Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14110

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
C-09-516744-KG ZA 16-996
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding betreffende de vraag of de recidiveregeling van artikel 123b WVW een criminal charge oplevert als bedoeld in artikel 6 EVRM. Nu de uitkomst van een bodemprocedure daarover zeer ongewis is, wordt in dit kort geding niet vooruitgelopen op de uitkomst daarvan, waarbij mede acht is geslagen op de met het oog op de verkeersveiligheid verstrekkende gevolgen van teruggave van het rijbewijs – zoals door eiser gevorderd – terwijl een onderzoek naar de geschiktheid nog niet heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/516744 / KG ZA 16/996

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. C. Grijsen te Almere,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Centrale Verwerking Openbaar Ministerie),

zetelende te Den Haag

gedaagde,

advocaat mr. M.F.H. Hirsch Ballin te Den Haag.

Eiser wordt hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en gedaagde als ‘de Staat’ of het ‘CVOM’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties en ‘Toelichting juridisch kader’;

- de op 28 september 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij strafbeschikking van 15 november 2013 heeft de officier van justitie van het Openbaar Ministerie te Arnhem aan [eiser] een taakstraf opgelegd voor het op 25 augustus 2013, kort gezegd, rijden in een motorvoertuig zonder rijbewijs, onder invloed van alcohol.

2.2.

Op 22 december 2013 is [eiser] aangehouden op verdenking van, kort gezegd, het rijden in een motorvoertuig onder invloed van alcohol, waarbij hij heeft geweigerd om medewerking te verlenen aan een ademanalyse.

2.3.

Op 7 oktober 2014 is aan [eiser] een rijbewijs afgegeven voor de categorieën AM en B.

2.4.

Bij vonnis van 7 september 2015 van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland is [eiser] veroordeeld voor het onder 2.2 vermelde feit tot een geldboete, subsidiair tot hechtenis, deels voorwaardelijk, met een proeftijd. Daarnaast is aan [eiser] een ontzegging opgelegd van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

2.5.

Bij brief van 28 september 2015 heeft het CVOM aan [eiser] meegedeeld dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden zal ingaan op de 21e dag na betekening van dat schrijven om 00.00 uur en dat hij verplicht is zijn rijbewijs, voor zover dat niet is ingevorderd en teruggegeven, uiterlijk een dag daarvoor te hebben verzonden naar het CVOM. Deze brief is op 26 januari 2016 betekend.

2.6.

Bij brief van 5 oktober 2015 heeft het CVOM aan [eiser] bericht dat het vonnis van 7 september 2015 die dag onherroepelijk is geworden en dat zijn rijbewijs als gevolg daarvan op die datum ongeldig is geworden op basis van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), hierna ook aangeduid als “de recidiveregeling”. Hierbij wordt [eiser] erop gewezen dat hij verplicht is het ongeldige rijbewijs zo spoedig mogelijk in te leveren bij de Dienst Wegverkeer.

2.7.

Bij brief van 21 april 2016 heeft de advocaat van [eiser] het CVOM erop gewezen dat de door [eiser] gepleegde feiten zich hebben voorgedaan voordat aan hem voor het eerst een rijbewijs is afgegeven. Zij verzoekt het CVOM te bepalen dat de recidiveregeling in ieder geval niet op het feit van 22 december 2013 van toepassing is, zodat de van rechtswege ongeldigverklaring van het rijbewijs van cliënt ongedaan gemaakt dient te worden. Het CVOM heeft hier afwijzend op gereageerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen tot onverwijlde opheffing van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en de teruggave van zijn rijbewijs, binnen een week na betekening van dit vonnis, dan wel een andere in goede justitie te bepalen beslissing te nemen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Bij toepassing van de recidiveregeling is er sprake van een criminal charge in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Dat de kwalificatie van de regeling naar nationaal recht administratiefrechtelijk is, is niet leidend in deze. Wel doorslaggevend is dat de regeling onmiskenbaar een punitief karakter heeft en dat het een zware sanctie betreft, die [eiser] overigens extra hard raakt. Hij staat onder beschermingsbewind en is financieel niet in staat om de kosten te betalen die gemoeid zijn met het opnieuw in het bezit krijgen van een geldig rijbewijs. Er moet gezien het vorenstaande sprake zijn van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang om tegen de bestraffing op te komen, maar die ontbreekt. Voorts leidt toepassing van de recidiveregeling tot strijd met het ne bis in idem-beginsel. [eiser] wordt hierdoor nogmaals bestraft voor hetzelfde feit als waarvoor de strafrechter reeds een(zelfde) sanctie heeft opgelegd. Subsidiair heeft te gelden dat de recidiveregeling niet van toepassing is op de situatie van [eiser] , nu hij ten tijde van het plegen van de feiten geen houder was van een rijbewijs en de regeling slechts van toepassing is op feiten die zijn gepleegd terwijl de betrokken bestuurder op dat moment houder was van een rijbewijs. De Staat meent dan ook ten onrechte dat het rijbewijs van [eiser] ongeldig is geworden. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering omdat het missen van een rijbewijs een zware beperking vormt bij het vinden van een baan. Overigens heeft hij inmiddels wel een tijdelijke dienstbetrekking gevonden, maar ondervindt hij bij het uitvoeren van de werkzaamheden ernstige hinder van het missen van zijn rijbewijs.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat, zo begrijpt de voorzieningenrechter, de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter gegeven. De voorzieningenrechter in kort geding is alsdan bevoegd om in spoedeisende gevallen een voorlopige voorziening te treffen. De Staat heeft niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken dat daar sprake van is.

