Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14111

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-10-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
C-09-517877-KG ZA 16-1064
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing vordering tot bepaling dat gedaagde (een verzekeringsmaatschappij) een voorschot dient te betalen op de door haar aan eiser verschuldigde verzekeringsuitkering wegens brandschade. Partijen verschillen van mening over de gevolgen van de wijze waarop eiser vragen over zijn strafrechtelijk verleden heeft beantwoord. De vordering is onvoldoende aannemelijk om vooruit te kunnen lopen op de uitkomst van een bodemprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2017/34

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/517877 / KG ZA 16/1064

Vonnis in kort geding van 31 oktober 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A. Volkerink-de Boer te Apeldoorn,

tegen:

de naamloze vennootschap

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

statutair gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. Bruidegom te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘Nationale-Nederlanden’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de concept-dagvaarding met producties en een nader door [eiseres] overgelegde productie;

- de door Nationale-Nederlanden overgelegde akte weergave feiten, met producties.

1.2.

Op basis van de concept-dagvaarding is Nationale-Nederlanden vrijwillig verschenen op de zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 17 oktober 2016, op welke datum de zaak is behandeld. Beide partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres] drijft een onderneming, die zich onder meer bezig houdt met de handel in (tuin)hout. [eiseres] is opgericht op 11 mei 2012 door de heer [A] , toen tevens enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] Zijn broer, de heer [B] , is sinds 14 juni 2012 de bedrijfsleider (met volledige volmacht). In 2013 heeft [B] het bedrijf overgenomen; sinds 8 mei 2013 is hij enig aandeelhouder en bestuurder.

2.2.

[eiseres] heeft bij Nationale-Nederlanden via haar verzekeringsadviseur Univé Stad en Land (hierna: Univé) op 3 oktober 2012 een aanvraag gedaan voor een bedrijfsschadeverzekering. Op basis van deze aanvraag is een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen, met polisnummer [polisnummer 1] . [B] staat als aanvrager op dit formulier vermeld en heeft het formulier ondertekend. Op het formulier staat de volgende vraag vermeld:

_________________________________________________________________________________________ 9-10. Voorgeschiedenis

Bij deze vragen dienen feiten vermeld te worden over de voorgeschiedenis van de aanvrager / het bedrijf van de aanvrager en/of andere personen van wie het belang wordt meeverzekerd, die zijn voorgevallen in de laatste acht jaar;

en indien er sprake is van een rechtspersoon tevens van de statutair directeur(en) / bestuurder(s) van de rechtspersoon; de aandeelhouder(s) met een belang van 33,3% of meer en – zo deze zelf een rechtspersoon is (zijn) – de statutair directeur(en) / bestuurder(s) daarvan.

Zijn er schaden veroorzaakt/geleden □ nee □ ja, vul schema in

door gebeurtenissen waarvoor de

aangevraagde verzekering(en) dekking

bied(t)(en)?

Schadejaar Maatschappij Schadebedrag Is de schade Omschrijving voorval/

openstaand (o) onder welke verzekering al

betaald (b) of dan niet gedekt /

afgewezen (a)? uitgekeerd

__________ ___________ €___________ □ o □ b □ a ___________________

__________ ___________ €___________ □ o □ b □ a ___________________

__________ ___________ €___________ □ o □ b □ a ___________________

__________ ___________ €___________ □ o □ b □ a ___________________

__________ ___________ €___________ □ o □ b □ a ___________________

Indien er meerdere gebeurtenissen zijn, dient een bijlage met eenzelfde specificatie te worden bijgesloten.

Is er door een verzekeraar enige vorm □ nee □ ja

van verzekering geweigerd of opgezegd (…)

Is er sprake geweest van aanraking met □ nee □ ja

politie/justitie ter zake van (verdenking

van) het plegen van een misdrijf?

__________________________________________________________________________

Voormelde drie vragen zijn door [B] met “nee” beantwoord.

2.3.

