Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1398

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
C/09/470575 / HA ZA 14-883
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Auteursrecht; overeenkomst van opdracht; onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/470575 / HA ZA 14-883

Vonnis van 17 februari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. C. de Bruin te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZOOTZ B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaten: mrs. A. de Groot en P.A. Visser te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en Zootz genoemd worden. De zaak is voor partijen behandeld door de advocaten voornoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 juli 2014, met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de conclusie van antwoord van 10 september 2014, met producties 1 tot en met 11;

  • -

    het tussenvonnis van 8 oktober 2014 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de beschikking van 9 december 2014 waarbij de comparitie van partijen nader is bepaald op 2 maart 2015;

  • -

    de akte houdende vermeerdering c.q. wijziging van eis van 16 februari 2015 van [eiser] ,

met producties 8 tot en met 13, mede omvattende een kostenspecificatie;

de brief van 17 februari 2015 van Zootz met een akte overlegging producties inhoudende een kostenspecificatie (productie 12);

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen gehouden op 2 maart 2015;

  • -

    de brief van 19 maart 2015 van mr. De Groot met verzoek tot aanpassing van het proces-

verbaal;

- de brief van 23 maart 2015 van mr. De Bruin die zich tegen de verzochte aanpassingen van

het proces-verbaal verzet.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] drijft een eenmanszaak onder de naam [NAAM] en houdt zich bezig met het (grafisch) ontwerpen en uitwerken van (reclame)campagnes en huisstijlen. Zootz drijft een marketing- en communicatie adviesbureau.

2.2.

In augustus 2012 heeft de Gemeente Den Haag (hierna: de Gemeente) Zootz opdracht gegeven een campagne te ontwerpen om de Dienst Stadsbeheer (hierna: DSB) van de Gemeente onder de aandacht van het publiek te brengen. Op 23 augustus 2012 heeft Zootz in dat kader een presentatie gegeven aan de Gemeente.

2.3.

In september 2012 heeft Zootz [eiser] verzocht een campagnestijl/communicatiestijl voor DSB te ontwikkelen die zou worden gebruikt in (mini)campagnes voor de Gemeente (hierna: de opdracht). Daarbij is tussen [eiser] en Zootz overeengekomen dat – conform verzoek van de Gemeente - het ontwerp binnen de grenzen van de huisstijl zoals neergelegd in de Stijlgids van de Gemeente van 1 juli 2012 (hierna: de Stijlgids) dient te blijven, dat een zogeheten word cloud wordt gebruikt zoals die in genoemde presentatie van Zootz voorkomt, alsmede een (schuine) balk met daarin twee of drie foto’s, conform een ontwerp van een ander communicatiebedrijf Tappan, dat ook voor de Gemeente werkt (hierna: Tappan-leaflet).

2.4.

Het ontwerp dat [eiser] voor de DSB campagne heeft gemaakt, is hieronder afgebeeld (hierna ook wel: het ontwerp). Het ontwerp is op 25 september 2012 door Zootz aan de Gemeente gepresenteerd en na nog wat aanpassingen op 18 oktober 2012 goedgekeurd.

2.5.

De Gemeente heeft vervolgens (via Zootz) [eiser] verzocht het ontwerp te mogen laten gebruiken door een concurrent van [eiser] om de mini-campagne ‘Bereikbaarheid’ te ontwikkelen. [eiser] heeft hiervoor (via Zootz) zijn toestemming verleend.

2.6.

In de periode daarna, tot medio 2013, heeft [eiser] in opdracht van Zootz uitingen ontworpen voor de campagne ‘Duurzaamheid’, het factsheet Carnegieplein, de Waterkaart Den Haag, de ‘Wist U dat?’-leaflet en de ‘Nieuwsbrief Markten’, alle conform de stijl van het (eerste) ontwerp. Enkele van de in dat kader ontworpen uitingen zijn hieronder weergegeven.

2.7.

In een offerte van [eiser] aan Zootz van 2 april 2013 terzake de campagne Duurzaamheid voor de Gemeente staat voor zover relevant:

Hierbij stuur ik de begroting voor het ontwerpen en uitwerken van enkele middelen in het kader voor Den Haag; de week van de Duurzaamheid. De ontwikkelde communicatiestijl voor Den Haag Schoon/Duurzaam (wordcloud) zal hierin leidend zijn.

(…)

Deze begroting is gebaseerd op het verlenen van onbeperkt gebruiksrecht en is afkoop van auteursrecht niet opgenomen.”

(…)

Op deze opdracht zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden van de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers (BNO).”

2.8.

