Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14150

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4704
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/4704

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 november 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: prof. mr. O.J.D.M.L. Jansen),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F.A. Gelauff LL.B).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Regeling cofinanciering sectorplannen 2015 (hierna: de Regeling) subsidie toegekend van maximaal € 601.012,-.

Bij besluit van 18 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het primaire besluit ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2016. Eiseres werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde, alsmede door [persoon 1] en [persoon 2] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, alsmede door [persoon 3] . Tevens was ter zitting aanwezig [persoon 4] , werkzaam bij het Agentschap SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Overwegingen

1. Op 14 juli 2015 heeft eiseres in het kader van de Regeling subsidie aangevraagd voor het project Sectorplan Haaglanden en Zuid-Holland Centraal. Dit project richt zich op de vervulling van bij bedrijven en instellingen aanwezige vacatures in de sectoren bouwnijverheid, groothandel en ICT, en op de vervulling van vacatures die bedrijven en instellingen hebben voor lagere elementaire functies.

Bij brief van 12 augustus 2015 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de aanvraag niet aan de vereisten van de Regeling voldoet en eiseres in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie te verstrekken.

Bij brief van 27 augustus 2015 heeft eiseres de aanvraag nader toegelicht.

Bij brief van 5 oktober 2015 heeft verweerder een voornemen uitgebracht.

Bij brief van 20 november 2015 heeft eiseres hiertegen een zienswijze ingediend.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres voor het realiseren van een aantal in het project genoemde maatregelen subsidie verleend. Daarbij heeft verweerder een deel van de door eiseres begrote maatregelen niet subsidiabel geacht en daarvoor geen subsidie toegekend.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

4. De artikelen van de Regeling die in deze zaak van toepassing zijn, zijn opgenomen in de bijlage die een deel van deze uitspraak uitmaakt.

5. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de volgende, in het project begrote maatregelen voor subsidie in aanmerking komen op grond van de Regeling:

- activiteiten ter begeleiding van deelnemers vóór de plaatsing bij een nieuwe werkgever;

- de voorschakelcursus van de Stichting Haagbouw;

- activiteiten waarvoor de werkgeverscheque kan worden aangevraagd;

- het deelproject Vervulling vacatures voor lager opgeleiden (het VLO-project).

6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Regeling een ruime marge heeft bij de beoordeling of een subsidie al dan niet wordt verleend. Het gaat dan ook om een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Het al dan niet gebruiken daarvan kan de rechtbank slechts marginaal toetsen en beoordelen of aan de procedurele en wettelijke voorwaarden is voldaan. Slechts indien geoordeeld moet worden dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen dan wel dat het besluit is genomen in strijd met de wet of in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel, is plaats voor vernietiging van dat besluit.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de Regeling en de bijbehorende toelichting (Stcrt. 2 december 2014, nr. 34749) blijkt, voor zover hier van belang, dat in aanmerking voor cofinanciering kosten komen voor activiteiten met betrekking tot begeleiding en bemiddeling richting een nieuwe baan bij een andere werkgever dan waarbij de werkloosheid is ontstaan. Hierbij kan worden gedacht aan vacaturecafés, sollicitatietraining, loopbaanadvies en arbeidsmarktoriëntatie, loopbaangesprekken, coaching en mobiliteitstrajecten. Ook kosten voor omscholing komen in aanmerking voor cofinanciering. Het moet hier gaan om algemene scholing die nodig is om de stap naar een ander beroep te kunnen maken. Tevens kan het gaan om bijscholing. Blijkens de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de Regeling dient de opleiding te leiden tot een erkend diploma of certificaat.

De aanvrager moet aantonen dat de maatregelen waarvoor de subsidie wordt gevraagd noodzakelijk zijn.

7.1.

Begeleidingsactiviteiten

De rechtbank stelt vast dat de begeleidingsactiviteiten, waar het in dit geding om gaat, in het door eiseres bij de aanvraag ingediende project als nazorg zijn omschreven. Volgens het project zijn deze activiteiten bedoeld voor de fase van na de plaatsing van de deelnemers bij de nieuwe werkgever(s), ten einde eventueel dan ontstane problemen op te lossen. De rechtbank stelt voorts vast dat door eiseres niet is betwist dat activiteiten die onder nazorg vallen, niet subsidiabel zijn op grond van de Regeling.

