Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14219

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
NL16.2428 (beroep) en NL16.2429 (verzoek)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

- Irak

- vestigingsalternatief KAR-gebied

- concrete aanwijzingen

- militair in Iraakse leger

- Dannish Immigration Service april 2016

- ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL16.2428 (beroep) en NL16.2429 (verzoek)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 21 november 2016 in de zaken tussen

[eiser en verzoeker] , eiser en verzoeker, hierna: eiser,

gemachtigde M.S. Yap,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J.E.P. Pijnenburg.

Procesverloop

Eiser heeft op 8 september 2016 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van dezelfde datum waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen (het bestreden besluit). Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming van uitzetting hangende het beroep.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 november 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Aleid, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] en de Iraakse nationaliteit te bezitten. Op 17 mei 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 14 maart 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, bij uitspraak van 21 november 2011 (AWB 11/10990) ongegrond verklaard.

2. Op 29 oktober 2014 heeft eiser de onderhavige opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder ook deze aanvraag afgewezen. Eiser is afkomstig uit de provincie [provincie] , een provincie die in paragraaf C7/13.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is aangewezen als een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3,van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich echter primair op het standpunt dat redelijkerwijs van eiser als etnische Koerd, geboren in de Koerdische Autonome Republiek (KAR), verwacht mag worden dat hij zich vestigt in de KAR dan wel - subsidiair - in Bagdad en dat hem daarom een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen.

3. Op hetgeen door eiser daartegen is aangevoerd, wordt hieronder ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. In geschil is allereerst de vraag of verweerder aan eiser terecht een vestigingsalternatief in de KAR heeft tegengeworpen.

5. Op grond van paragraaf C7/13.4.1 van de Vc neemt verweerder voor asielzoekers uit – onder meer – de provincie [provincie] geen binnenlands vestigingsalternatief aan in de KAR, tenzij er sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich in de KAR kan vestigen.

6. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de KAR voldoet als vestigingsalternatief voor eiser. Eiser is geboren in de provincie Suleymanyah, gelegen in de KAR, en heeft daar tot zijn achtste gewoond. Eiser is een Koerdisch moslim, die al eerder in Irak zelfstandig in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien als beroepsmilitair, in de horeca en in de bouw. Gelet op het ambtsbericht over de veiligheidssituatie van Irak van oktober 2015 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken waaruit volgt dat de KAR vele ontheemden heeft opgenomen, die ook zonder vangnet hun weg hebben gevonden in de KAR, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat dit van eiser, als alleenstaande jonge man van 30 jaar, die al eerder heeft gewerkt in Irak, zijn weg naar en in Europa (Nederland en Zwitserland) heeft kunnen vinden, verwacht mag worden. De medische omstandigheden van eiser maken dit niet anders, nu gesteld noch gebleken is dat eiser niet de benodigde medische behandeling zal kunnen ondergaan. Ook de omstandigheid dat eiser in het Iraakse leger heeft gediend, maakt niet dat hij zonder meer als tegenstander van de Koerden wordt gezien. Eiser heeft zijn stellingen niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt, terwijl Noord-Irak en Midden/Zuid-Irak geen vijanden zijn en elkaar niet bestrijden. Beide legers strijden gezamenlijk tegen de IS.

7. Eiser heeft voorts nog gesteld dat uit de overgelegde rapportages blijkt dat Iraakse terugkeerders vanuit het buitenland een verblijfsvergunning en een sponsor in de regio nodig hebben. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Daar waar in de door eiser overgelegde rapportages wordt gesproken over het sponsorvereiste ziet dit hoofdzakelijk op de regio Bagdad. Uit nader onderzoek van het Ministerie van Buitenlandse zaken is gebleken dat een gezaghebbende bron te kennen heeft gegeven dat er bij terugkeer vanuit een Europees land geen sponsor is vereist. Dit geldt zowel voor Bagdad als voor elke andere provincie in federaal Irak. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit voor hem anders zou zijn.

8. Ten slotte heeft eiser in dit verband opgemerkt dat het voor soennieten moeilijk is om toegang tot het gebied van de KAR te verkrijgen en dat het hierbij niet uitmaakt of het gaat om Arabieren of Koerden. Eiser hecht daarnaast weinig waarde aan zijn Koerdische etniciteit, nu hij heeft gediend in het Iraakse leger. Eiser verwijst in dit verband naar het rapport van de Danish Immigration Service van april 2016. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich evenwel terecht op het oordeel gesteld dat niet is gebleken dat dit rapport ziet op terugkeerders uit het buitenland die én Koerd zijn én in de KAR zijn geboren én daar jarenlang hebben gewoond. De andere rapportages, waar eiser in beroep naar verwijst, gaan over soennitische Arabieren en zijn om die reden niet op eiser van toepassing. Dat soennitische Arabieren en soennitische Koerden met elkaar gelijkgesteld zouden moeten worden, is niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt.

9. De rechtbank concludeert dat niet aannemelijk is geworden dat eiser als soennitische Koerd of vanwege zijn werkzaamheden voor het Iraakse leger in de negatieve aandacht zal staan van de Koerdische autoriteiten in de KAR. Er zijn dan ook geen concrete aanknopingspunten dat eiser zich niet in de KAR zal kunnen vestigen. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de aangevoerde gronden ten aanzien van de vraag of Bagdad als vestigingsalternatief kan gelden voor eiser.

10. Eiser heeft, onder verwijzing naar zijn medische situatie, een beroep gedaan op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft dit beroep onderbouwd door zijn patiëntendossier over te leggen. Hieruit blijkt dat eiser sinds 2011 last heeft van stemmingsstoornissen, depressiviteit, angst- en slaapstoornissen en dat hij hier medicatie voor gebruikt. Dat eiser medische (psychische) klachten heeft, komt de rechtbank op zich aannemelijk voor en wordt door verweerder ook niet betwist. Dat sprake is van een zodanig vergevorderd en/of levensbedreigend stadium van een ziekte (met inbegrip van psychiatrische aandoeningen) dat bij het uitblijven van een behandeling op korte termijn tot strijd met artikel 3 van het EVRM leidt, heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt.

11. Eiser heeft gezien het voorgaande niet aangetoond dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen.

12. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nummer NL16.2428:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL16.2429:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het beroep betreft, kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.