Op een aanvraagformulier van Univé voor een “Zeker Zakelijk Plus pakketverzekering voor MKB” is op naam van [B] bij Nationale-Nederlanden een aanvraag gedaan om een bestelauto te verzekeren. De aanvraag is gedateerd op 28 januari 2015 en hierop is een handtekening geplaatst. Op dit formulier staat als vraag vermeld:

__________________________________________________________________________”6. Strafrechtelijk verleden

Bent u of een andere belanghebbende bij deze verzekering in de laatste 8 jaar als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel in aanraking geweest met politie of justitie in verband met strafbare feiten zoals:

(…)

- enig misdrijf gericht tegen de persoonlijke vrijheid zoals mishandeling, (…)

(…)

□ ja □ nee

Zo ja, geef dan aan:

  1. om welk strafbaar feit het ging;

  2. wat het gevolg daarvan was: veroordeling, sepot, ontslag van rechtsvervolging of vrijspraak en/of eventuele (straf)maatregelen al ten uitvoer zijn gelegd. Licht dit hieronder toe

(…)”

Deze vraag is op dit formulier met “nee” beantwoord.

2.4.

Nationale-Nederlanden heeft op 25 februari 2015 een polisblad afgegeven van de verzekering met polisnummer [polisnummer 1] , waarop thans ook als verzekering staat vermeld “Autoverzekering Bedrijven”.

2.5.

Op 11 september 2015 heeft Univé namens [eiseres] brandschade gemeld. Deze schade is afgewikkeld via een bijzonder traject, heel kort gezegd, omdat door Univé de te verzekeren hoedanigheid van [eiseres] anders was overgenomen in een bericht aan Nationale-Nederlanden dan op het aanvraagformulier stond vermeld (tuincentrum in plaats van tuinhout/tuinart), hetgeen heeft geresulteerd in een andere polis dan zou zijn verstrekt indien het correct was ingevuld.

2.6.

Naar aanleiding van hetgeen hiervoor is vermeld, heeft Nationale-Nederlanden op 12 oktober 2015 een offerte uitgebracht aan Univé voor een ander verzekeringspakket voor [eiseres] (hierna: de maatwerkpolis). Op verzoek van Univé heeft Nationale-Nederlanden op 21 oktober 2015 aan Univé bericht dat zij ten behoeve van [eiseres] de geoffreerde verzekeringen per 16 oktober 2015 in voorlopige dekking heeft genomen gedurende twee maanden. Deze verzekeringsovereenkomst is geregistreerd onder polisnummer [polisnummer 2] .

2.7.

In de nacht van 22 op 23 oktober 2015 heeft er brand gewoed in het door [eiseres] gehuurde bedrijfspand, dat geheel verloren is gegaan.

2.8.

Op 23 oktober 2015 heeft [B] contact opgenomen met Univé over de brand. Diezelfde dag heeft Univé namens [eiseres] de schade bij Nationale-Nederlanden gemeld. Eveneens diezelfde dag heeft [B] op het kantoor van Univé een aanvraagformulier ondertekend voor de maatwerkpolis. Hierop staat vermeld dat het een nieuwe verzekering betreft als vervanging van de verzekering met polisnummer [polisnummer 1] . Op deze aanvraag staat dezelfde vraag over “voorgeschiedenis” vermeld, als geciteerd onder 2.2. De laatste vraag daarvan (is er sprake geweest van aanraking met politie/justitie ter zake van (verdenking van) het plegen van een misdrijf?) is door [B] met “nee” beantwoord.

2.9.

Door EMN Expertise is de schade aan de inventaris en goederen bij voortzetting van de onderneming van [eiseres] begroot op € 49.511,- en bij staking van de onderneming op € 40.723,-. De bedrijfsschade heeft zij begroot op € 21.446,- bij voortzetting van de onderneming en op € 5.500,- bij staking van de onderneming. De betreffende formulieren zijn door [eiseres] niet voor akkoord ondertekend.

2.10.

