Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14218

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
5371123 RP VERZ 16-50639
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. WWZ. Ontbinding arbeidsovereenkomst bestuurder. Beoordeling ontslaggronden. Moment van ontbinding. Wettelijke transitievergoeding vs overeengekomen wachtgeldregeling (WNT). Hoogte vergoeding. Ruimte voor billijke vergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/277
AR 2016/3511
RO 2017/26
AR-Updates.nl 2016-1357
GZR-Updates.nl 2016-0468
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

CB

Zaaknr.: 5371123 RP VERZ 16-50639

Uitspraakdatum: 15 november 2016

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

Stichting Humanitas,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekende partij,

verder te noemen: Humanitas,

gemachtigde: mr D.B. Muller (Rassers Advocaten),

tegen

[verweerder] ,

wonende te Zoeterwoude,

verwerende partij,

verder te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr R.J.C. Bindels (Kox Advocaten).

1 Het procesverloop

1.1.

Humanitas heeft de kantonrechter bij verzoekschrift (met 27 producties), bij de griffie van de rechtbank Rotterdam ingekomen op 29 juli 2016, verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden.

1.2.

Bij beschikking van 9 september 2016 heeft de rechtbank Rotterdam verwezen naar deze rechtbank.

1.3.

[verweerder] heeft een verweerschrift (met 24 producties) d.d. 14 oktober 2016 ingediend.

1.4.

Daarnaast heeft Humanitas bij brieven van 14 oktober 2016 resp. 18 oktober 2016 nog aanvullende producties 28 en 29 ingediend.

1.5.

Op 1 november 2016 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Verschenen zijn de heer drs. [ES] namens (de Raad van Toezicht van) Humanitas en [verweerder] in persoon, beide partijen bijgestaan door hun gemachtigden. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door beide partijen pleitnota’s/pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

1.6.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] is geboren op [1956] en sinds [2003] in dienst van Humanitas, (laatstelijk) in de functie van [functie] tegen een salaris van € [xx] bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is mede het Reglement Rechtspositie voor de leden van de Raad van Bestuur Stichting Humanitas en Stichting Humanitas Huisvesting van toepassing. In dat reglement is in artikel 7.d (Op non-actiefstelling) bepaald dat op non-actiefstelling steeds geschiedt met behoud van alle overige rechten uit de arbeidsovereenkomst/C.A.O. Verpleeg- en Verzorgingshuizen.

2.2.

Humanitas is een grote aanbieder van zorg, wonen, welzijn en maatschappelijke dienstverlening in de regio Rotterdam. Humanitas beschikt over 30 zorglocaties en levert thuiszorg. Bij Humanitas werken 3.000 medewerkers en zijn 2.000 vrijwilligers actief.

2.3.

Humanitas heeft de rechtsvorm van een stichting. Deze stichting wordt bestuurd door een Raad van Bestuur, die bestaat uit een of meer leden (artikel 4, lid 1 van de statuten). Op de gang van zaken bij de stichting houdt een Raad van Toezicht toezicht, die bovendien als adviesinstantie fungeert voor de Raad van Bestuur (artikel 8, leden 1 en 2 van de statuten).

2.4.

Wat betreft de taken en bevoegdheden van de Raad van Bestuur bepaalt artikel 5, lid 1 van de statuten, dat de Raad van Bestuur belast is met het besturen van de stichting.

2.5.

Per 1 juli 2016 is [verweerder] als lid van de Raad van Bestuur van Humanitas, en daarmee als bestuurder van de stichting, ontslagen en ontheven van zijn taken.

3 Het verzoek

3.1.

Humanitas verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, zulks met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure, het salaris van gemachtigde van Humanitas daarbij inbegrepen, zulks te vermeerderen met de verschuldigde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten en nakosten, indien deze niet binnen een termijn van een week na de te wijzen beschikking door [verweerder] zijn voldaan.

3.2.

