Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14054

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
22-11-2016
Zaaknummer
C-09-518211-KG ZA 16-1088
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De documentairemakers die met medewerking van het Openbaar Ministerie (OM) een documentaire maakten over de strafzaken van de broers Marcos en Admilson R. – in de media aangeduid als ‘moordbroers’ – mogen de beelden die zij met medewerking van het OM hebben gefilmd gewoon gebruiken. Het OM probeerde via een kort geding hier een stokje voor te steken. De voorzieningenrechter in Den Haag ging hier niet in mee, omdat het mediacontract met de documentairemakers het OM in dit geval niet de bevoegdheid geeft om de medewerking aan de documentaire in zijn geheel te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/518211 / KG ZA 16/1088

Vonnis in kort geding van 22 november 2016

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Openbaar Ministerie),

zetelend te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. mr. W. Heemskerk te Den Haag,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaten mr. J.G. Mahn en mr. B.S. Friedberg te Amsterdam.

Eiser wordt hierna aangeduid als het OM. Gedaagde worden hierna, gezamenlijk, aangeduid als [gedaagde sub 1] c.s. en ieder afzonderlijk als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door [gedaagde sub 1] c.s. overgelegde producties;

- de op 8 november 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[gedaagde sub 1] c.s. zijn documentairemaaksters en hebben al diverse documentaires gemaakt over maatschappelijke en/of juridische onderwerpen. Zij hanteren daarbij een zogenaamde “fly on the wall”-stijl, waarbij ze registrerende/observerende beelden maken, geen commentaarstemmen gebruiken en geen interviews afnemen.

2.2.

De broers [X] en [Y] worden verdacht van de moord op de heer [A] , die heeft plaatsgevonden in [datum 1] in [plaats 1] en van de moord op het echtpaar [B] , die heeft plaatsgevonden in [datum 2] in [plaats 2] (hierna: de strafzaken). Bij vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland van 24 november 2015 zijn veroordelingen in eerste aanleg uitgesproken. De behandeling in hoger beroep heeft op 26 en 27 oktober 2016 plaatsgevonden bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zal naar verwachting op 23 november 2016 uitspraak doen in de strafzaken.

2.3.

[gedaagde sub 1] c.s. maken een documentaire over de strafzaken (hierna: de documentaire) en hebben het OM op 11 november 2014 verzocht daaraan medewerking te verlenen. Het OM heeft de nabestaanden van de heer [A] en de dochter van het echtpaar [B] over dit verzoek geïnformeerd. De nabestaanden van de heer [A] hebben het OM bericht dat zij positief tegenover een documentaire staan. De dochter van het echtpaar [B] heeft op 20 november 2014 aan het OM telefonisch kenbaar gemaakt het eigenlijk niet eens te zijn met een documentaire en hierover met haar advocaat (mr. [de advocaat] ) te willen overleggen. De zoon van het echtpaar [B] is door het OM niet benaderd, omdat hij reeds eerder kenbaar had gemaakt niets meer met de strafzaak te maken te willen hebben. Bij brief van 1 december 2014 heeft het OM de dochter van het echtpaar [B] en [de advocaat] bericht “alles afwegende” te hebben besloten mee te werken aan de documentaire.

2.4.

Het OM heeft medewerking verleend aan het realiseren van beeld- en geluidsopnamen ten behoeve van die documentaire op grond van een op 8 december 2014 tussen [gedaagde sub 1] c.s. en het OM gesloten mediacontract (hierna te noemen: het mediacontract). In dit contract is, voor zover nu relevant, het volgende opgenomen:

“(…)

Overwegende dat:

(…)

Het doel van het programma:

a. inzicht krijgen in en kennis verschaffen over alle juridische aspecten die komen kijken bij de strafzaken [plaats 2] en [plaats 1] , belicht vanuit zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie;

b. openheid geven over de zorgvuldigheid waarmee het Openbaar Ministerie met dergelijke grote/complexe strafzaken omgaat;

c. meewerken aan het creëren van educatief materiaal. Juridische opleidingen kunnen deze documentaire gebruiken als praktijkvoorbeeld van het werk van het Openbaar Ministerie in grote strafzaken.

