 339, HP 348, HP 343, HP 342, HP 344, HP 350 XL en HP 351 XL onder de beschermingsomvang van conclusie 1 vallen.

4.51.

Benson c.s. heeft ten aanzien van genoemde andere typen cartridges opgemerkt dat er verschillen zijn in het (uiterlijk van het) zogeheten flexcircuit (flexibele lamellen voorzien van leidingen) tussen de HP 300 en sommige overige typen. Een analyse van de HP 300 cartridge zou daarom geen sluitend bewijs voor de overige cartridges kunnen vormen. Benson c.s. heeft echter de inbreuk als zodanig niet betwist, en in haar op- en aanmerkingen ter zake het bewijs van HP leest de rechtbank ook geen (impliciet, doch) voldoende concreet (gemotiveerd) verweer, gelet op de onderbouwde stellingen van HP ter zake. Hierbij weegt mee dat niet goed denkbaar is dat een cartridge met dezelfde aansluitingen (corresponderend met het betreffende HP printertype) correct zal printen als de signalen anders worden geïnterpreteerd. Als de onderzoeken aan de buitenlandse cartridges al niet op printhoofden afkomstig van dezelfde fabrikant als de Benson cartridges zouden zien, dan vormen die onderzoeken in elk geval concreet bewijs dat cartridges van dat type geschikt zijn voor de daarbij behorende printer en aldus met de van die printer komende signalen op de juiste manier om weten te gaan. De architectuur van de printhoofden van de cartridges moet derhalve, zonder nadere uitleg door Benson c.s. van het tegendeel, voor hetzelfde worden gehouden. Omdat de onderbouwde stellingen van HP ten aanzien van de inbreuk door de andere typen cartridges onvoldoende weersproken zijn gebleven, gaat de rechtbank er zodoende van uit dat alle door HP genoemde cartridges onder de beschermingsomvang van conclusie 1 van EP 669 vallen.

4.52.

Gelet op het voorgaande zijn de vorderingen van HP in conventie voor zover gebaseerd op inbreuk op conclusie 1 van EP 669 in beginsel toewijsbaar. HP heeft ook indirecte inbreuk op conclusie 12 gesteld. Conclusie 12 bevat, in een werkwijze-formaat, inhoudelijk dezelfde kenmerken als conclusie 1. Nu HP – gegeven dat de cartridges reeds onder de bescherming van conclusie 1 vallen – niet heeft gesteld welk separaat belang zij heeft bij een oordeel over de gestelde inbreuk op conclusie 12, zal het verbod niet daarop worden gebaseerd. Het verweer van Benson c.s. tegen indirecte inbreuk op conclusie 12, inhoudende dat de rechten van HP ten aanzien van het gebruik van de printers waarin de cartridges moeten worden gebruikt zouden zijn uitgeput, dan wel dat de (eind)gebruikers aan wie Benson c.s. levert een impliciete licentie van HP onder het octrooi zouden hebben, kan daarmee onbesproken blijven. Hetzelfde geldt voor de door HP gestelde inbreuk op afhankelijke conclusies 2-4.

Welke partijen maken inbreuk?

4.53.

Benson c.s. betwist dat Benson Image enige handeling in Nederland verricht en dat Aigostar handelt in printercartridges.

4.54.