Zootz heeft [eiser] in april 2013 laten weten dat Zootz de door hem ontworpen uitingen digitaal naar het bedrijf Multimedia zou sturen omdat Multimedia uitingen/middelen voor de Gemeente zou gaan ontwikkelen. Op verzoek van derden, via Zootz, om computerbestanden (‘moederbestanden’) van [eiser] van de (mini)campagne ‘Duurzaamheid’ te mogen gebruiken voor het maken van andere middelen/uitingen, heeft [eiser] deze bestanden aan Zootz verschaft.

2.9.

Zootz is in 2013 betrokken geweest bij diverse campagnes van de Gemeente waarin voor de Gemeente uitingen op basis van het ontwerp zijn geproduceerd en openbaar gemaakt, zonder dat [eiser] daarbij betrokken was. Enkele van deze uitingen zijn hieronder afgebeeld.

2.10.

Bij brief van 9 december 2013 heeft de advocaat van [eiser] Zootz aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de auteursrechtinbreuk en het onrechtmatig handelen van Zootz door het ontwerp van [eiser] te verveelvoudigen en zonder toestemming van [eiser] zonder voorbehoud terzake de auteursrechten van [eiser] ter beschikking te stellen aan de Gemeente. Zootz heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie.

2.11.

In januari 2014 heeft de advocaat van [eiser] de Gemeente aansprakelijk gesteld en gesommeerd de inbreuk op de auteursrechten van [eiser] te staken. De Gemeente heeft evenmin gevolg gegeven aan de sommatie. In de reactie van de Gemeente van 30 januari 2014 bij monde van haar advocaat staat dat de gemeente bij opdrachtverlening aan Zootz heeft bedongen dat alle rechten op het te vervaardigen ontwerp bij de gemeente zouden komen te liggen en dat Zootz de Gemeente heeft gegarandeerd dat het ontwerp vrij is van rechten van derden. Voorts stelt de Gemeente dat zij sinds de openbaarmaking van het ontwerp op de grond van artikel 8 Auteurswet als maker en auteursrechthebbende wordt aangemerkt.

2.12.

[eiser] doet een beroep op de Algemene Voorwaarden van de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers van januari 2005 (hierna: de BNO-voorwaarden). Artikel 5.1 daarvan luidt als volgt:

“5 Gebruik en Licentie

5.1.

Wanneer de opdrachtgever volledig voldoet aan zijn verplichtingen ingevolge de overeenkomst

met de opdrachtnemer, verkrijgt hij een exclusieve licentie tot het gebruik van het ontwerp

voorzover dit betreft het recht van openbaarmaking en verveelvoudiging overeenkomstig de bij

de opdracht overeengekomen bestemming.

Zijn er over de bestemming geen afspraken gemaakt, dan blijft de licentieverlening beperkt tot

dat gebruik van het ontwerp, waarvoor op het moment van het verstrekken van de opdracht

vaststaande voornemens bestonden. Deze voornemens dienen aantoonbaar voor het sluiten

van de overeenkomst aan de opdrachtnemer bekend te zijn gemaakt.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na eisvermeerdering, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I

primair: veroordeling van Zootz tot betaling aan [eiser] van € 61.185,- uit hoofde van een onrechtmatige daad, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 9 december 2013, althans vanaf de datum van dagvaarding, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair: veroordeling van Zootz tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 9 december 2013, althans vanaf de datum van dagvaarding, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

II veroordeling van Zootz tot betaling aan [eiser] van € 875,- aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van dagvaarding, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening; en

III veroordeling van Zootz in de kosten van de procedure in de zin van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorering (hierna: Rv), vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van dagvaarding, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiser] stelt dat hem de (auteurs)rechten op het ontwerp (zie 2.4) toekomen voor de communicatiestijl voor (de afdeling DSB) van de Gemeente. [eiser] legt aan zijn eis ten grondslag dat Zootz jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door (de rechten op) het ontwerp aan de Gemeente over te dragen en de Gemeente te garanderen dat het ontwerp vrij is van rechten van derden terwijl Zootz wist of behoorde te weten dat [eiser] het auteursrecht op dit ontwerp toekomt. Door dit handelen heeft [eiser] schade geleden in de vorm van gederfde licentie-inkomsten, welke schade Zootz gehouden is te vergoeden.

3.3.

Zootz voert verweer, waarop in het navolgende - voor zover relevant - wordt ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank volgt reeds uit het feit dat deze niet is bestreden (artikel 110 Rv).

Proces-verbaal

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van de door mr. De Groot in de brief van 19 maart 2015 namens Zootz verzochte wijzigingen van het proces-verbaal waartegen mr. De Bruin zich namens [eiser] heeft verzet. De inhoud van de brief van mr. De Groot wordt niet geacht tot de gedingstukken te behoren omdat de rechtbank daarin geen aanleiding ziet de zakelijke weergave in het proces-verbaal aan te passen.

