Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:14015

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
C/09/519486 / KG ZA 16-1229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Staat handelt niet onrechtmatig door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/519486 / KG ZA 16-1229

Vonnis in kort geding van 2 november 2016

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. E.A. Kazzaz-de Hoog te Den Haag,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.H.K. Jansen te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met twee producties;

- de door de Staat overgelegde vier producties;

- de op 21 oktober 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij onherroepelijk vonnis van 11 maart 2014 van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, is [eiser] veroordeeld voor verduistering, meermalen gepleegd en is hem een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 11 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opgelegd, alsmede een werkstraf voor de duur van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis. Daarnaast is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van de [X] te [plaats] als benadeelde partij, tot een bedrag van € 172.653,69 te vervangen door 365 dagen hechtenis.

2.2.

De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB).

2.3.

Op 11 april 2014 heeft het CJIB [eiser] een acceptgiro toegezonden tot voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, waarna op 29 juni 2014 en op 12 augustus 2014 aanmaningen zijn verzonden. Het openstaande bedrag is met elke aanmaning verhoogd met de wettelijke verhogingen.

2.4.

Wegens het uitblijven van betaling heeft het CJIB de zaak op 9 oktober 2014 aan de deurwaarder overgedragen. De deurwaarder heeft de zaak geretourneerd aan het CJIB omdat verhaal niet mogelijk bleek.

2.5.

Op 18 maart 2016 heeft het CJIB een waarschuwing arrestatiebevel aan [eiser] verzonden en vervolgens op 8 april 2016 een arrestatiebevel.

2.6.

Van 19 april 2016 tot 3 mei 2016 heeft [eiser] 14 dagen vervangende hechtenis ondergaan. Deze hechtenis is per laatstgenoemde datum beëindigd omdat [eiser] een betalingsregeling met het CJIB is overeengekomen, inhoudende dat hij € 5.750,- per maand zou gaan voldoen. [eiser] is de betalingsregeling eenmaal nagekomen, maar daarna in gebreke gebleven met de overeengekomen betalingen. Op 17 juli 2016 heeft het CJIB opnieuw een arrestatiebevel uitgevaardigd, op grond waarvan [eiser] sinds 22 augustus 2016 weer vastzit. De einddatum van de vervangende hechtenis is voorzien op 7 augustus 2017.

2.7.

Op dit moment staat er een bedrag open van € 199.952,43.

2.8.

In september 2016 heeft [eiser] een verzoek tot onderbewindstelling ingediend bij de kantonrechter van deze rechtbank. Op dit verzoek is nog niet beslist.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vervangende hechtenis per direct te beëindigen, danwel deze te beëindigen per de datum van onderbewindstelling van [eiser] , dan wel de vervangende hechtenis te schorsen op voorwaarden, met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] heeft in de afgelopen jaren zijn uiterste best gedaan om betalingen te verrichten, maar had onvoldoende mogelijkheden hiertoe. Zijn accountantskantoor is failliet gegaan zodat hij daar geen inkomsten meer uit haalde. Toen hij weer werk had gevonden, is hij op zijn werkplek gearresteerd, terwijl hij beschikte over woonruimte waar hij ingeschreven stond. Hij had dus ook buiten het zicht van zijn werkplek aangehouden kunnen worden. Echter, door de arrestatie op zijn werkplek heeft hij zijn nieuwe baan, en het daarbij behorende inkomen, niet kunnen behouden. [eiser] heeft thans geen middelen om betalingen te verrichten. De detentie maakt het hem onmogelijk om opnieuw inkomen te genereren. [eiser] meent dat er jegens hem maatwerk dient te worden verricht door het CJIB zodat er uitzicht komt op volledige voldoening van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens [eiser] brengt dit met zich dat hij vrijgelaten dient te worden. Door hem in hechtenis te houden, handelt de Staat onrechtmatig jegens hem.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooropgesteld wordt dat een veroordelend vonnis van de strafrechter, waar geen gewoon rechtsmiddel meer tegen open staat, ten uitvoer gelegd moet worden. Bij de tenuitvoerlegging dient op grond van artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering bekwame spoed te worden betracht. Dit geldt eveneens voor de executie van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

4.2.

Aan [eiser] is door de strafrechter ingevolge het tweede lid van art. 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel opgelegd omdat hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, waarbij de strafrechter tevens de vervangende hechtenis heeft bepaald. De draagkracht van [eiser] heeft bij de bepaling van de hoogte van het bedrag geen rol gespeeld. Onder omstandigheden kan het gebrek aan draagkracht voor de strafrechter reden zijn ervan af te zien de schadevergoedingsmaatregel op te leggen (vgl. HR 19 juni 2006, ECLI:NL: HR:2006:AZ8788). Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan sprake zijn. Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vast staat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis. De strafrechter dient extra te motiveren dat sprake is van een uitzonderlijk karakter van het geval. Zulks is in de zaak van [eiser] niet gebeurd, zodat thans uitgegaan dient te worden van het onherroepelijk geworden arrest.

4.3.