Nationale-Nederlanden heeft [X] (hierna: [X] ) ingeschakeld om een toedrachtonderzoek naar de brand te doen. [X] heeft hiervan een rapport opgemaakt van 15 december 2015 (hierna: het rapport van [X] ). [B] heeft blijkens een door hem ondertekende schriftelijke verklaring, die als bijlage bij het rapport van [X] is gevoegd, op 6 november 2015 onder meer het volgende verklaard:

“(…) U vraagt of er voor de aanvraag van de huidige verzekering en de vorige verzekering sprake is geweest van aanraking met politie / justitie ter zake (verdenking van) het plegen van een misdrijf. Dat is wel het geval. Ik ben vier á 5 jaar geleden veroordeeld voor mishandeling tot 40 uur dienstverlening. Ik ben toen veroordeeld vanwege een aantal getuigen die een verklaring afgelegd hebben. Ik zal niet ontkennen dat ik die persoon geduwd heb, maar zeker niet mishandeld.

Ik ben ook op 9 februari 2015 aangehouden door de politie in verband met betrokkenheid bij een overval. (…) Ik ben de volgende dag weer vrijgelaten en mijn zaak is inmiddels geseponeerd door justitie. Ik krijg ook een schadevergoeding voor de onterechte doorgebrachte inverzekeringstelling. (…)

Ik ben ook nog een keer veroordeeld voor de Opiumwetgeving. (…) Ik denk dat dit ongeveer tien jaar geleden is geweest. Ik ben toen veroordeeld tot 150 uur dienstverlening. (…)

U vertelt mij, dat ik op beide aanvraagformulieren van de verzekering bij Nationale-Nederlanden bij de betreffende vraag heb ingevuld dat ik niet in aanraking ben geweest met politie / justitie terzake (verdenking) van een misdrijf. U vertelt dat ik dit dus onjuist ingevuld heb. Ik zal u vertellen hoe dit gegaan is. De adviseur van Univé heeft mij wel gevraagd of ik in aanraking ben geweest met politie / justitie. Toen ik bij hem vroeg wat hij bedoelde, werd mij verteld dat dit om de afgelopen drie jaar ongeveer ging. Er is mij ook niet verteld, dat het ook ging om verdenking van een misdrijf, zonder dat ik veroordeeld ben. Daarom heb ik dit niet opgegeven, omdat ik dacht dat dit niet van toepassing was. […] is bij het gesprek met de adviseur van Univé geweest en heeft tijdens het gesprek met u bevestigd, dat dit inderdaad zo gezegd is door de adviseur van Univé. Ik heb ook gelijk op uw vraag geantwoord dat dit de afgelopen drie jaar niet het geval was (…)”

In het rapport van [X] is hierover onder meer nog opgenomen:

“Tijdens het interview heeft verzekeringnemer, in mijn bijzijn, telefonisch contact opgenomen met de verzekeringsadviseur naar aanleiding van de vragen over het strafrechtelijk verleden van verzekeringnemer.

Hierbij werd mij duidelijk dat de verzekeringsadviseur aan verzekeringnemer heeft aangegeven, dat het verhaal wat verzekeringnemer vertelde niet juist zou zijn. Omdat verschillende verzekeringsmaatschappijen verschillende termijnen, te weten 5 jaar en 8 jaar, hanteerden voor de periode van het strafrechtelijk verleden van een aanvrager, vroeg de verzekeringsadviseur altijd naar het strafrechtelijk verleden van een aanvrager over de 8 jaar voorafgaand aan de aanvraag. Ook zou er duidelijk bij verteld zijn dat het ook om verdenkingen ging zonder iemand veroordeeld was. (…)”

2.11.

Bij brief van 16 december 2015 heeft Nationale-Nederlanden aan [eiseres] bericht dat zij geen vergoeding verleent voor de brandschade van 22 oktober 2015. Nationale-Nederlanden vermeldt als reden hiervoor dat [B] bij het aanvragen van de verzekeringen op 30 oktober 2012 en op 23 oktober 2015 de vraag over het strafrechtelijk verleden onwaar heeft beantwoord en haar daarbij opzettelijk heeft misleid, zodat hij de mededelingsplicht heeft geschonden.

2.12.