Ten aanzien van Benson Image wordt het verweer van Benson c.s. verworpen. Uit het LinkedIn profiel van Benson Image en haar website bensonimage.com, waarop HP printercartridges worden afgebeeld van onder meer het inbreukmakende type, en waar een ‘Veelgestelde Vragen’-afdeling in de Nederlandse taal is te raadplegen met informatie over specifiek inktcartridges, leidt de rechtbank af dat ook Benson Image handelt in HP cartridges in Nederland. Ook heeft Benson c.s. niet weersproken, zoals HP heeft gesteld, dat voor de datum van dagvaarding de website van Benson Image aangaf “At the moment the company has active business in […] The Netherlands” en na dagvaarding de website is aangepast in die zin dat onder de ‘Purchase’ knop die eerder naar de Nederlandse contactgegevens van Benson Image verwees, een inlogscherm is geplaatst. Tot slot weegt mee dat in een email van 21 januari 2015 van dhr. [A] met daarin een op Nederland gericht aanbod van onder meer de inbreukmakende cartridges weliswaar wordt gesteld dat hij accountmanager is van Top Printing maar waarin wordt verwezen naar de website bensonimage.com van Benson Image en het emailadres van dat domein afkomstig is. Dit alles maakt dat Benson Image naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst dreigt voorbehouden handelingen te gaan verrichten met de genoemde cartridges in Nederland. De vorderingen zijn jegens haar dan ook toewijsbaar.

4.55.

Ten aanzien van Aigostar treft het verweer van Benson c.s. doel. Uit niets blijkt dat Aigostar handelt in cartridges. HP heeft tegenover het verweer van Benson c.s. dat Aigostar uitsluitend handelt in toetsen, fotopapier en muizen, onvoldoende gesteld. De omstandigheid dat op een prijslijst met de cartridges “Aigo” staat is onvoldoende. De vorderingen zullen ten aanzien van Aigostar worden afgewezen.

Vorderingen

4.56.

Het verbod is toewijsbaar. Nu HP heeft aangegeven dat de vorderingen zijn beperkt tot Nederland zal dit expliciet worden vermeld. Het verbod zal beperkt worden tot de in het geding zijnde typen cartridges (zie r.o. 4.50), zoals Benson c.s. heeft verzocht. HP heeft ter onderbouwing van een algemeen verbod weliswaar gesteld dat op de markt voor cartridges telkens nieuwe typen verschijnen en weer verdwijnen maar iets anders is de vraag of deze cartridges dan ook inbreuk maken. Hiervoor is een tamelijk gedetailleerde analyse nodig, terwijl Benson c.s. volgens de eigen stellingen van HP niet zelf de fabrikant is. Een algemeen verbod onder dreiging van verbeurte van dwangsommen komt de rechtbank bij deze stand van zaken als een potentiële bron van executiegeschillen voor en niet proportioneel, indachtig dat HP ter zake van een groot aantal van de door haar in deze procedure specifiek genoemde cartridges al op – in wezen – schakelbewijs moest terugvallen. Hierbij weegt bovendien mee dat indien Benson c.s. gesommeerd zou worden ten aanzien van een ander type cartridges het aannemelijk is dat zij, gelezen dit vonnis, aan die sommatie zal voldoen.

4.57.

In het navolgende zal in het kader van de reconventie worden overwogen (vergelijk r.o. 4.68-4.69) dat het bewijsbeslag ten aanzien van de cartridges die aan de orde zijn in deze procedure onterecht is gelegd, en de monsters zonder recht zijn genomen. De vordering tot inzage in bescheiden en afgifte van de monstergenomen cartridges op basis van artikel 843a Rv zal dus worden afgewezen.

4.58.

De nevenvorderingen zullen, evenals het verbod, beperkt zijn tot Nederland en tot de met name in r.o. 4.50 genoemde cartridges. Immers is niet gesteld of gebleken dat Top Printing en Benson Image andere cartridges hebben aangeboden/verhandeld die onder de beschermingsomvang van conclusie 1 vallen.

4.59.