(…)

Partijen verklaren als volgt te zijn overeengekomen:

(…)

Artikel 4: De uitzending

4.1

Producent dient het Openbaar Ministerie binnen een redelijke termijn van ten minste vier weken voorafgaand aan een uitzending van het programma gelegenheid te bieden om die uitzending van het programma te zien en besluiteren, door dit – zo mogelijk digitaal – ter beschikking te stellen aan Het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie wordt door Producent schriftelijk geïnformeerd over het tijdstip waarop en de zendgemachtigde waarbij de uitzending zal plaatsvinden. Verder maakt de producent het mogelijk dat de slachtoffers en of nabestaanden van de zaak [plaats 2] en [plaats 1] als eerste de documentaire mogen bekijken voordat de uitzending openbaar wordt gemaakt. Waarbij de slachtoffers het recht hebben om eventuele wijzigingen met betrekking tot het beeldmateriaal door te geven aan de producenten.

4.2

De uitzending van de documentaire mag pas plaatsvinden na het onherroepelijk worden van het arrest dan wel het vonnis.

4.3

Producent zal, de in de ogen van Het Openbaar Ministerie niet voor uitzending geschikte beeld- en geluidsopnamen waaraan door Het Openbaar Ministerie is meegewerkt of die ter beschikking zijn gesteld niet gebruiken, wanneer Het Openbaar Ministerie dat uit oogpunt van bescherming van de belangen op het gebied van privacy, slachtofferbescherming, opsporing en vervolging, politietactiek- en techniek en/of risico op (ernstige) reputatieschade noodzakelijk vindt.

(…)”

2.5.

In de periode van 8 december 2014 tot en met eind september 2015 hebben [gedaagde sub 1] c.s. diverse beeld- en geluidsopnames bij het OM gemaakt. Zij hebben beeld- en geluidsopnamen gemaakt van (interne) overleggen, telefoongesprekken en vergaderingen.

2.6.

Na ondertekening van het mediacontract heeft [de advocaat] in december 2014 het OM schriftelijk benaderd en bezwaar gemaakt tegen medewerking van het OM aan de documentaire. Het OM heeft vervolgens bij brief van 22 december 2014 nog nadere uitleg gegeven aan [de advocaat] .

2.7.

Op 7 april 2015 heeft [gedaagde sub 1] [de advocaat] een e-mailbericht gestuurd, met het verzoek om een bericht door te geleiden naar de dochter van het echtpaar [B] . In het bericht aan de dochter van het echtpaar [B] schrijft [gedaagde sub 1] dat zij de zorgen die de dochter heeft over de documentaire hoopt weg te kunnen nemen. [gedaagde sub 1] licht toe als volgt:

“(…)

De film draait om twee partijen, namelijk het OM en de verdediging en hoe zij zich voorbereiden op de rechtszaak en uiteindelijk tijdens de rechtszaak tegenover elkaar staan. Het wordt een evenwichtige film, waarbij beide partijen evenveel ruimte krijgen. Wij maken altijd observerende films en documentaires en kiezen geen partij. We werken nooit met commentaarstemmen en interviewen ook nooit. We volgen slechts wat er gebeurt. Slachtoffers en nabestaanden filmen wij niet, dat kan ook niet, want daar zouden wij uw toestemming voor nodig hebben gehad.

(…)”

2.8.

Op 28 september 2015 is namens de nabestaanden van het echtpaar [B] een kortgedingdagvaarding betekend aan het OM, waarbij is aangezegd dat op 29 september 2015 een kort geding zou plaatsvinden. In het kort geding werden voorzieningen gevorderd die ertoe strekten dat het OM elke medewerking aan de documentaire zou weigeren.

2.9.

[gedaagde sub 1] c.s. zijn op 28 september 2015 door het OM geïnformeerd over het geplande kort geding.

2.10.