Eiseres heeft in de zienswijze het doel van de begeleidingsactiviteiten gewijzigd in de zin dat de begrote begeleidingsactiviteiten erop gericht zijn om de kans voor het krijgen van een duurzame arbeidsovereenkomst te vergroten door de begeleiding te laten plaatsvinden in de fase vóór de plaatsing bij een nieuwe werkgever.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres in de zienswijze niet inzichtelijk heeft gemaakt, dan wel geconcretiseerd, dat de voornoemde begeleidingsactiviteiten gericht zijn op begeleiding naar werk in de zin van de Regeling. De ter zitting namens eiseres gegeven toelichting is daartoe onvoldoende. Immers, begeleidingsactiviteiten die bedoeld zijn om eventuele problemen op de werkvloer bij een nieuwe werkgever te voorkomen, vallen niet onder de reikwijdte van de Regeling, ongeacht het moment waarop deze begeleidingsactiviteiten worden gerealiseerd. De begeleidingsactiviteiten maken voorts geen deel uit van om- of bijscholing in de zin van de Regeling, zodat verweerder deze activiteiten ook op grond van het scholingscriterium niet subsidiabel mocht achten.

Nu eiseres niet heeft onderbouwd dat de door haar beoogde begeleiding wezenlijk van een andere aard is dan de in het project omschreven begeleiding, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de begeleidingsactiviteiten niet voor subsidie in aanmerking komen op grond van artikel 3.4 van de Regeling.

7.2.

De voorschakelcursus van de Stichting Haagbouw

Eiseres heeft cofinanciering gevraagd voor de kosten van een voorschakelcursus Bouwnijverheid van de Stichting Haagbouw, welke cursus gericht is op het voorbereiden voor de instroom naar een opleiding in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) van WW-uitkeringsgerechtigden zonder startkwalificatie en gemeentelijke werkzoekenden zonder startkwalificatie.

De rechtbank stelt vast dat de voorschakelcursus niet afgesloten wordt met een erkend diploma of certificaat. Uit de door eiseres in de stukken en ter zitting gegeven toelichting blijkt dat de bedoelde cursus erop gericht is om de deelnemers geschikt te maken voor een (vervolg)opleiding. Verweerder heeft in dit verband terecht overwogen dat voor de kosten voor begeleiding in het kader van de BBL een beroep kan worden gedaan op subsidie vanuit de Regeling Praktijkleren van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Voor zover de voorschakelcursus als een andere maatregel zou kunnen worden aangemerkt, waarvoor op grond van de Regeling subsidie kan worden aangevraagd, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat

eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze maatregel noodzakelijk is. Eiseres heeft niet aangetoond dat er onvoldoende deelnemers met een WW-uitkering kunnen worden geselecteerd die zonder voorschakeltraject naar de te volgen opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg zouden kunnen instromen. De noodzaak voor deze cursus blijkt ook niet uit de door eiseres overgelegde brief van het UWV van 18 januari 2016, nu daarin niet is aangegeven dat door het UWV geen kandidaten kunnen worden aangedragen, die geen voorschakelcursus nodig hebben. De noodzaak om voor het oplossen van het arbeidsmarktknelpunt te kiezen voor de inzet van WW-ers met een grote afstand tot de arbeidsmarkt waarvoor een voorschakeltraject noodzakelijk is, is dan ook niet aangetoond.

7.3.

Werkgeverscheque

In de Re-integratieverordening Participatiewet Den Haag is geregeld dat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag een aantal voorzieningen kan aanbieden ten behoeve van de daarin opgesomde belanghebbenden. Een van de voorzieningen is de werkgeverscheque, zijnde een forfaitair bedrag dat werkgevers kunnen gebruiken voor extra kosten die zij moeten maken bij het in dienst nemen van kandidaten, zoals bijvoorbeeld ter compensatie van verminderde arbeidsproductiviteit.