De gevorderde termijn voor het doen van opgave acht de rechtbank te kort. Zij zal deze ambtshalve verlengen naar 2 maanden om executieperikelen te voorkomen. Verder geldt dat de door HP gevorderde certificatie van de opgave door een registeraccountant een opdracht vormt voor het geven van een vorm van assurance door een registeraccountant. Een registeraccountant, zeker als die accountant niet de huisaccountant is, kan die assurance kennelijk niet geven. Toewijzing van het gevorderde leidt derhalve gemakkelijk tot executieproblemen (vergelijk arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de zaak Stichting Pictoright / Art & Allposters International B.V.: onder meer ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8701, ECLI:NL:GHSHE:2013:3019 en met name ECLI:NL:GHSHE:2014:809). De minder ver strekkende opdracht tot het maken van een “rapport van feitelijke bevindingen”, die de accountant wél kan uitvoeren, biedt naar het oordeel van de rechtbank geen extra zekerheid ten aanzien van de juistheid van de opgave, omdat de accountant daarin volgens zijn gedragsregels geen conclusies mag trekken. De accountant kan niet verklaren dat de opgave een getrouwe weergave van de werkelijkheid vormt en/of dat er geen aanwijzingen zijn dat de opgave onjuist of onvolledig is6. Gelet op de beperkte zekerheid die een rapport van feitelijke bevindingen zal bieden naast de op te leggen dwangsom, rechtvaardigt dat niet de aanzienlijke kosten die daarmee gemoeid zijn, althans heeft HP zulks niet inzichtelijk gemaakt. Om die reden zal de rechtbank de gevorderde accountantsverklaring niet toewijzen (vergelijk rechtbank Den Haag 2 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8293, inzake Fleurop / Topbloemen).

4.60.

Benson c.s. heeft niet bestreden dat HP schade heeft geleden door de inbreuk en dat Benson c.s. gehouden is tot het afdragen van de met de inbreuk genoten (netto)winst, zodat voor wat betreft de schade wordt verwezen naar de schadestaat, indien HP daarvoor kiest na ontvangst van de opgave van de met de inbreuk genoten nettowinst.

4.61.

Benson c.s. heeft geen specifiek verweer gevoerd tegen de vordering tot het – kort gezegd – verstrekken van informatie over het distributienetwerk van gedaagden (vordering 7), zodat deze vordering zal worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde recall (vordering 8).

4.62.

Benson c.s. bestrijdt de gevorderde rectificatie op haar website als zijnde onredelijk bezwarend en disproportioneel. Het belang van HP zou voldoende zijn gediend bij een recall, en een rectificatie zou verder gaan dan nodig omdat klanten daarmee ook afkerig worden van zakendoen met Benson c.s. wat betreft andere producten. Nu HP hier niets steekhoudends tegenover heeft gesteld, zal vordering 9 worden afgewezen.

4.63.

De dwangsommen acht de rechtbank niet buitenproportioneel hoog, maar zij zullen om executieproblemen te voorkomen, worden gemaximeerd.

4.64.

Als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij in conventie in de zaak tussen HP en Benson Image/Top Printing zullen laatstgenoemde in de proceskosten worden veroordeeld. Partijen zijn ten aanzien van het gehele geschil een bedrag van € 170.000,- overeengekomen. HP heeft een 50/50 verdeling over conventie en reconventie bepleit; Benson c.s. heeft zich in dit opzicht gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de verschillende gedaagden heeft Benson c.s. betoogd dat, afhankelijk tegen hoeveel gedaagde de inbreukvorderingen worden toegewezen, een bedrag van € 45.000, (één gedaagde), € 60.000,- (twee gedaagden) of € 75.000,- (drie gedaagden) dient te worden begroot.

4.65.

De rechtbank ziet geen aanleiding een andere verdeling dan 50/50 voor de proceskosten in conventie en reconventie aan te houden. Er zal dus € 85.000,- worden toegerekend aan de zaak in conventie en dit bedrag zal vervolgens gelijkelijk worden toegedeeld aan de zaken tegen de betreffende gedaagden. In de zaak tussen HP en Benson Image/Top Printing zullen de laatste daarom tot betaling van 2/3 van 50% van € 170.000,- = € 56.860,- worden veroordeeld. In de zaak tussen HP en Aigostar zal HP als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd, zodat in die zaak HP zal worden veroordeeld in de kosten van 1/3 van 50% van € 170.000,- = € 28.340,-.

in reconventie

4.66.