4.2.

Tussen partijen is op de eerste plaats in geschil of de recidiveregeling een criminal charge oplevert als bedoeld in artikel 6 EVRM. Dit betreft een rechtsvraag waar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zich nog niet over heeft uitgelaten. Het EHRM heeft wel criteria ontwikkeld aan de hand waarvan in een concreet geval kan worden beoordeeld of sprake is van een criminal charge, te weten i) de kwalificatie naar nationaal recht, ii) de aard van de overtreding, iii) de aard en zwaarte van de opgelegde sanctie. Voorts heeft het EHRM zich in een aantal uitspraken uitgelaten over een aantal andere regelingen/systemen in andere landen.

4.3.

Partijen zijn uitvoerig ingegaan op de beoordeling van de recidiveregeling aan de hand van genoemde criteria en op de invloed van diverse uitspraken van het EHRM op het onderhavige geval. [eiser] komt alsdan tot de conclusie dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het EHRM (ook) de recidiveregeling zal beschouwen als een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM. De Staat heeft dit echter gemotiveerd betwist. Indien de stellingen van partijen over en weer in aanmerking worden genomen, moet worden geconcludeerd dat het antwoord op de hier in het geding zijnde rechtsvraag niet evident is. Dat betekent dat in een kort geding terughoudendheid dient te worden betracht bij toewijzing van het gevorderde. In dit verband wordt het volgende overwogen.

4.4.

Op de eerste plaats heeft te gelden dat de wetgever de maatregel als bestuursrechtelijk heeft gekwalificeerd. Dat is niet doorslaggevend, maar hierop dient bij de beoordeling wel acht te worden geslagen. Verder kan de Staat worden gevolgd in zijn betoog dat de gevolgen van toepassing van de recidiveregeling minder zwaar zijn dan in ieder geval in de zaken Malige tegen Frankrijk (EHRM 23 september 1998, nr. 27812/95) en Nilsson tegen Zweden (EHRM 13 december 2005, nr. 73661/01), in welke zaken het EHRM tot het oordeel is gekomen dat er bij de maatregel die daar aan de orde was, sprake was van een criminal charge. Bij die regelingen was sprake van intrekking van het rijbewijs voor de duur van respectievelijk zes maanden en achttien maanden. Een betrokkene wiens rijbewijs als gevolg van de recidiveregeling ongeldig is geworden, kan echter de volgende dag al opnieuw zijn rijbewijs aanvragen (waarbij het op zijn weg ligt om daarbij zijn rijvaardigheid en geschiktheid aan te tonen). Voorts zijn de kosten die hiermee gemoeid zijn van – zo is tussen partijen niet in geschil – minimaal € 658,30 niet zodanig dat de maatregel op grond daarvan als punitief moet worden aangemerkt. De Staat heeft ter vergelijking gewezen op de kosten van in totaal € 5.000,- voor deelname aan het alcoholslotprogramma, ten aanzien waarvan door het Gerechtshof Den Haag in zijn arrest van 22 september 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:3017) is geoordeeld dat daarbij sprake is van een criminal charge.

4.5.