Onrechtmatig handelen Zootz

4.3.

Aan het betoog van [eiser] ten aanzien van de onrechtmatigheid van Zootz’ handelen ligt ten grondslag de stelling dat het ontwerp auteursrechtelijk beschermd is, dat [eiser] als maker rechthebbende is en dat Zootz zonder toestemming van [eiser] het ontwerp gebruikt en laat gebruiken door de Gemeente. Zootz voert op al deze punten verweer.

4.4.

[eiser] heeft tijdens de comparitie nader toegelicht, hetgeen niet is bestreden door Zootz, dat hij bij het maken van het ontwerp binnen de door Zootz aangegeven grenzen (gebruikmakend van het Tappan-leaflet, de door Zootz ingebrachte word cloud en de Stijlgids) verschillende (eigen) keuzes heeft gemaakt. In elk geval is door Zootz niet bestreden dat [eiser] de volgende elementen (zelf) heeft ontworpen:

- één woord in (een afwijkende) kleur in de word cloud, de overige woorden in tinten van

één andere kleur;

  • -

    plaatsing van de word cloud rechtsonder in beeld;

  • -

    een schuine balk omvattende een balk waarin twee of drie foto’s zijn opgenomen die voor

de kijker recht worden weergeven;

- cursieve tekst in de genoemde schuine balk (waardoor de tekst voor de kijker verticaal

staat).

4.5.

De rechtbank gaat er in het navolgende veronderstellenderwijs vanuit dat, hetgeen

Zootz gemotiveerd betwist, het ontwerp met daarin voornoemde elementen een

auteursrechtelijk beschermd werk is en dat [eiser] auteursrechthebbende is.

4.6.

Dat [eiser] het ontwerp heeft gemaakt in het kader van een opdracht van Zootz

waarbij [eiser] geen auteursrechten aan Zootz heeft overgedragen, is tussen partijen in

confesso. Ook niet in geschil is dat de hiervoor vermelde elementen uit het ontwerp

terugkomen in latere (deel)campagnes en uitingen van de Gemeente. Bij een aantal daarvan

was [eiser] (via een separate vervolgopdracht van Zootz) betrokken maar bij uitingen van

de Gemeente vanaf medio 2013 niet. Daartegen richten de bezwaren van [eiser] zich.

4.7.

De kern van het geschil is de reikwijdte van het gebruiksrecht dat [eiser] in het kader van de opdracht aan Zootz heeft verstrekt ten aanzien van het ontwerp. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het gebruiksrecht op het ontwerp beperkt is tot gebruik in de campagne waarvoor het ontwerp is gemaakt en dat voor iedere keer dat de stijlelementen uit het ontwerp worden hergebruikt opnieuw toestemming moet worden gevraagd. [eiser] beroept zich daarbij op de BNO-voorwaarden die volgens hem van toepassing zijn op de opdracht. Zootz heeft dit gemotiveerd betwist en stelt zich op het standpunt dat de opdracht zag op het ontwerpen van een eerste onderdeel van een langdurigere campagne waarbij zij de stijlelementen uit het eerste ontwerp in vervolgcampagnes vrijelijk mocht toepassen. Zootz betwist dat de BNO-voorwaarden van toepassing zijn.

4.8.

Of de BNO-voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst van opdracht kan in het midden blijven. In beide gevallen, uitgaande van het wettelijk systeem van de Auteurswet en van het Burgerlijk Wetboek dan wel van artikel 5.1 van voornoemde voorwaarden, is sprake van een gebruiksrecht voor de opdrachtgever, in dit geval Zootz, waarvan de reikwijdte afhankelijk is van hetgeen partijen daarover hebben afgesproken. In de BNOvoorwaarden artikel 5.1 (zie 2.12) wordt dit aangeduid als de bij de opdracht overeengekomen bestemming. Als bij het sluiten van de opdracht over de bestemming niets is afgesproken, dan geldt op grond van artikel 5.1 dat het gebruiksrecht beperkt is tot dat gebruik waarvoor op het moment van het verstrekken van de opdracht vaststaande voornemens bestonden. Ook dat wijkt niet wezenlijk af van het wettelijk systeem waarbij de reikwijdte van het gebruiksrecht dient te blijken uit hetgeen partijen zijn overeengekomen.

4.9.

Nu de inhoud van de overeenkomst waarop [eiser] zich beroept door Zootz gemotiveerd wordt betwist, is het aan [eiser] om te stellen en zo nodig te bewijzen wat partijen zijn overeengekomen.