Gelet op hetgeen in conventie met betrekking tot de geldigheid van EP 669 is overwogen, zal de vordering tot vernietiging van EP 669 worden afgewezen.

Beslagen en monsterneming

4.67.

HP heeft beslagen doen leggen onder gedaagden (vergelijk r.o. 2.8) op basis van een beschikking, gegeven op een verzoekschrift waarin het volgende wordt gesteld “Het onderhavige verzoek is gebaseerd op EP 1 244 557 en EP 2 170 617”, waarbij in het verzoekschrift ook slechts de inbreuk op die twee octrooien is toegelicht. Daaruit leidt de rechtbank af dat het verzoek niet is gebaseerd op EP 669, en dat de voorliggende zaak dus niet kan gelden als een eis in de hoofdzaak voor genoemde beslagen. In elk geval is de enkele vermelding van EP 669 in een tabel in een bijlage bij het verzoekschrift waarin bepaalde typen cartridges worden afgezet tegen een tiental octrooien van HP (waaronder EP 669) daarvoor onvoldoende. HP heeft niet op basis van EP 1 244 557 (EP 557) een zaak ingesteld, maar slechts op basis van EP 2 170 617 (EP 617, welke zaak op verzoek van partijen naar de parkeerrol is verwezen). Tussen partijen is niet in geschil dat de beweerdelijk inbreukmakende cartridges in de onderhavige zaak in elk geval niet onder de beschermingsomvang van EP 2 170 617 vallen. Dit wordt ook in voormelde tabel in een bijlage bij het verzoekschrift van HP niet gesteld.

4.68.

Een en ander brengt mee dat de voorlopige maatregelen (beslagen en monsterneming) ten aanzien van de in r.o. 2.8 genoemde typen cartridges en meer algemeen alle cartridgetypen die niet (beweerdelijk) onder de bescherming van EP 617 of EP 557 vallen niet rechtmatig ten uitvoer zijn gelegd. De voorlopige maatregelen ten aanzien van cartridgetypen die (beweerdelijk) onder de bescherming van EP 557 vallen, zijn vervallen wegens het niet (tijdig) instellen van een hoofdvordering volgens artikel 1019i Rv. Dat heeft tot gevolg dat in elk geval het afgiftebeslag en de monsterneming zal worden opgeheven ten aanzien van alle cartridgetypen die niet beweerdelijk onder de bescherming van EP 617 vallen (vordering 4 primair/subsidiair). Hetzelfde geldt voor de genoemde remanufactured cartridges. De gevorderde teruggave van de in bewaring genomen cartridges en als monster genomen cartridges zal worden toegewezen (vordering 5). De dwangsom zal ambtshalve worden gemaximeerd op € 250.000,-.

4.69.

Hoewel ook het bewijsbeslag (op documenten, dus los van de monsterneming) ten aanzien van de hiervoor genoemde cartridges ten onrechte is gelegd, althans is vervallen, zal de rechtbank dat niet opheffen. De bescheiden (computerbestanden, gegevensdragers) onder het bewijsbeslag betreffen zowel cartridges die onder EP 617 vallen, als andere cartridges. Deze bescheiden zijn niet eenvoudig ‘deelbaar’ in die zin dat informatie betreffende de in deze procedure inbreukmakende cartridges zonder gedetailleerde bestudering van de inhoud van de betreffende bescheiden is af te zonderen van informatie betreffende cartridges die onder EP 617 vallen.

4.70.