Aan dit verzoek legt Humanitas ten grondslag dat - kort gezegd – [verweerder] niet (meer) de geschiktheid bezit, die voor het uitoefenen van zijn functie als [functie] van Humanitas vereist is, dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en/of dat er een zodanig verschil van inzicht tussen Humanitas en [verweerder] bestaat, dat niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortbestaan.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe – zeer kort samengevat - aan dat geen van de door Huminitas aangevoerde ontslaggronden in voldoende mate aanwezig zijn, waardoor het verzoek van Humanitas (primair) moet worden afgewezen of (subsidair) alleen kan worden toegewezen onder toekenning van een wachtgeldregeling ter waarde van € 158.561,28, vermeerderd met een billijke vergoeding van eveneens
€ 158.561,28, en een opzegtermijn van zes maanden in acht te nemen, zonder aftrek van de periode tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van de te wijzen beschikking, met veroordeling van Humanitas in de kosten van de procedure.

4.2.

Voor zover relevant zal het verweer van [verweerder] hierna besproken worden.

5 De beoordeling

5.1.

In deze procedure dient de kantonrechter te beoordelen of een van de aangevoerde ontslaggronden in voldoende mate aanwezig is om een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen en, indien dat het geval is, of [verweerder] in verband met de ontbinding een vergoeding toekomt en hoe hoog die zou moeten zijn. De kantonrechter zal eerst ingaan op de eerste vraag en daarna pas, bij bevestigend antwoord, op de tweede vraag.

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst?

5.2.

Humanitas voert een drietal ontslaggronden aan, namelijk ongeschiktheid voor de functie, verstoorde arbeidsverhouding en verschil van inzicht. In het stelsel van de huidige arbeidswetgeving dient de kantonrechter te beoordelen of een van deze ontslaggronden in voldoende mate aannemelijk is geworden. Pas indien dat het geval is kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden.

5.3.

Voor de kantonrechter staat in voldoende mate vast dat [verweerder] ongeschikt is geworden voor de uitoefening van zijn functie en dat de overeenkomst daarom ontbonden dient te worden. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

5.4.

Uit de overgelegde stukken en ook uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen blijkt dat Humanitas vanaf ongeveer 2013 in zwaar weer terecht is gekomen. Op 14 november 2013 is Humanitas door het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) onder verscherpt financieel toezicht geplaatst. In de betreffende brief van CFV (Productie 12 bij verzoekschrift) staat:

[xx]

Uit deze brief valt op te maken dat er voor de datum van deze brief reeds contacten tussen Humanitas en CFV zijn geweest, waaruit voorgenomen activiteiten zijn voortgekomen, waarvan CFV van mening was, dat die (te) beperkt waren, waardoor de vermogenspositie van Humanitas onvoldoende bleef.

5.5.

Een jaar later was de situatie niet verbeterd en deelt CFV in een brief van 18 november 2014 (productie 14 bij verzoekschrift) mee dat het verscherpt toezicht gehandhaafd blijft. In de brief staan de volgende passages:

[xx] 1 [xx]

Deze opmerkingen van de zijde van CFV liegen er niet om en laten tenminste zien dat de financiële situatie van Humanitas zorgelijk was en dat snel en hard ingrijpen geboden was.

5.6.

Waar het in de voorgaande rechtsoverwegingen ging om de financiële toestand van Humanitas, was het ook aan de zorgzijde niet rooskleurig. Ook aan die zijde werd Humanitas onder verscherpt toezicht geplaatst. De betreffende brief van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IG) van 26 oktober 2015 (Productie 15 bij verzoekschrift) zegt onder meer:

[xx]

5.7.

Uit het vorengaande blijkt dat zowel de financiële situatie bij Humanitas zorgelijk was en dat ook aan de zorgzijde de nodige zorgpunten geconstateerd waren door externe partijen als CFV en de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

5.8.