4.10.

[eiser] heeft geen offerte of een akkoord van Zootz op zulk een offerte overgelegd noch anderszins een overeenkomst van opdracht of een stuk waaruit de inhoud van hetgeen partijen zijn overeengekomen blijkt. Zootz heeft tijdens de comparitie van partijen onbestreden naar voren gebracht dat een dergelijke offerte er wel is. Zootz stelt dat de offerte ten aanzien van het ontwerp net als de wel door [eiser] overgelegde offerte voor de campagne Duurzaamheid (zie 2.7) een onbeperkt gebruiksrecht voor Zootz vermeldt. Of dit zo is, hetgeen wordt betwist door [eiser] , heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen omdat ook Zootz de offerte niet heeft overgelegd.

4.11.

Uit de wel door [eiser] overgelegde twee facturen die zien op het ontwerp (voor fasen 1 en 2) is niet af te leiden wat partijen zijn overeengekomen omtrent het aan Zootz verstrekte gebruiksrecht.

4.12.

Ten aanzien van de door [eiser] overgelegde geluidsopname van een door hem met (vertegenwoordigers van) Zootz gevoerd gesprek op 4 november 2013 in het kader van een mogelijke schikking, waar hij heimelijk een opname van heeft gemaakt, wordt als volgt overwogen. [eiser] stelt niet dat de geluidsopname helderheid verschaft over hetgeen partijen feitelijk zijn overeengekomen. Hij heeft ook niet verwezen naar enige passage uit genoemde opname die zijn stelling dienaangaande onderschrijft. [eiser] heeft enkel gesteld dat uit die opname volgt dat Zootz zich bewust zou zijn van een beperkt gebruiksrecht, hetgeen Zootz betwist. Wat daar ook van zij, het beroep op de geluidsopname baat hem derhalve niet.

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] de inhoud van de overeenkomst van opdracht, althans de volgens zijn stelling gemaakte afspraken omtrent een beperkt gebruiksrecht van het ontwerp, gelet op de gemotiveerde betwisting door Zootz, onvoldoende nader heeft onderbouwd terwijl dat wel op zijn weg had gelegen.

4.14.

[eiser] heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan zonder overigens te specificeren dat hij aanbiedt de inhoud van de overeenkomst van opdracht te bewijzen. De rechtbank ziet geen aanleiding om [eiser] alsnog in de gelegenheid te stellen stukken in het geding te brengen. Van een partij die zich beroept op een stuk waarover zij beschikt, mag immers verlangd worden dat zij dat stuk uit zichzelf in het geding brengt (Hoge Raad 9 maart 2012, LJN BU9204). Partijen zijn in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om tot twee weken voor de comparitie stukken in te zenden terwijl [eiser] ruimschoots voordien op de hoogte was van de verweren van Zootz. [eiser] heeft verzuimd de offerte dan wel andere stukken over te leggen, hetgeen hij overigens ook niet ter zitting alsnog heeft aangeboden. [eiser] heeft voorts geen bewijs aangeboden door middel van getuigen. Zodoende gaat de rechtbank aan zijn algemene bewijsaanbod voorbij.

4.15.

Nu niet is vast komen te staan dat partijen een beperkt gebruiksrecht ten aanzien van het ontwerp zijn overeengekomen zoals door [eiser] gesteld, komt de rechtbank niet toe aan de uitleg en de reikwijdte van het afgesproken gebruiksrecht en ook niet aan de beoordeling van de stelling van [eiser] dat sprake is van onrechtmatig handelen door Zootz door zich niet aan die afspraak te houden.

Slotsom en proceskosten

4.16.

Gezien het voorgaande wordt de stelling van [eiser] dat Zootz onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld verworpen. Nu de vorderingen uitsluitend rusten op deze grondslag zullen zij alle worden afgewezen.

4.17.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Zootz stelt primair dat artikel 1019h Rv niet van toepassing is i.c., mocht dat volgens de rechtbank wel het geval zijn, dan vordert Zootz een vergoeding van de redelijke en evenredige proceskosten die zij heeft gespecificeerd tot een bedrag van € 10.673,26 ex BTW.

4.18.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 1019h Rv niet van toepassing is omdat de vorderingen van [eiser] niet zien op het handhaven van intellectuele eigendomsrechten. De proceskosten zullen daarom op grond van het liquidatietarief worden begroot op € 3.680,-, waarvan € 1.892,- aan griffierecht en € 1.788,- (2 punten à € 894,-) aan salaris voor de advocaat. Uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de proceskostenveroordeling is door Zootz niet gevorderd.

4.19.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Zootz tot op heden begroot op € 3.680,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.M. Loos en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2016.