De voormalige gemachtigde van [eiseres] heeft op 4 februari 2016 bezwaar gemaakt. Nationale-Nederlanden heeft naar aanleiding daarvan [X] gevraagd om nader onderzoek te verrichten en om in dat kader medewerkers van Univé te interviewen. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een aanvullend rapport van [X] van 6 april 2016.

2.13.

De advocaat van [eiseres] heeft zich bij brief van 7 juli 2016 op het standpunt gesteld dat Nationale-Nederlanden dekking dient te verlenen voor de door [eiseres] geleden schade, waarbij zij Nationale-Nederlanden sommeert om met spoed haar uitkeringsverplichting na te komen. Hieraan heeft Nationale-Nederlanden geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat Nationale-Nederlanden, per ommegaande maar uiterlijk drie dagen na de datum van dit vonnis, aan [eiseres] zal betalen een voorschot van € 46.200,- op de door Nationale-Nederlanden aan [eiseres] verschuldigde verzekeringsuitkering, althans een ander bedrag, met veroordeling van Nationale-Nederlanden in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. Nationale-Nederlanden dient de schade te vergoeden op basis van de verzekeringsovereenkomst tussen partijen, die geldig is met ingang van 16 oktober 2015, op grond waarvan er voorlopige dekking is verleend voor brandschade voor de duur van twee maanden. Deze overeenkomst is tot stand gekomen zonder dat er aan [eiseres] vragen zijn gesteld omtrent, kort gezegd, enig strafrechtelijk verleden. In dit kader geldt geen spontane mededelingsplicht en een mogelijk aanwezig strafrechtelijk verleden van [B] heeft dan ook geen consequentie voor het bestaan en de omvang van de voorlopige dekking. Subsidiair heeft ten aanzien van de diverse aanvraagformulieren en de beantwoording van de daarop vermelde vragen over, kort gezegd, het strafrechtelijk verleden het volgende te gelden. [B] heeft de in de aanvraagformulieren van 3 oktober 2012 en 23 oktober 2015 gestelde vragen over het strafrechtelijk verleden (die hetzelfde luiden) mogen opvatten zoals hij heeft gedaan, zodat hij deze terecht met nee heeft beantwoord. Hij heeft van Univé begrepen dat het ging om contacten met politie en justitie in een periode van drie jaar daarvoor. Voorts heeft hij niet begrepen dat deze vragen ook betrekking hadden op een aanhouding waarop een sepot was gevolgd en evenmin op een incident dat heeft geleid tot een taakstraf van 40 uur. De lay-out van de vragen is verwarrend, zodat niet duidelijk is dat de toelichting ook betrekking heeft op de laatste vraag over het strafrechtelijk verleden. Voorts is die vraag onvoldoende duidelijk en concreet, terwijl het op de weg van Nationale-Nederlanden ligt om een dergelijke vraag in niet voor misverstand vatbare termen te stellen. [B] wist voorts niet dat de betreffende feiten voor Nationale-Nederlanden van belang waren en had dan ook niet de bedoeling Nationale-Nederlanden te misleiden. Overigens heeft Nationale-Nederlanden ook niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de verzekering bij kennis van het juiste antwoord niet zou hebben gesloten. Het aanvraagformulier van februari 2015 heeft [eiseres] pas een week voor de zitting voor het eerst gezien. Hier is het nodige op aan te merken, hetgeen maakt dat de beantwoording van de vraag naar het strafrechtelijke verleden die hierop is vermeld, niet aan [eiseres] kan worden tegengeworpen.

3.3.

Nationale-Nederlanden voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is – hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen –, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden.

4.2.