[verweerder] was in de betreffende periode een van de twee leden van de [functie] van Humanitas. Tot december 2015 was hij dat samen met de heer [GK] , die in december 2015 met pensioen is gegaan. Van Kempen is per 1 januari 2016 opgevolgd door de heer [GH] . Als lid van de [functie] was [verweerder] derhalve in de betreffende periode, samen met een medebestuurder, eindverantwoordelijke voor het besturen van de gehele Humanitas-organisatie, conform artikel 5 lid 1 van de statuten van Humanitas.

5.9.

De vraag die in het licht van het verscherpt toezicht door zowel CFV als IG beantwoord moet worden is of [verweerder] in zijn rol als lid van de [functie] te kort is geschoten.

5.10.

Inmiddels is [verweerder] als [functie] van Humanitas ontslagen, terwijl zijn arbeidsovereenkomst nog voortduurt. In de brief van 30 juni 2016 (Productie 6 bij verzoekschrift) van de voorzitter van de Raad van Toezicht aan [verweerder] worden de gronden genoemd, die er in wezen op neerkomen, dat [verweerder] in de voorgaande periode, vanaf 2013, onvoldoende adequaat handelen heeft laten zien in een periode, waarin urgentie vereist was en daarbij vooral ook wijst naar andere, lager geplaatste functionarissen binnen de organisatie. De Raad van Toezicht verwijt [verweerder] onvoldoende sturing en daadkracht in een situatie, waarin in korte tijd ingrijpende veranderingen op Humanitas afkwamen en de bakens snel verzet moesten worden.

5.11.

Dat er serieuze problemen waren die tot snel en fundamenteel ingrijpen aanleiding moesten geven was [verweerder] bekend. Hij kende de in rechtsoverweging 5.4 genoemde brief van CFV en de in rechtsoverweging 5.6 aangehaalde inspectiebezoeken van IG in 2014. Uit de brieven van CFV van 18 november 2014 en de brief van IG van 26 oktober 2015 blijkt dat er onvoldoende en/of onvoldoende voortvarend maatregelen waren getroffen om de serieuze problemen het hoofd te bieden.

5.12.

Als toeziend houdend orgaan heeft de Raad van Toezicht de problemen weliswaar met de Raad van Bestuur besproken, getuige bijvoorbeeld het verslag van de Remuneratiecommissie van de Raad van Toezicht van 14 oktober 2014 (Productie 21 bij verzoekschrift), maar de vraag kan gesteld worden of de Raad van Toezicht wel voldoende bij de Raad van Bestuur op ingrijpen heeft aangedrongen. Daar komt bij dat de Raad van Toezicht tot in 2014 waardering heeft voor de kwaliteit en inzet van de leden van de Raad van Bestuur (zie eerdergenoemd verslag). Een complicatie hierbij is dat de Raad van Toezicht juist in 2014 enkele wisselingen heeft gezien in de personele bezetting.

5.13.

Dat de Raad van Toezicht wellicht voortvarender had kunnen optreden door de Raad van Bestuur tot actie te bewegen en daarop strenger toe te zien, neemt niet weg dat het de zelfstandige verantwoordelijkheid was van de Raad van Bestuur, als de dagelijkse leiding van Humanitas, om de door CFV en IG geïndiceerde acties te nemen. Als lid van de [functie] was dit derhalve ook een verantwoordelijkheid van [verweerder] .

5.14.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] tussen 2013 en 2016 in voldoende mate de gelegenheid gekregen om zijn verantwoordelijkheid te nemen en hij heeft dat onvoldoende gedaan in een situatie dat hem daartoe voldoende gelegenheid en tijd geboden is. Dat dan de Raad van Toezicht in juni 2016 het besluit neemt om [verweerder] van zijn verantwoordelijkheden te ontheffen is in de afweging van de belangen van Humanitas als geheel en die van [verweerder] persoonlijk begrijpelijk. Daarmee is niet gezegd dat [verweerder] verantwoordelijk kan worden gehouden voor de situatie waarin Humanitas is terechtgekomen, maar wel dat hij niet in staat is gebleken Humanitas uit die situatie te bevrijden. In die zin is naar het oordeel van de kantonrechter [verweerder] ongeschikt geworden voor zijn functie.