Uit artikel 1.2 van de Regeling volgt dat het deel dat blijkens de begroting van het sectorplan door het samenwerkingsverband zelf wordt gefinancierd, niet kan bestaan uit middelen die op grond van een andere regeling zijn gesubsidieerd.

De rechtbank stelt vast dat in het door eiseres ingediende project de werkgeverscheque een aantal keer is vermeld als mogelijke bron voor de eigen financiering van de sociale partners die aan het door eiseres ingediende project deelnemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder conform de Regeling heeft gehandeld door de bedragen die op grond van de werkgeverscheque kunnen worden verkregen, niet als eigen financiering aan te merken, aangezien deze gelden afkomstig zijn uit subsidie van de gemeente uit Participatiewet-middelen. Dat de werkgeverscheque in de aanvraag niet is begroot als financiering van de sociale partners en de sociale partners niet verplicht zijn de werkgeverscheque aan te vragen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet gebruikmaken van de gemeentelijke voorziening geen argument is om dan de kosten te cofinancieren vanuit de Regeling.

De rechtbank stelt voorts vast dat het door verweerder in verband met de werkgeverscheque toegepaste rekenmodel en de hoogte van de daarmee doorgevoerde correcties op de begrote bedragen in de aanvraag, als zodanig niet zijn bestreden door eiseres, zodat de juistheid van deze berekeningen geen onderwerp van het onderhavige geschil is.

7.4.

Het VLO-project

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat met het VLO-project wordt beoogd een arbeidsmarktknelpunt op te lossen. Verweerder heeft echter afdoende gemotiveerd dat dit arbeidsmarktknelpunt niet onder de reikwijdte van de Regeling valt.

Zoals uit de toelichting bij de Regeling blijkt, is de Regeling bedoeld om het realiseren van activiteiten te ondersteunen die gericht zijn op het vervullen van vacatures in kansrijke beroepen in sectoren en regio’s waar juist banen ontstaan of moeilijk vervulbare vacatures zijn. Het VLO-project is daarentegen niet bedoeld voor het vullen van moeilijk vervulbare vacatures, aangezien voor de vacatures voldoende regulier aanbod aanwezig is. De omstandigheid dat die vacatures gevuld worden met niet de door de werkgevers gewenste (laagopgeleide) kandidaten, is geen arbeidsmarktknelpunt in de zin van de Regeling. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het VLO-project niet voor subsidie in aanmerking komt op grond van de Regeling.

8. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hiervoor genoemde onderdelen van het project niet aan de voorwaarden van de Regeling voldoen. Verweerder heeft de voor deze onderdelen van het project gevraagde subsidie dan ook in redelijkheid kunnen weigeren.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, voorzitter, en mr. J. Ghrib en mr. J.J.P. Bosman, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Regeling cofinanciering sectorplannen 2015

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…);

algemene opleiding: een interne of externe opleiding, niet zijnde bedrijfsspecifieke training, met als oogmerk de leerling vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren, de opleiding leidt tot een erkend diploma of certificaat;

(…);

beroepsbegeleidende leerweg: een leerweg als bedoeld in artikel 7.2.7, tweede en vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

(…);

bijscholing: een algemene opleiding om de vakspecifieke beroepsvaardigheden binnen een beroep te actualiseren;

(…);

omscholing: een algemene opleiding, die benodigd is om de werknemer, de zelfstandige zonder personeel of de WW-gerechtigde in staat te stellen om een ander beroep uit te oefenen en de opleiding daartoe een adequaat middel is, met een duur van maximaal één jaar of bij een beroepsbegeleidende leerweg van maximaal twee jaar;

(…).

Artikel 1.2. Financiering sectorplannen

1. De sectorplannen worden gefinancierd uit de eigen middelen van de bij het sectorplan betrokken werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties, de arbeidsorganisaties, werknemers en zelfstandigen zonder personeel waarop het sectorplan betrekking heeft.

2. Indien één of meer provincies of (centrum)gemeenten deel uitmaken van het samenwerkingsverband, kunnen zij, in afwijking van het eerste lid, maximaal 50% van de bijdrage van het samenwerkingsverband, financieren.