Op 28 september 2015 heeft de hoofdofficier van justitie te Groningen, [hoofdofficier] een bespreking gevoerd met [de advocaat] om te bezien of er mogelijkheden waren om tot een oplossing te komen. Deze bespreking heeft er uiteindelijk toe geleid dat [hoofdofficier] , namens het OM een verklaring (hierna te noemen: de verklaring) heeft ondertekend met de volgende inhoud, voor zover nu relevant:

“Hierbij verklaart de Edelachtbare heet mr. [hoofdofficier] , in zijn hoedanigheid van hoofdofficier van Justitie te Groningen, bijgestaan door mr. W. Heemskerk , namens de landsadvocaat, dat hij in het kader van het bereiken van een minnelijke regeling ter beslechting van de geschillen met de nabestaanden van de moord op echtpaar [B] in [plaats 2] als volgt heeft toegezegd:

1. Het OM staakt zijn in een mediacontract van 8 december 2014 overeengekomen

medewerking aan de documentaire van maaksters [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] en houdt deze gestaakt;

2. Het OM zal zulks binnen een week na dagtekening dezes schriftelijk bevestigen aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] met afschrift aan de raadsman van de nabestaanden van de moord op echtpaar [B] in [plaats 2] , mr. [de advocaat] ;

3. Het OM verklaart dat er door OM noch politie beeldmateriaal aan maaksters ter beschikking is gesteld;

4. Het OM zal gebruik maken van haar bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 4.3 van het mediacontract van 8 december 2014 en maaksters verbieden het reeds opgenomen beeld- en geluidsmateriaal waarvoor het OM toestemming heeft gegeven en/of heeft gefaciliteerd, danwel anderszins haar medewerking heeft verleend te gebruiken en maaksters te vragen dit materiaal te vernietigen. Het OM zal dit materiaal ook zelf niet gebruiken;

5. Het OM erkent reeds nu aansprakelijkheid voor het geval dat toch gebruik wordt gemaakt van beeld- en/of geluidsmateriaal als bedoeld onder punt 3 en 4 van deze verklaring;

(…)

(…)”

2.11.

Na ondertekening van de verklaring door het OM heeft [de advocaat] het door hem namens de nabestaanden [B] aanhangig gemaakte kort geding ingetrokken.

2.12.

Bij brief van 30 september 2015, die persoonlijk door [hoofdofficier] aan [gedaagde sub 1] c.s. is overhandigd en op dat moment door hem ook is toegelicht, is aan [gedaagde sub 1] c.s. bericht dat het OM met toepassing van artikel 4.3 van het mediacontract, vanuit een oogpunt van privacy en slachtofferbescherming, geen medewerking aan verdere beeld- en geluidsopnamen zal verlenen. Voorts bericht [hoofdofficier] dat hij zich er jegens de nabestaanden [B] toe heeft verplicht [gedaagde sub 1] c.s. met toepassing van artikel 4.3 van het mediacontract – ook uit oogpunt van privacy en slachtofferbescherming – te vragen het beeld- en geluidsmateriaal waaraan door het OM is meegewerkt niet voor het programma te gebruiken en dit materiaal te vernietigen.

2.13.

De documentaire van [gedaagde sub 1] c.s. is inmiddels gereed voor uitzending. De documentaire duurt ongeveer zestig minuten, waarvan twaalf minuten materiaal betreft dat met medewerking van het OM is gemaakt/verkregen. [gedaagde sub 1] c.s. hebben dit materiaal in de documentaire opgenomen, zijn niet tot vernietiging ervan overgegaan en zijn voornemens de documentaire inclusief de beeld- en geluidsopnamen die met medewerking van het OM zijn gemaakt/verkregen uit te (laten) zenden.

3 Het geschil

3.1.

Het OM vordert – zakelijk weergegeven – [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk te verbieden om de beeld- en geluidsopnamen die met medewerking van het OM op grond van het mediacontract zijn gemaakt geheel of gedeeltelijk te doen/laten uitzenden of anderszins openbaar te maken, in het kader van de in de considerans van het mediacontract bedoelde documentaire of anderszins, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,= voor elke keer dat [gedaagde sub 1] c.s. of één van hen zich niet aan dit verbod houden / houdt.