De Staat heeft voorts het doel van de maatregel en het administratiefrechtelijke karakter daarvan nader toegelicht, welke toelichting de voorzieningenrechter aannemelijk voorkomt. Het doel van de maatregel is volgens de Staat het bevorderen van de verkeersveiligheid. Ten aanzien van het administratiefrechtelijke karakter heeft de Staat een rijbewijs vergeleken met een vergunning. Daarbij heeft hij er op gewezen dat het in het belang van de verkeersveiligheid is dat alleen personen die een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid hebben over een rijbewijs (een vergunning) beschikken. Indien geen sprake meer is van voldoende geschiktheid dient de geldigheid van een rijbewijs (de vergunning) te vervallen. De Staat heeft voorts een vergelijking gemaakt met de bestuursrechtelijke procedure van de artikelen 130 e.v. WVW. Op grond daarvan kan bij een vermoeden van ongeschiktheid van een bestuurder een besluit worden genomen om diens geschiktheid te laten onderzoeken, waarbij een negatieve uitkomst leidt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Volgens de Staat is de recidiveregeling hiermee vergelijkbaar met dien verstande dat – zo begrijpt de voorzieningenrechter – er geen besluit over de ongeschiktheid meer behoeft te worden genomen, nu deze reeds vaststaat gezien de twee onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen voor het bij herhaling met een grote hoeveelheid alcohol op achter het stuur zitten. Dat rechtvaardigt de – van rechtswege – intredende ongeldigheid van het rijbewijs, zonder dat er nog een nader besluit nodig is, aldus de Staat. Ook heeft de Staat in dit kader gewezen op de zaak Becker tegen Oostenrijk (EHRM 11 juni 2015, nr. 19844/08) waarin het intrekken van een rijbewijs, nadat door de politie was vastgesteld dat de bestuurder ongeschikt moest worden geacht, niet punitief van aard is geacht.

4.6.

Aan [eiser] moet anderzijds worden toegegeven dat toepassing van de recidiveregeling door betrokkenen veelal als (be)straf(fing) zal worden ervaren. Voorts vertoont de regeling wel enige gelijkenis met het Franse en Zwitserse systeem, waarvan door het EHRM is geoordeeld dat daarbij sprake is van een criminal charge. Er is echter ook sprake van relevante verschillen met die systemen, zoals door de Staat nader toegelicht.

4.7.

Al het voorgaande in aanmerking nemende, is de uitkomst van een bodemprocedure over dit onderwerp nog zeer ongewis. De voorzieningenrechter acht het niet aangewezen om in dit kort geding vooruit te lopen op de uitkomst van een dergelijke procedure. Daarbij is ook acht geslagen op de met het oog op de verkeersveiligheid verstrekkende gevolgen van teruggave van het rijbewijs, terwijl een onderzoek naar de geschiktheid nog niet heeft plaatsgevonden.

4.8.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, kan ook niet worden gezegd dat [eiser] door toepassing van de recidiveregeling voor een tweede keer wordt bestraft. Het beroep van [eiser] op schending van het ne bis in idem-beginsel strandt reeds daarop. Overigens kan [eiser] ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat de strafrechter dezelfde sanctie heeft opgelegd. Daarvan is geen sprake bij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden enerzijds en de ongeldigheid van een rijbewijs van rechtswege anderzijds.

4.9.

De subsidiaire stelling van [eiser] dat artikel 123b WVW niet op hem van toepassing is, omdat hij ten tijde van het begaan van de overtredingen nog geen houder was van een rijbewijs, kan evenmin slagen. In dit artikel is immers niet bepaald dat de betrokkene ten tijde van het begaan van de strafbare feiten over een rijbewijs moet beschikken. Dit artikel vereist dat betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig is veroordeeld voor een van de genoemde delicten en daarvan is ook sprake indien iemand zonder rijbewijs een motorrijtuig bestuurt. In het artikel wordt weliswaar ook gesproken over de houder (van een rijbewijs) maar dat is omdat iemand ten tijde van het verliezen van de geldigheid van een rijbewijs logischerwijs houder moet zijn van een rijbewijs. Daar komt nog bij dat een veroordeling op grond van artikel 8 lid 4 WVW voor – kort gezegd – het rijden onder invloed van alcohol terwijl de bestuurder niet over een rijbewijs beschikt onder de reikwijdte van de recidiveregeling valt (artikel 123b lid 1 onder b). Die situatie is dus door de wetgever onder ogen gezien. De omstandigheid dat dit artikel een andere uitwerking heeft op een betrokkene die pas ná de strafrechtelijke veroordelingen alsnog een rijbewijs haalt dan op een betrokkene die ná het plegen van de feiten maar vóór de tweede veroordeling zijn rijbewijs haalt, maakt nog niet dat dit artikel op [eiser] niet van toepassing is. Overigens kan in het eerste geval van ongeldigheid op grond van artikel 123b WVW en een daaruit voortvloeiende verplichting tot het afleggen van een geschiktheidsonderzoek weliswaar geen sprake zijn, maar is de betrokkene wel gehouden om van die veroordelingen melding te maken, hetgeen in beginsel een geschiktheidsonderzoek tot gevolg heeft. Voorts kan in een dergelijk geval de weg van artikel 130 WVW worden gevolgd.

4.10.

Het vorenstaande leidt ertoe dat voor toewijzing van het gevorderde in dit geding geen plaats is. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering laat geen ruimte voor een ander oordeel bij deze uitkomst van de procedure, zoals door [eiser] verzocht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.435,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2016.

ts