3. Onder eigen middelen van arbeidsorganisaties wordt niet verstaan middelen die voor dezelfde activiteiten als subsidie of uit private fondsen zijn verstrekt, met uitzondering van de middelen die uit één of meerdere O&O-fonds zijn verstrekt.

4. Het derde lid is niet van toepassing op in Nederland gevestigde rechtspersonen die een of meer subsidies ontvangen als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die tezamen meer bedragen dan 50% van de jaarlijkse inkomsten van de rechtspersoon, met uitzondering van naamloze en besloten vennootschappen die een op winst gerichte arbeidsorganisatie drijven.

5. De minister stelt middelen beschikbaar voor de cofinanciering van maatregelen in sectorplannen teneinde subsidie te verlenen in het jaar 2015.

6. Maatregelen in sectorplannen komen voor een maximale termijn van twee aaneengesloten jaren voor cofinanciering in aanmerking. De aanvang van deze termijn kan niet eerder liggen dan na publicatie van deze regeling in de Staatscourant.

Artikel 2.4. Subsidieverlening

1. De minister kan subsidie verlenen voor de cofinanciering van maatregelen in een sectorplan.

2. De subsidie wordt verleend aan de hoofdaanvrager.

3. De beschikking tot verlening van subsidie betreft de voor cofinanciering in aanmerking komende maatregelen, en het aantal toepassingen van deze maatregelen, zoals vastgelegd in het bij de subsidieaanvraag gevoegde sectorplan.

4. In de beschikking wordt de periode opgenomen waarbinnen de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt toegekend, worden uitgevoerd. Tevens wordt in de beschikking het maximumbedrag bepaald dat aan subsidie tegemoet kan worden gezien. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de kosten van de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, zoals door de hoofdaanvrager geraamd in zijn aanvraag tot cofinanciering, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, maatregelen en kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden bepaald, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht worden voor de uitvoe-ring van het sectorplan, dan wel onredelijk hoog zijn of uit anderen hoofde worden vergoed.

5. In de beschikking worden de prestaties benoemd waarvoor subsidie wordt verleend en waarop de verantwoording en de subsidievaststelling zal plaatsvinden, en wordt aan de hand van het tijdpad, bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, onder e, aangegeven in welke periode deze prestaties worden behaald en of hiervoor voorschotten worden verleend.

6. Aan de beschikking tot verlening van subsidie kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.

Artikel 2.5. Weigering van de subsidie

1. Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt in ieder geval geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien naar het oordeel van de minister:

a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;

b. de arbeidsmarktanalyse, bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, onder c, onvoldoende inzicht geeft in de arbeidsmarktknelpunten en oplossingsrichtingen;

c. de gekozen maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd niet voldoende aansluiten bij de sectoranalyse;

d. onvoldoende is aangetoond dat de aanwending van middelen voor de gekozen maatregelen effectief en efficiënt is;

e. de beoogde maatregelen, prestaties en resultaten onvoldoende objectief meetbaar zijn geformuleerd;

f. de kosten van de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, niet voldoende zijn onderbouwd;

g. onvoldoende is aangetoond hoe de maatregelen gefinancierd worden en dat cofinanciering noodzakelijk is voor het uitvoeren van de maatregelen waarvoor cofinanciering is aangevraagd;

h. onvoldoende is aangetoond hoe structurele maatregelen na afloop van de tijdelijke cofinanciering zullen worden voortgezet en hoe deze zullen worden gefinancierd;

i. de omvang van het aangevraagde subsidiebedrag de relatieve omvang en problematiek van het samenwerkingsverband op de arbeidsmarkt overstijgt;

j. de kosten van de maatregelen niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen prestaties en de daarvan te verwachten resultaten;

k. onvoldoende zekerheid bestaat over de eigen financiering van de kosten van de maatregelen en overhead;

l. onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de hoofdaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;

m. de gekozen maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in hoofdstuk 3;

n. het sectorplan niet open staat voor alle arbeidsorganisaties binnen de sector of de arbeids-marktregio; of

o. onvoldoende is aangetoond dat de partij uit het samenwerkingsverband die zich alleen garant heeft gesteld voor 80% van het aangevraagde subsidiebedrag, over voldoende middelen beschikt om garantstelling te waarborgen.

2. Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt in ieder geval geheel geweigerd, indien het totale te verstrekken subsidiebedrag lager is dan 125.000 EUR.

Artikel 3.1. Subsidiabele maatregelen

1. Voor subsidie komen in aanmerking maatregelen zoals opgenomen in de artikelen 3.2 tot en met 3.5, of een samenstelling daarvan.

2. Maatregelen op grond van de artikelen 3.2 en 3.4, komen slechts voor cofinanciering in aanmerking indien de werkgever direct na afloop van de scholing een baangarantie van ten minste één jaar biedt.3.De werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties uit het samenwerkverband kunnen gezamenlijk afwijken van de duur van de baangarantie als bedoeld in het tweede lid en afwijkende regels stellen over de baangarantie, waarbij ook kan worden bepaald dat de sector of de arbeids-marktregio, in plaats van de werkgever, de baangarantie verstrekt.

Artikel 3.2. Van werk naar een ander beroep

1. De sectorplannen kunnen maatregelen bevatten die sectorale of intersectorale mobiliteit van werknemers naar een ander beroep bij een andere werkgever bevorderen.

2. Kosten voor maatregelen komen slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover zij betrekking hebben op ten minste één van de volgende activiteiten:

a. begeleiding en bemiddeling richting een nieuwe baan, bij een andere werkgever in een ander beroep;

b. opzetten, onderhouden en uitbreiden van infrastructuur voor van werk naar werk projecten;

c. in kaart brengen van de competenties van de werknemer; of

d. omscholing.

Artikel 3.4. Vanuit een uitkering op grond van de Werkloosheidswet naar een ander of hetzelfde beroep

1. De sectorplannen kunnen maatregelen bevatten die sectorale of intersectorale mobiliteit van WW-gerechtigden bevorderen, naar hetzelfde of een ander beroep, bij een andere werkgever dan de werkgever waarbij de werkloosheid is ontstaan.

2. Kosten voor maatregelen komen slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover zij betrekking hebben op ten minste één van de volgende activiteiten:

a. begeleiding en bemiddeling richting een baan, in hetzelfde of een ander beroep;

b. in kaart brengen van de competenties van de uitkeringsgerechtigde; of

c. om- of bijscholing.

Artikel 3.5. Van overig naar een ander of hetzelfde beroep

1. De sectorplannen kunnen maatregelen bevatten om zelfstandigen zonder personeel of personen, niet zijnde werknemers of WW-gerechtigden of personen die fulltime een opleiding volgen, te begeleiden naar hetzelfde of een ander beroep.

2. Kosten voor maatregelen komen slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover zij betrekking hebben op ten minste één van de volgende activiteiten:

a. begeleiding en bemiddeling richting een baan, in hetzelfde of een ander beroep;

b. in kaart brengen van de competenties van de persoon; of

c. om- of bijscholing.

Artikel 3.8. Niet in aanmerking te nemen kosten

1. Niet voor cofinanciering komen in aanmerking:

a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het sectorplan of een onderdeel daarvan;

b. kosten van het sectorplan die naar het oordeel van de minister qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties;

c. kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen; en

d. kosten van maatregelen die de mededinging ongunstig kunnen beïnvloeden.

2. Kosten van werkzaamheden ter uitvoering van het sectorplan die door derden zijn verricht, komen niet voor cofinanciering in aanmerking indien uit de controleverklaring van de accountant blijkt dat:

a. er geen transparante aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden; of

b. niet ten minste drie offertes zijn aangevraagd, voor zover deze kosten meer bedragen dan 50.000 EUR.

3. Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt door de minister geweigerd, indien de kosten van de maatregel waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, reeds uit anderen hoofde van overheidswege worden gefinancierd.

4. Het derde lid is niet van toepassing op de bijdrage van een (centrum)gemeente of provincie, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, aan de bijdrage van het samenwerkingsverband.