Wat betreft de schade die Benson c.s. stelt te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige/vervallen beslagen, welke schade door HP wordt betwist, oordeelt de rechtbank als volgt. Benson c.s. stelt dat de schade die zij heeft geleden bestaat uit de schade als gevolg van het niet kunnen verkopen van de beslagen cartridges. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt naar de verschillende cartridgetypen. Ten aanzien van de in r.o. 2.8 genoemde cartridges heeft de rechtbank geoordeeld dat die cartridges onder de beschermingsomvang van conclusie 1 van EP 669 vallen, zodat het verhandelen van deze cartridges door Benson c.s. een onrechtmatige daad vormt. De winst die Benson c.s. met die handelingen had kunnen maken, kan niet worden beschouwd als schade die door HP vergoed zou moeten worden. Hetzelfde geldt in beginsel voor de cartridges (beweerdelijk) vallend onder EP 360 (in welke zaak deze rechtbank binnenkort uitspraak zal doen) en onder eventueel andere door HP reeds ingeroepen octrooien. In de schadestaatprocedure kan rekening worden gehouden met de oordelen over dergelijke octrooien maar voldoende aannemelijk is dat Benson c.s. als gevolg van de beslagen mogelijk enige schade heeft geleden zodat de rechtbank haar vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van het beslag zal toewijzen, nader op te maken bij staat. Benson c.s. heeft niet inzichtelijk gemaakt welke schade zij naast die voor wat betreft de hiervoor genoemde beslaglegging noch meer vergoed wenst te zien noch dat ander handhavend optreden door HP onrechtmatig zou zijn, gegeven reeds het oordeel in conventie dat er van inbreuk op EP 669 sprake is, zodat haar algemener geformuleerde vordering aldus zal worden beperkt.

4.71.

Gelet op het relatief geringe gewicht van de vordering tot opheffing van de beslagen in verhouding tot de vordering tot vernietiging van het octrooi, zal Benson c.s. als de in reconventie hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd, en aldus in de kosten van de procedure in reconventie worden veroordeeld. Nu in reconventie ook een vordering is toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten gedeeltelijk te compenseren. Feit is dat in reconventie slechts een klein deel van de stukken en het pleidooi gewijd is aan de opheffing van het beslag. De rechtbank zal de kosten aan de zijde van HP in reconventie daarom begroten op € 70.000,- (in plaats van de helft van € 170.000,-, € 85.000,-).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

in de zaak tussen HP en Top Printing/Benson Image

5.1.

gebiedt Top Printing en Benson Image met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden iedere inbreuk op het Nederlandse deel van EP 1 737 669 door het in of voor haar bedrijf te (doen) vervaardigen, te (doen) gebruiken, in het verkeer te (doen) brengen of verder te (doen) verkopen, te (doen) verhuren, af te (doen) leveren en/of anderszins te (doen) verhandelen dan wel voor een of ander aan te (doen) bieden of in voorraad te (doen) hebben van cartridges met de typeaanduidingen HP 300 XL Black, HP 300 XL Color, HP 300 Color, HP 301 Color, HP 301 XL Black, HP 301 XL Color, HP 901 Black, HP 901 XL Black, HP 336, HP 337, HP 339, HP 348, HP 343, HP 342, HP 344, HP 350 XL en HP 351 XL;

5.2.

gebiedt Top Printing en Benson Image binnen twee weken na betekening van dit vonnis de in voorraad gehouden cartridges met de typeaanduidingen HP 300 XL Black, HP 300 XL Color, HP 300 Color, HP 301 Color, HP 301 XL Black, HP 301 XL Color, HP 901 Black, HP 901 XL Black, HP 336, HP 337, HP 339, HP 348, HP 343, HP 342, HP 344, HP 350 XL en HP 351 XL te vernietigen, uitsluitend voor zover die producten zich bevinden in Nederland, en aan de raadslieden van HP binnen één week na de vernietiging deugdelijk bewijs te verschaffen dat die vernietiging volledig en tijdig heeft plaatsgevonden;

5.3.