5.15.

De kantonrechter heeft goed geluisterd naar de argumenten van [verweerder] . In zijn verweerschrift voert [verweerder] voornamelijk procedurele argumenten aan, die aan een ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst in de weg zouden staan (geen documentatie, onvoldoende gelegenheid gehad om te verbeteren, onvoldoende zorg voor scholing of arbeidsomstandigheden). Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft hij geen argumenten genoemd, die de indruk wegnemen dat hij als lid van de [functie] onvoldoende adequaat heeft opgetreden. Ten opzichte van de geobjectiveerde gegevens uit de brieven van CFV en IG leggen [verweerder] argumenten te weinig gewicht in de schaal. De slotconclusie van dit gedeelte van de beschikking moet dus zijn dat [verweerder] tussen 2013 en 2016 de geschiktheid heeft verloren zijn functie van lid van de [functie] van Humanitas, dat in zwaar weer was terechtgekomen en daaruit geleid moest worden, uit te oefenen.

5.16.

Het voorgaande acht de kantonrechter aanleiding om de arbeidsovereenkomst tussen Humanitas en [verweerder] te ontbinden. De overige ontslaggronden behoeven in het licht van het voorgaande geen nadere bespreking meer.

Ontbinding per wanneer?

5.17.

Nu de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal beslissen dient hij op grond van artikel 6:671b, lid 8 BW te bepalen op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst zal eindigen. De kantonrechter stelt daarbij voorop dat er naar zijn oordeel geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerder] . De arbeidsovereenkomst dient derhalve te eindigen op het tijdstip, waarop deze bij regelmatige beëindiging zou eindigen.

5.18.

Onweersproken is gesteld dat met [verweerder] een opzegtermijn van zes maanden is overeengekomen. Het ontbindingsverzoek is gedaan op 29 juli 2016, zodat met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn en met toepassing van artikel 6:671b, lid 8 BW en artikel 6:672, lid 1 BW (analoog) de arbeidsovereenkomst ontbonden zal worden per 31 januari 2017. Voor zover [verweerder] heeft willen betogen dat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2016 ontbonden moet worden, omdat voor 1 juli 2016 reeds een opzegging van zijn arbeidsovereenkomst heeft plaatsgehad, verwerpt de kantonrechter deze stelling. In de eerste plaats is niet gebleken van een opzegging, en in de tweede plaats gaat artikel 6:671b, lid 8 BW duidelijk uit van de datum van ontvangst van het verzoek tot ontbinding en die datum is, zoals hiervoor overwogen, 29 juli 2016.

Komt [verweerder] een vergoeding toe en, zo ja, welke?

5.19.

Humanitas heeft in haar verzoekschrift verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, zonder daarbij melding te maken van een ontbindingsvergoeding in welke vorm dan ook, terwijl [verweerder] in zijn verweerschrift (subsidair) de toekenning van een wachtgeld regeling heeft verzocht, te vermeerderen met een billijke vergoeding.

5.20.

Voor zover Humanitas heeft willen betogen dat er geen plaats is voor enige vergoeding (zie ook punt 55 van het verzoekschrift), zal de kantonrechter Humanitas daarin niet volgen. In het stelsel van de wet is alleen ruimte geen vergoeding toe te kennen, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Dit is van de zijde van Humanitas niet gesteld en is ook overigens niet gebleken. [verweerder] heeft dus recht op een vergoeding in verband met de ontbinding.

5.21.

Bij de beoordeling van de hoogte van de vergoeding spelen twee elementen een rol, namelijk (1) de verhouding tussen de wettelijke transitievergoeding en de wachtgeldregeling volgens de arbeidsovereenkomst en (2) de hoogte van de vergoeding in het licht van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT).

5.22.