Aan dit strikte criterium is in deze zaak niet voldaan, heel kort gezegd omdat de uitkomst van een bodemprocedure te onzeker is. Niet kan worden uitgesloten dat de bodemrechter [eiseres] zal volgen in haar primaire standpunt. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de schade door Nationale-Nederlanden dient te worden vergoed op grond van de door haar verleende voorlopige dekking, dat Nationale-Nederlanden in dat kader geen vragen aan [eiseres] heeft gesteld over haar strafrechtelijk verleden en dat aan de voorlopige dekking een volwaardige verzekeringsovereenkomst ten grondslag ligt. De door Nationale-Nederlanden aangevoerde bijzondere omstandigheden zijn echter van dien aard, dat ook niet onaannemelijk te achten is dat de bodemrechter zal oordelen dat de voorlopige dekking (mede) is verleend op basis van de in de eerdere aanvraagformulieren verstrekte – onjuiste – informatie, zodat [eiseres] in dit kader niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan. Hiertoe is met name relevant dat de verzekering moest worden gewijzigd als gevolg van het handelen van Univé als vermeld onder 2.5. Dit handelen moet in de relatie tussen Nationale-Nederlanden en [eiseres] aan [eiseres] worden toegerekend, die overigens ook zelf de onjuistheid in de vorige polis nooit aan Nationale-Nederlanden heeft doorgegeven. Voorts duurde de (verzekerings)relatie tussen partijen op dat moment al drie jaar en had [eiseres] in dat kader al tweemaal, laatstelijk nog in datzelfde jaar, een vraag over haar strafrechtelijk verleden met nee beantwoord. In dit geding kan niet met de vereiste mate van waarschijnlijkheid worden voorspeld hoe de bodemrechter deze omstandigheden zal wegen.

4.3.

Dat de bodemrechter [eiseres] zal volgen in haar subsidiaire standpunt acht de voorzieningenrechter evenmin voldoende aannemelijk. Daartoe is relevant i) dat in dit geding drie aanvraagformulieren zijn overgelegd op naam van [eiseres] ten behoeve van een verzekering bij Nationale-Nederlanden, ii) dat in al die formulieren een vraag wordt gesteld over het in aanraking zijn geweest met politie en justitie in de laatste acht jaar, iii) dat [B] op al die formulieren als aanvrager of als verzekeringnemer staat vermeld, iv) dat [B] , zo blijkt uit zijn verklaring als vermeld onder 2.10, in ieder geval vier á vijf jaar geleden is veroordeeld voor mishandeling tot een taakstraf van 40 uur en v) dat desondanks de hiervoor bedoelde vragen telkens met “nee” zijn beantwoord. Volgens [eiseres] kan dit om verschillende redenen door Nationale-Nederlanden niet aan haar worden verweten, maar daarin kan zij naar voorshands oordeel niet worden gevolgd.

4.4.

Voor zover [eiseres] aan het vorenstaande het handelen van Univé en haar onjuiste dan wel onduidelijke uitlatingen jegens [eiseres] ten grondslag heeft gelegd, wordt daaraan voorbij gegaan, omdat dat in de relatie tussen [eiseres] en Nationale-Nederlanden voor rekening van [eiseres] komt. Verder is volgens [eiseres] de vraag naar het strafrechtelijk verleden in het aanvraagformulier van 3 oktober 2012 niet onjuist beantwoord, omdat [B] bij de beantwoording van die vraag de situatie van [A] voor ogen had en het antwoord ook op hem betrekking diende te hebben, omdat hij toen nog de bestuurder van [eiseres] was. Dat valt echter niet in te zien, nu [B] zichzelf als aanvrager op het aanvraagformulier van 3 oktober 2012 heeft vermeld (hetgeen de voorzieningenrechter ook niet onbegrijpelijk voorkomt, aangezien hij volledig gevolmachtigd bedrijfsleider was). Bij de vraag over het strafrechtelijk verleden staat voorts als toelichting vermeld dat bij die vraag feiten dienen te worden vermeld over (onder meer) de aanvrager.

4.5.