De wijze waarop het CJIB de aan hem opgedragen executie van schadevergoedingsmaatregelen uitvoert, is neergelegd in de Aanwijzing executie, (laatstelijk Staatscourant 2016, nummer 19890, datum inwerkingtreding 22 april 2016 (hierna: de Aanwijzing)). In de bij deze aanwijzing behorende bijlage 3 is vermeld dat het CJIB in beginsel geen betalingsregelingen treft en dat een verzoek daartoe alleen op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden. In de bedoelde bijlage is verder bepaald dat de termijn waarbinnen volledige betaling moet zijn gerealiseerd in beginsel maximaal 12 maanden is, dat deze in bijzondere gevallen tot 36 maanden kan worden verlengd en dat slechts in uitzonderingsgevallen van die laatste termijn kan worden afgeweken. Bij het vaststellen van de maandelijkse termijnbedragen wordt rekening gehouden met de draagkracht van de veroordeelde. Indien de inning en/of het verhaal niet succesvol kan worden afgesloten wordt een arrestatiebevel uitgevaardigd. Aan het CJIB komt een ruime beleidsvrijheid toe zodat zijn beslissingen op dit punt in kort geding slechts marginaal kunnen worden getoetst.

4.4.

Naar vaste jurisprudentie is het in de Aanwijzing executie verwoorde beleid niet onrechtmatig. Onderzocht moet worden of dit beleid op de juiste wijze is toegepast. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit het geval is. Uit de stukken volgt dat [eiser] , nadat hij door het CJIB is aangeschreven tot voldoening van de schadevergoedingsmaatregel, geen betalingen heeft verricht, waarna het CJIB de inning uit handen heeft gegeven aan de deurwaarder. De deurwaarder heeft het dossier geretourneerd aan het CJIB omdat verhaal niet mogelijk bleek. Er is toen een waarschuwing arrestatiebevel uitgevaardigd en vervolgens een arrestatiebevel op grond waarvan [eiser] veertien dagen heeft vastgezeten. Dat [eiser] is vastgezet is niet onrechtmatig te noemen, maar op grond van het vigerende beleid de volgende stap binnen de executie. In die zin is niet aannemelijk geworden dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. [eiser] is na veertien dagen hechtenis bij wijze van zeer hoge uitzondering ontslagen uit de hechtenis omdat er een betalingsregeling is getroffen van 36 maandelijkse termijnen van € 5.713,96 en de eerste termijn daarvan was voldaan. Daarbij is vanuit het CJIB aangegeven dat, als [eiser] de betalingsregeling niet stipt na zou komen, er weer een arrestatiebevel uitgevaardigd zou worden. Na de eerste betaling is geen nieuwe betaling gevolgd. Volgens [eiser] ligt dat aan de wijze waarop hij op zijn werkadres is aangehouden naar aanleiding van het arrestatiebevel. De voorzieningenrechter volgt [eiser] hierin niet. [eiser] wist vanaf 17 juli 2016 dat er weer een arrestatiebevel was uitgevaardigd. Dat [eiser] zijn baan door zijn huidige detentie heeft verloren, komt voor zijn eigen rekening en risico, evenals het niet (langer) kunnen nakomen van de overeengekomen betalingsregeling.

4.5.

[eiser] meent dat het CJIB ten aanzien van hem maatwerk dient te leveren in de wijze waarop de schadevergoedingsmaatregel verder wordt uitgevoerd. Volgens [eiser] is hij in staat om aflossingen te verrichten zolang hij kan werken. Aan hem dient die kans gegeven te worden. Zolang hij vast zit, zal er geen enkele aflossing kunnen plaatsvinden hetgeen niet in het belang van de benadeelde partij is. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis schiet dan ook haar doel voorbij doordat [eiser] alsdan geen inkomen kan genereren en er geen enkele prikkel tot betaling meer van uitgaat maar dit enkel resulteert in nadere strafoplegging. De Hoge Raad heeft echter in zijn arrest van 20 juni 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA6246) geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat door de wetgever onder ogen is gezien dat de bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel te bepalen vervangende hechtenis ook ten uitvoer kan worden gelegd in gevallen waarin de veroordeelde de schadevergoedingsmaatregel niet kan voldoen. Anders dan bij (dreigende) gijzeling op grond van verkeersboetes vormt betalingsonmacht in dit geval geen grond om van de vervangende hechtenis af te zien. Dat de detentie aan voldoening van de schadevergoeding in de weg staat, komt voor rekening en risico van de veroordeelde. Het beleid van het CJIB, dat in de rechtspraak van de Hoge Raad tot op heden wordt bevestigd, laat bij de tenuitvoerlegging van schadevergoedingsmaatregelen niet het maatwerk toe dat thans bij gijzeling wel mogelijk is. Aan [eiser] is de kans gegeven om via een betalingsregeling de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te voorkomen, maar hij heeft na de eerste betaling verzuimd vervolgbetalingen te verrichten. Er is voor een korte periode maatwerk geleverd door het CJIB, maar daarbij is door [eiser] niet voldaan aan de gestelde voorwaarden. Het CJIB heeft dan ook met recht opnieuw een arrestatiebevel uitgevaardigd.

4.6.

Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan tenuitvoerlegging van het arrestatiebevel niettemin misbruik van recht opleveren. Daarvan is thans niet gebleken. Dit brengt met zich dat de vordering zal worden afgewezen.

4.7.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.435,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op
2 november 2016.

imt