In het kader van de bepaling van de waarde van de wachtgeldregeling heeft Humanitas naar voren gebracht dat de vergoeding hoe dan ook beperkt moet worden tot
€ 75.000,- (bruto) als het in de WNT gestelde maximum aan uitkering wegens de beëindiging van het dienstverband van een topfunctionaris. De kantonrechter zal daarop als eerste ingaan.

5.23.

[verweerder] betwist niet dat hij een topfunctionaris is in de zin van de WNT, dus de kantonrechter zal dat ook als uitgangspunt nemen.

5.24.

De relevante bepalingen uit de WNT luiden als volgt:

artikel 3.7, lid 1:

Partijen komen geen uitkeringen overeen wegens beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, tot ten hoogste € 75 000.

en

artikel 3.7, lid 3:

Voor de toepassing van deze wet wordt bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult, aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en wordt de datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt aangemerkt als datum waarop het dienstverband beëindigt.

5.25.

Als artikel 3.7, leden 1 en 3 van de WNT als uitgangspunt genomen worden, dan is enige vergoeding waarop [verweerder] aanspraak kan maken gemaximeerd tot een bedrag van € 75.000 en dient dit bedrag verrekend te worden met het door [verweerder] sinds de datum waarop hij zijn taken heeft beëindigd, op 1 juli 2016, ontvangen salaris.

5.26.

Humanitas voert in dit verband aan dat de toepasselijke wachtgeldregeling een uitkering is in de zin van artikel 3.7, lid 1 WNT en dat het overgangsrecht, waarin voor de inwerkingtreding van de WNT aangegane contractuele regelingen worden gerespecteerd, per 31 december 2016 zal vervallen.

5.27.

De betreffende bepaling van overgangsrecht is artikel 7.3 van de WNT, dat luidt:

In afwijking van artikel 2.1 onderscheidenlijk artikel 3.1, is een voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet tussen partijen overeengekomen bezoldiging die meer bedraagt dan de maximale bezoldiging, bedoeld in artikel 2.3, zoals dit artikel luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT, onderscheidenlijk het bedrag, bedoeld in artikel 3.3, toegestaan voor ten hoogste vier jaar na inwerkingtreding van deze wet.

5.28.

De WNT is in werking getreden op 1 januari 2013 en daarmee loopt de genoemde periode van vier jaar af op 31 december 2016. Na 31 december 2016 zijn dus voor de inwerkingtreding van de WNT aangegane regelingen, die het maximum van € 75.000,- te boven gaan, niet meer toegestaan.

5.29.

Volgens de Memorie van Toelichting bij de WNT (paragraaf 11) is deze vorm van overgangsrecht voortgekomen uit enerzijds de wens om het normenkader van de WNT toe te passen op bestaande gevallen en anderzijds bestaande rechtsposities te beschermen. In het licht van de verwachte beoordeling door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens werd een overgangstermijn van vier jaar als waarschijnlijk toelaatbaar geacht.

5.30.

Het voorgaande betekent dat tot uitkering gerechtigden tot 31 december 2016 bescherming genoten voor hun bestaande rechten, daarna niet meer. Nu de arbeidsovereenkomst van [verweerder] per 31 januari 2017 zal worden ontbonden, kan hij geen rechten meer doen gelden op regelingen, die het maximum van artikel 3.7, lid 1 WNT te boven gaan en dient op grond van artikel 3.7, lid 3 WNT dit bedrag verrekend te worden met het salaris over de periode dat [verweerder] op non-actief stond, zelfs nu deze periode aanving voor 31 december 2016. De verrekening is nu eenmaal integraal onderdeel van de wettelijke regeling, die vanaf 1 januari 2017 op alle gevallen dient te worden toegepast.

5.31.

Als gevolg van het voorgaande kunnen alle verdere argumenten van partijen over de toepassing en hoogte van de wachtgeldregeling buiten beschouwing blijven. Dus rest thans nog de vraag hoe de wachtgeldregeling, zoals hierover hiervoor is beslist, zich verhoudt tot de transitievergoeding van artikel 6:673 BW.

5.32.