Ook wordt voorbij gegaan aan de stelling van [eiseres] dat onduidelijk is dat de toelichting, waarin de termijn van acht jaar is genoemd, betrekking had op (al) de drie daaronder vermelde vragen en niet alleen op de eerste. De vormgeving is immers helder en hierin wordt ook maar één termijn genoemd. Verder heeft te gelden dat, ook als zou worden aangenomen dat de vraag over het strafrechtelijk verleden onvoldoende concreet is als het gaat om bepaalde “grijze gebieden” (zoals een aanraking met politie en justitie die heeft geresulteerd in een sepot, waarvan ook sprake is geweest) dat nog niet maakt dat de vraag overigens geen betekenis meer heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet voor enig misverstand vatbaar dat een veroordeling voor het plegen van een misdrijf bij deze vraag een relevant gegeven is, dat dient te leiden tot een bevestigende beantwoording daarvan. De eigen indruk van [B] ten aanzien van de ernst van het door hem gepleegde feit, de omstandigheid dat hij zich tegen de opgelegde straf heeft verzet en de aard van de straf kunnen daar niet aan af doen.

4.6.

De vraag over het strafrechtelijk verleden in het aanvraagformulier van 23 oktober 2015, die door [eiseres] ontkennend is beantwoord, is gesteld in dezelfde bewoordingen als de vraag in het aanvraagformulier van 3 oktober 2012. De vraag over het strafrechtelijk verleden in het aanvraagformulier van 28 januari 2015 is anders geformuleerd. Dat deze onduidelijk is, is door [eiseres] niet gesteld. Integendeel, deze is overeenkomstig de door het verbond van verzekeraars geadviseerde vraagstelling, waar [eiseres] in haar verweer tegen de andere vraagstelling zelf aan heeft gerefereerd. Hierin wordt duidelijk een termijn van acht jaar genoemd en bovendien staat mishandeling expliciet als voorbeeld genoemd van een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid. Desondanks is ook deze vraag met nee beantwoord. Ten aanzien van dit formulier heeft [eiseres] echter betwist dat de daarop geplaatste handtekening van [B] is. Dat maakt echter nog niet dat dit formulier daarom bij de beoordeling in dit kort geding buiten beschouwing moet worden gelaten, zoals [eiseres] voorstaat. Daarvoor zou aanleiding kunnen zijn, indien in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid zal worden geoordeeld dat dit inderdaad niet de handtekening van [B] is. De door [eiseres] genoemde aanknopingspunten daarvoor acht de voorzieningenrechter echter onvoldoende onderbouwing in dit kader. Om dit te kunnen vaststellen is nader onderzoek nodig en daarvoor leent deze procedure zich niet. Nu vooralsnog niet kan worden uitgesloten dat uit nader onderzoek zal volgen dat [B] dit formulier wel heeft ondertekend, moet dan ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat [eiseres] ook in dit formulier de vraag over het strafrechtelijke verleden onjuist heeft beantwoord. De diverse vraagtekens die [eiseres] nog heeft gezet bij de verwerking door Nationale-Nederlanden van dit formulier, kunnen dat niet anders maken.

4.7.

Dat geen sprake is geweest van opzet tot misleiding is, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, door [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verder heeft Nationale-Nederlanden zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zij de verzekering niet zou hebben gesloten als de vragen naar het strafrechtelijk verleden naar waarheid zouden zijn beantwoord, onder verwijzing naar haar acceptatiebeleid. Gelet hierop kan op een oordeel van de bodemrechter dat niet aan het relevantievereiste is voldaan, zoals [eiseres] stelt, in dit geding niet vooruit worden gelopen.

4.8.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende, is niet met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat de bodemrechter de vordering van [eiseres] zal toewijzen. Daar komt bij dat de financiële situatie van [eiseres] slecht is. Zij heeft verklaard een groot liquiditeitstekort te hebben en het voorschot nodig te hebben om een aantal schulden mee te kunnen afbetalen. Dit vormt weliswaar een aanwijzing voor het spoedeisend belang van [eiseres] (hetgeen Nationale-Nederlanden overigens gemotiveerd heeft betwist), maar op grond hiervan kan ook worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanzienlijk restitutierisico. Voor toewijzing van het gevorderde voorschot in dit geding is dan ook geen plaats.

4.9.

[eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Nationale-Nederlanden begroot op € 2.745,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 1.929,- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2016.

ts