gebiedt Top Printing en Benson Image om aan de raadslieden van HP binnen twee (2) maanden na betekening van dit vonnis een schriftelijke en gedetailleerde opgave te doen, vergezeld van kopieën van alle relevante onderliggende documenten (facturen, paklijsten, vrachtbrieven, orders, orderbevestigingen, voorraadadministratie en andere bewijsstukken) van het aantal gefabriceerde, ingekochte, geïmporteerde, verkochte, in voorraad zijnde en/of op andere commerciële wijze in het verkeer gebrachte inbreukmakende cartridges met de typeaanduidingen HP 300 XL Black, HP 300 XL Color, HP 300 Color, HP 301 Color, HP 301 XL Black, HP 301 XL Color, HP 901 Black, HP 901 XL Black, HP 336, HP 337, HP 339, HP 348, HP 343, HP 342, HP 344, HP 350 XL en HP 351 XL, waarbij tevens de kostprijs, inkoopprijs, verkoopprijs en herkomst van deze inbreukmakende cartridges, alsmede de van de verhandeling van deze exemplaren genoten bruto- en nettowinst, berekend conform de variabele kostprijsmethode, alsmede alle overige voor de berekening van de winst en/of schadevergoeding van belang zijnde informatie;

5.4.

gebiedt Top Printing en Benson Image de door HP geleden schade te vergoeden dan wel de door de octrooi-inbreuk genoten winst aan HP af te dragen, één en ander naar keuze van HP, en indien HP binnen veertien dagen na de door Top Printing en Benson Image verstrekte winstopgave kiest voor winstafdracht, die winst direct opeisbaar is en zal worden afgedragen aan HP, en indien HP niet binnen veertien dagen na de door gedaagde verstrekte winstopgave kiest voor winstafdracht, HP de keuze voor schadevergoeding, nader op te maken bij staat, behoudt;

5.5.

gebiedt Top Printing en Benson Image om aan de raadslieden van HP binnen vier (4) weken na betekening van dit vonnis opgave te doen van de leverancier(s), producent(en), tussenhandelaren en alle overige partijen die onderdeel uitmaken van de distributieketen van de cartridges met de typeaanduidingen HP 300 XL Black, HP 300 XL Color, HP 300 Color, HP 301 Color, HP 301 XL Black, HP 301 XL Color, HP 901 Black, HP 901 XL Black, HP 336, HP 337, HP 339, HP 348, HP 343, HP 342, HP 344, HP 350 XL en HP 351 XL, vanaf de productie tot aan de verkoop door Top Printing of Benson Image in Nederland, onder mededeling van volledig(e) adres(sen) en telefoonnummer(s);

5.6.

gebiedt Top Printing en Benson Image binnen zeven (7) dagen na betekening van dit vonnis al hun professionele afnemers (niet zijnde particulieren) voor zover deze afnemers gevestigd zijn in Nederland, per brief of e-mail te verzoeken de inbreukmakende cartridges met de typeaanduidingen HP 300 XL Black, HP 300 XL Color, HP 300 Color, HP 301 Color, HP 301 XL Black, HP 301 XL Color, HP 901 Black, HP 901 XL Black, HP 336, HP 337, HP 339, HP 348, HP 343, HP 342, HP 344, HP 350 XL en HP 351 XL, binnen twee weken te retourneren met het aanbod de factuurprijs en transportkosten te vergoeden, met gebruikmaking van uitsluitend de volgende tekst:

“[Logo Gedaagde/ gebruikelijk brievenhoofd]

[plaats/datum]

Geachte [naam koper],

Enige tijd geleden hebben wij u cartridges van ons huismerk geleverd met de typeaanduidingen HP 300 XL Black, HP 300 XL Color, HP 300 Color, HP 301 Color, HP 301 XL Black, HP 301 XL Color, HP 901 Black, HP 901 XL Black, HP 336, HP 337, HP 339, HP 348, HP 343, HP 342, HP 344, HP 350 XL en HP 351 XL.

Bij vonnis van 30 november 2016 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat het vervaardigen, in voorraad houden, aanbieden, verkopen en/of leveren van deze producten inbreuk maakt op Europees Octrooi EP 1 737 669 van Hewlett-Packard.

Wij verzoeken u de aan u geleverde en hierboven genoemde cartridges, voor zover u deze nog in voorraad heeft, binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief aan ons te retourneren. Wij zullen in dat geval de factuurprijs en verzendkosten voor het retour sturen van de cartridges aan u vergoeden.