3.2.

Daartoe voert het OM – samengevat – het volgende aan. [gedaagde sub 1] c.s. zijn met het OM overeengekomen dat zij in de ogen van het OM niet voor uitzending geschikte beeld- en geluidsopnamen waaraan door het OM is meegewerkt niet zullen gebruiken, wanneer het OM dat uit oogpunt van de bescherming van de belangen op het gebied van privacy, slachtofferbescherming of andere belangen noodzakelijk vindt. Deze bepaling bevat een duidelijke discretionaire bevoegdheid van het OM om te bepalen dat van materiaal geen gebruik zal worden gemaakt. Aan die bevoegdheid hebben [gedaagde sub 1] c.s. zich gecommitteerd en contractueel verbonden. De bepaling bevat bovendien ook geen belangenafweging, waarbij – bijvoorbeeld – recht op vrijheid van meningsuiting zou moeten worden afgewogen tegen de in het artikel opgenomen belangen. Ondanks deze discretionaire bevoegdheid is het OM niet over één nacht ijs gegaan bij het inroepen van bepaling 4.3 van het mediacontract. Het OM heeft herhaalde pogingen gedaan om de bezwaren van de nabestaanden [B] weg te nemen. Hoewel het OM de teleurstelling van [gedaagde sub 1] c.s. begrijpt, dienen zij de verplichtingen die zij op grond van artikel 4.3 van het Mediacontract hebben na te komen. Het OM heeft spoedeisend belang bij de vorderingen, omdat [gedaagde sub 1] c.s. een eventueel cassatieberoep tegen de (op korte termijn te verwachte) uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet zullen afwachten voordat zij tot uitzending van de documentaire overgaan. [gedaagde sub 1] c.s. zullen derhalve op korte termijn contractbreuk plegen, althans onrechtmatig handelen jegens het OM.

3.3.

[gedaagde sub 1] c.s. voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De vraag die dient te worden beantwoord is of het OM op grond van artikel 4.3 van het mediacontract de bevoegdheid heeft om categorale uitzending van de met medewerking van het OM verkregen beeld- en geluidsopnamen te verbieden. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend gelet op het volgende.

4.2.

Het OM wil met de onderhavige procedure bereiken dat het [gedaagde sub 1] c.s. wordt verboden enige door hen met medewerking van het OM op grond van het mediacontract gemaakte opnamen uit te laten zenden. Daarmee staakt het OM in feite zijn medewerking aan het mediacontract in zijn geheel. De reden daarvoor is de (onder 2.10 genoemde) toezegging die het OM aan de nabestaanden van het echtpaar [B] heeft gedaan. Het OM stelt dat hij daarmee gebruik maakt van de aan hem op grond van artikel 4.3. van het mediacontract toegekende bevoegdheid om uitzending van beeld- en geluidsopnamen die het OM niet voor uitzending geschikt acht tegen te houden wanneer het OM dat uit oogpunt van bescherming van de belangen op het gebied van privacy, slachtofferbescherming, opsporing en vervolging, politietactiek- en techniek en/of risico op (ernstige) reputatieschade noodzakelijk vindt.

4.3.

Artikel 4.3. van het mediacontract geeft aan het OM weliswaar een vergaande discretionaire bevoegdheid om uitzending van bepaalde beeld- en geluidsopnamen tegen te houden, maar deze bevoegdheid gaat niet zo ver dat op grond van dit artikel de medewerking aan de documentaire in zijn geheel kan worden gestaakt, zonder toetsing van de individuele beeld- en geluidsopnamen aan de in dit artikel genoemde belangen. Deze toetsing heeft het OM niet uitgevoerd. Ter zitting heeft het OM immers verklaard dat hij de documentaire niet heeft bekeken, zodat het OM niet heeft kunnen beoordelen of de geluids- en beeldopnamen die in de documentaire zijn opgenomen zodanig zijn dat de in artikel 4.3. genoemde gronden om uitzending te voorkomen zich voordoen. Het staken van de medewerking aan de documentaire hield uitsluitend verband met het bezwaar van de nabestaanden van het echtpaar [B] tegen het tot stand komen van de documentaire en de medewerking van het OM daaraan, nu daardoor de rouwverwerking zou worden verstoord en vertraagd. Alhoewel het standpunt van de nabestaanden begrijpelijk is, is dit onvoldoende om categorale uitzending van de met toestemming van het OM op grond van het mediacontract gemaakte beeld- en geluidsopnamen te verbieden. Overigens wordt met het staken van de medewerking niet voorkomen dat de documentaire wordt gemaakt en uitgezonden, nu de documentairemakers hebben aangegeven dat de documentaire ook zonder de beelden die met toestemming van het OM zijn gemaakt kan en zal worden uitgezonden.