Uit artikel 6:673, lid 1 BW vloeit voort dat Humanitas in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] een transitievergoeding verschuldigd is. Dat is zelfs het geval nu [verweerder] niet om een transitievergoeding maar om toepassing van de wachtgeldregeling verzocht heeft. Gelet op de hoogte van het salaris, de duur van zijn dienstverband en zijn leeftijd bedraagt de transitievergoeding een bedrag van € 144.900,00 (bruto)2. Dit bedrag is minder dan [verweerder] ’s salaris over 12 maanden, want dat bedraagt € 149.040,00.

5.33.

Hetgeen in de vorige rechtsoverweging is overwogen, in combinatie met hetgeen in rechtsoverweging 5.25 is overwogen, zou ertoe leiden dat de wachtgeldregeling cumuleert met de transitievergoeding. De wetgever heeft voor deze situaties echter een regeling getroffen in het op grond van artikel XXII, lid 7 van de WWZ genomen Besluit overgangsrecht transitievergoeding. In artikel 3, lid 3 van dat Besluit is het volgende bepaald:

Indien de werknemer, anders dan op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en verenigingen van werknemers gemaakte afspraken, recht heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in artikel XXII, zevende lid, van de Wet werk en zekerheid, is de transitievergoeding uitsluitend verschuldigd, indien de werknemer schriftelijk afstand doet van zijn recht op die vergoedingen en voorzie-ningen.

5.34.

Volgens de Nota van Toelichting bij dat Besluit heeft de werknemer een keuze tussen de transitievergoeding of een vergoeding op grond van overige lopende afspraken en heeft de werkgever een informatieplicht, zodat de werknemer een weloverwogen keuze kan maken tussen de transitievergoeding of de andere vergoeding. Niet is gebleken dat Humanitas [verweerder] deze keuzemogelijkheid heeft voorgehouden. In beginsel zou [verweerder] deze keuzemogelijkheid nog moeten krijgen. Het verschil tussen de transitievergoeding en toepassing van de wachtgeldregeling, zoals deze als gevolg van de werking van de WNT is beperkt is echter dermate groot, mede doordat de transitievergoeding niet dient te worden verrekend met het salaris over de periode dat [verweerder] vrijgesteld is van werkzaamheden, dat de keuze van [verweerder] voor de transitievergoeding evident zal zijn.

5.35.

Daardoor komt de kantonrechter tot het oordeel dat [verweerder] in verband met de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst (alleen) een transitievergoeding toekomt ter hoogte van € 144.900,00.

5.36.

De stelling van [verweerder] , dat hij naast het voorgaande nog recht heeft op een billijke vergoeding omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen van Humanitas, verwerpt de kantonrechter. Zoals hiervoor, in rechtsoverwegingen 5.10 tot en met 5.14, is overwogen, is de ontslaggrond dat [verweerder] ongeschikt is geworden voor zijn functie. Daarin valt Humanitas niets te verwijten.

5.37.

De slotconclusie van deze procedure zal derhalve zijn dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen Humanitas en [verweerder] zal ontbinden per 31 januari 2017 met toekenning aan [verweerder] van een transitievergoeding ter hoogte van
€ 144.900,00.

5.38.

In het feit dat enerzijds het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden toegewezen, maar anderzijds Humanitas een transitievergoeding verschuldigd is, ziet de kantonrechter aanleiding de wederzijdse proceskosten tussen partijen te verdelen in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen Humanitas en [verweerder] per 31 januari 2017;

- bepaalt dat Humanitas aan [verweerder] een ontbindingsvergoeding verschuldigd is ter hoogte van € 144.900,--, bruto;

- bepaalt dat de proceskosten in die zin tussen partijen worden verdeeld dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst het anders of meer gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr C.W.D. Bom en op 15 november 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

1 Bedoeld wordt de overname van de economische eigendom van een tweetal panden.

2 Gebaseerd op 7 blokken @ (1/6 x € 12.420) plus 21 blokken @ (1/2 x € 12.420).