Voor de goede orde maken wij melding van het feit dat u, door het aanbieden en/of het verkopen van genoemde cartridges of het daartoe in voorraad houden, inbreuk maakt op de intellectuele eigendomsrechten van Hewlett-Packard.

Met vriendelijke groet,

[Naam Gedaagde]”

onder gelijktijdige toezending van kopieën van deze brief of e-mail alsmede een lijst van geadresseerden met volledige adresgegevens aan de raadslieden van HP;

5.7.

gebiedt Top Printing en Benson Image aan HP een onmiddellijk opeisbare dwangsom te betalen van € 100,00 per inbreukmakende cartridge of € 10.000,- voor elke dag of gedeelte daarvan of, zulks ter keuze van HP, waarop het aan Top Printing en/of Benson Image kan worden toegerekend dat de hiervoor opgelegde geboden en/of verboden niet geheel of niet deugdelijk worden nageleefd, waarbij elk aangetroffen exemplaar van de inbreukmakende cartridge als een afzonderlijke overtreding heeft te gelden, tot een maximum van € 250.000,-;

5.8.

veroordeelt Top Printing en Benson Image in de kosten van het geding in conventie, tot op heden aan de zijde van HP begroot op € 56.680,-;

5.9.

verklaart het voorgaande uitvoerbaar bij voorraad;

5.10.

wijst af het anders of meer gevorderde;

in de zaak tussen HP en Aigostar

5.11.

wijst de vorderingen af;

5.12.

veroordeelt HP, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding conventie, tot op heden aan de zijde van Aigostar begroot op € 28.340,-;

in reconventie

5.13.

heft de in dit vonnis genoemde conservatoire beslagen tot afgifte en monsterneming op voor zover betrekking hebbend op cartridges die volgens het verzoekschrift niet vallen onder de bescherming van EP 557 en EP 617 en verklaart deze vervallen voor wat betreft EP 557;

5.14.

beveelt HP om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis ervoor zorg te dragen dat alle in bewaring en ter bemonstering genomen cartridges van de typen genoemd in

5.13

door de gerechtelijk bewaarder worden (terug)gegeven aan gedaagden, op straffe van een dwangsom van € 2.000,- per dag (een gedeelte daarvan tot een gehele gerekend) dat HP niet, althans niet volledig, voldoet aan dit bevel, met een maximum van € 250.000,-;

5.15.

veroordeelt HP tot vergoeding van de schade die Benson c.s. als gevolg van de in

5.13

opgeheven of vervallen verklaarde beslagen heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.16.

veroordeelt Benson c.s. in de kosten van de procedure in reconventie, aan de zijde van HP tot op heden begroot op € 70.000,-;

5.17.

verklaart 5.13 tot en met 5.16 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.18.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Brinkman, mr. P. Burgers en mr. J.H. Kan en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2016.

1 Het in de Engelse tekst van de conclusies voorkomende ‘timing signal’ is in de Nederlandse versie van conclusie 1 vertaald als ‘kloksignaal’, maar ook als ‘tijdsignaal’. De rechtbank zal in dit vonnis bij de beoordeling steeds de term ‘kloksignaal’ gebruiken.

2 De rechtbank leidt uit de context af dat “conducts” moet zijn bedoeld.

3 Aanvankelijk was Benson Image niet zeker of een paneuropees verbod werd gevorderd, maar bij pleidooi is door HP aangegeven dat de vorderingen slechts op Nederland zien.

4 field effect transistor of FET; een transistor waarvan de geleiding beïnvloed wordt door het elektrische veld van de spanning op een van de aansluitingen

5 G 2/10 (http://www.epo.org/law-practice/case-law-appeals/recent/g100002ex1.html), OJ 2012, 376

6 vergelijk het artikel “Een onmogelijke opdracht” van mr. H. de Hek, IER 2016/46