4.4.

Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat voorafgaand aan het sluiten van het mediacontract al bij het OM bekend was dat de nabestaanden van het echtpaar [B] , anders dan de nabestaanden van de heer [A] die positief tegenover de documentaire stonden en staan, er bezwaar tegen hadden dat er een documentaire zou worden gemaakt over de strafzaak en dat het OM daaraan mee zou werken. Kennelijk was dat op dat moment voor het OM geen reden om van medewerking aan de documentaire af te zien. Gesteld noch gebleken is dat er ten aanzien van die bezwaren sprake is van zodanige wijziging van omstandigheden dat thans op grond van die bezwaren uit oogpunt van slachtofferbescherming uitzending van de beeld- en geluidsopnamen niet meer opportuun zou zijn. Dat het OM in dit kader een toezegging aan de nabestaanden heeft gedaan, kan niet aan [gedaagde sub 1] c.s. worden tegengeworpen. [gedaagde sub 1] c.s. zijn niet betrokken geweest bij de totstandkoming van die toezegging en die toezegging tast de rechtsverhouding tussen [gedaagde sub 1] c.s. en het OM – zoals neergelegd in het mediacontract – niet aan.

4.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de vordering van het OM in dit kort geding niet voor toewijzing vatbaar. Daarom kan in het midden blijven of artikel 4.3 van het mediacontract, zoals [gedaagde sub 1] c.s. stellen, in strijd is met artikel 7 Grondwet en artikel 10 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en daarom wegens strijd met de openbare orde nietig is.

De voorzieningenrechter ziet echter aanleiding om ten aanzien van deze stelling toch een enkele opmerking te maken. Op grond van het mediacontract is het [gedaagde sub 1] c.s. toegestaan om te filmen op de werkvloer van het OM. [gedaagde sub 1] c.s. hebben toegang gekregen tot allerlei besloten overleggen waar normaal gesproken geen buitenstaanders bij aanwezig mogen zijn. In een dergelijke situatie acht de voorzieningenrechter het in algemene zin niet ontoelaatbaar of strijdig met artikel 7 Grondwet of artikel 10 EVRM, dat daaraan voorwaarden worden verbonden, al was het maar om te voorkomen dat door de aldus vergaarde beeld- en geluidsopnamen (grond)rechten van derden worden geschonden. [gedaagde sub 1] c.s. hebben beeld- en geluidsopnamen gemaakt van besprekingen die intern bij het OM zijn gevoerd en waarop medewerkers van het OM zichtbaar zijn. Voorafgaand aan de opnames staat niet vast wat er besproken zal worden en het OM moet – mede gezien de aard van de gesprekken – in redelijkheid de mogelijkheid hebben te voorkomen dat uit oogpunt van vooraf concreet gedefinieerde en kenbare belangen bepaalde beeld- en geluidsopnamen voor publicatie worden gebruikt. De verwijzing van [gedaagde sub 1] c.s. naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 december 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:3545) gaat niet op, nu in die casus sprake was van een ander feitencomplex. In die zaak ging het om de verspreiding van in een detentiecentrum genomen foto’s, waarop geen bewoners of medewerkers af zijn gebeeld.

4.6.

Slotsom van al het vorenstaande is dat de vordering van het OM zal worden afgewezen. Het OM zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering van het OM af;

5.2.

veroordeelt het OM in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. begroot op € 1.104,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat € 288,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2016.

idt