Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13858

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
AWB 16 / 23071
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- bekering

- ongeloofwaardig

- Iran

- christendom

- doopverklaring

- opvolgende aanvraag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/23071 (beroep) en AWB 16/23072 (verzoek)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 november 2016 in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,

gemachtigde mr. M.J. Paffen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft tevens een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming van uitzetting hangende beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Eiseres is met haar zoon [naam zoon] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig H. Markarian, tolk in de taal Farsi, en mevrouw [naam] als belangstellende.

Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraanse nationaliteit. Zij is in december 2013 Nederland ingereisd en heeft op 4 mei 2014 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is afgewezen en het daartegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 september 2014 is deze afwijzing onherroepelijk geworden. Op 4 oktober 2016 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend, waaraan zij ten grondslag heeft gelegd dat zij inmiddels is bekeerd tot het christendom. Ter onderbouwing van deze asielaanvraag heeft zij een doopcertificaat van de huiskerk Father’s House Movement van 5 juni 2016, een verklaring van de regioleider Noord en Zuid Nederland [naam 1] van 20 juni 2016 en een met hulp van mevrouw [naam] op 4 juli 2016 op schrift gesteld proces van haar bekering, overgelegd.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

3. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de gestelde bekering van eiseres tot het christendom geloofwaardig is.

4. Verweerder past een vaste gedragslijn toe bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die, voor zover toepasselijk in het concrete geval, grofweg kunnen worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft de vaste gedragslijn vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling staat het verweerder vrij bij de toepassing van vorenbedoelde gedragslijn voor het onderzoek naar de geloofwaardigheid van een bekering aan de motieven voor en het proces van bekering een doorslaggevend gewicht toe te kennen. Deze vaste rechtspraak laat onverlet dat het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw aan een vreemdeling is om zijn gestelde bekering tot het christendom aannemelijk te maken. Het is niet aan verweerder die motieven en dat proces van bekering door middel van doorvragen aan het licht te brengen. Dit geldt in deze zaak temeer nu eiseres afkomstig is uit Iran, waar het zich bekeren tot een andere geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4065.

6. De rechtbank stelt, gezien de gedingstukken, vast dat verweerder zijn vaste gedragslijn op juiste wijze heeft toegepast.

7. Gelet op het feit dat eiseres afkomstig is uit Iran, waar een bekering tot een andere dan de in dat land gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk niet acceptabel is, geldt ook voor eiseres dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde bekering bijzondere waarde moet worden toegekend aan de beantwoording van vragen over de motieven voor en het proces van bekering.

8. Eiseres heeft gesteld dat zij, anders dan gebruikelijk in Iran, niet is opgegroeid als een dochter van ouders die moslims zijn en evenmin binnen het islamitisch geloof met de daarbij horende regels is opgevoed. Omdat haar vader al is overleden toen zij drie maanden oud was en haar moeder door haar familie terug is gehaald naar haar dorp van herkomst, heeft zij tot haar veertiende als een weeskind bij een niet tot de familie behorend gezin in haar geboorteplaats [geboorteplaats] gewoond. Voor haar kost en inwoning moest zij hard werken. Zij is analfabeet en was in Iran slechts in naam moslim, want geboren uit ouders die moslims waren. Daarom is het voor haar betrekkelijk gemakkelijk geweest haar oude geloof los te laten en over te stappen naar een ander geloof. Het ging in Nederland niet goed met eiseres, maar sinds zij in Jezus Christus gelooft, voelt zij zich gelukkig en kent zij geen vrees meer. Verder heeft zij ter staving van haar bekering te berde gebracht dat zij, die nooit een eigen vader heeft gehad, nu een hemelse vader en Christus heeft gevonden zodat zij nooit meer alleen is. Gelet op haar beperkte mogelijkheden zich uit te drukken en haar met haar gevorderde leeftijd samenhangende falende geheugen, kan van eiseres niet verwacht worden dat zij meer verklaart over haar innerlijke proces van bekering dan zij heeft aangehaald.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiseres geen overtuigende verklaringen heeft afgelegd over de motieven voor en het proces van haar bekering. Zo heeft eiseres niet (voldoende) inzichtelijk gemaakt waarom zij juist in het christelijke geloof haar redding zou hebben gevonden. Hierbij is van belang dat eiseres de islam als een strenge godsdienst met veel beperkende regels omschrijft, terwijl uit niets blijkt dat eiseres zich heeft verdiept in de eventuele negatieve kanten van het christendom. In Teheran woonde ze in een wijk waar veel Armeense christenen woonden met wie zij contact had en bij wie ze in de huishouding werkte. Dit was haar eerste contact met christenen en zo is zij geïnteresseerd geraakt in het christendom. Van eiseres mag verwacht worden dat zij zich, alvorens zich tot een andere geloofsovertuiging te bekeren, op de hoogte stelt van zowel de positieve als negatieve aspecten van deze geloofsovertuiging. De omstandigheid dat eiseres, die sinds december 2013 in Nederland is, zich naar eigen zeggen in Nederland heeft laten bekeren door haar buurvrouw [naam buurvrouw] , die haar meenam naar de kerk en alles voor haar regelde, doet afbreuk aan de oprechtheid van de gestelde bekering. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht aan eiseres heeft tegengeworpen dat uit haar verklaringen niet blijkt dat zij zich alvorens zich te bekeren op de hoogte heeft gesteld van de risico’s die een bekering tot het christendom met zich zou kunnen brengen. Eiseres heeft enkel verklaard dat zij nergens bang voor is en dat zij nooit twijfels heeft gehad toen zij zich bekeerde tot het christendom, omdat ze in Iran al in Jezus geloofde en christen wilde worden. Bekeren was in Iran, waar zij zich als niet-praktiserende moslim wist te handhaven, volgens eiseres echter niet mogelijk omdat ze dan zou worden gedood. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hiermee echter niet duidelijk heeft gemaakt nagedacht te hebben over de eventuele nadelen die een bekering met zich zou kunnen brengen. De enkele opmerking dat zij weet dat zij gevaar loopt, maar haar leven over heeft voor Jezus en dat zij daarom niet terug kan naar Iran, is daarvoor onvoldoende. Gelet op de verklaringen van eiseres, zoals die blijkt uit het rapport gehoor opvolgende aanvraag, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt van een weloverwogen keuze voor het christendom dan wel van een proces van een innerlijke en oprechte bekering.

10. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres de oprechtheid van de gestelde bekering niet aannemelijk heeft gemaakt, nu zij onder meer geen inzicht heeft verschaft over haar motieven voor en het innerlijke proces dat haar tot het christelijke geloof heeft gebracht en dat zij daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich vanuit een diepgewortelde persoonlijke overtuiging heeft bekeerd tot het christendom. Daar komt bij dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat eiseres onvoldoende algemene, basale kennis heeft van het christelijk geloof en dat zij na een relatief korte periode van aansluiting bij de kerk is gedoopt. Verweerder heeft verder aan eiseres mogen tegenwerpen dat zij weinig kennis heeft van het christendom. Ze weet niet welke functies in de kerk bekleed worden, ze kent de christelijke feestdagen maar deels bij naam en kan weinig verklaren over belangrijke personen over wie in de bijbel wordt gesproken. Het gebrek aan algemene, basale kennis van het christendom doet mede afbreuk aan de oprechtheid van de gestelde bekering, zoals verweerder terecht heeft gesteld.

11. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3270), kunnen verklaringen van personen en organisaties weliswaar dienen ter staving van een bekering, maar dergelijke verklaringen laten de verantwoordelijkheid van een vreemdeling onverlet om ook tegenover verweerder overtuigende verklaringen af te leggen met betrekking tot de gestelde bekering, waaronder de motieven voor en het proces van bekering, alsook de betekenis die de bekering voor hem heeft. Zoals hierboven is overwogen en geoordeeld is eiseres daarin niet geslaagd. De inhoud van de door eiseres overgelegde verklaringen van de regioleider van “Father’s House Movement” respectievelijk de met behulp van een derde persoon opgestelde verklaring over haar bekering leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu eiseres daarmee haar motieven voor en het proces van de gestelde bekering niet alsnog inzichtelijk heeft gemaakt. Immers, in de verklaring van “Father’s House Movement” van 20 juni 2016 staat slechts dat eiseres sinds februari 2016 een trouwe bezoeker is van de door deze beweging georganiseerde tweewekelijks activiteiten in de regio Zwolle (huiskerk in Dronten en samenkomsten in Zwolle), dat zij vier lessen over de fundamenten van het christelijk geloof heeft gevolgd, dat zij een diepgaand doopgesprek heeft gehad en op 5 juni 2016 is gedoopt. Weliswaar wordt vermeld dat in de periode voor de daadwerkelijk doop wordt gekeken of er een innerlijke overtuiging is die versterkt is en of het leven van de betrokken persoon een daadwerkelijk verandering laat zien, maar daarnaar gevraagd in het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiseres dit proces niet duidelijk kunnen maken. Het door haar als een wonder beleefde moment is daartoe onvoldoende. Eiseres blijft in haar verklaringen steken in algemeenheden en is niet in staat gebleken concreet te maken welke veranderingen haar bekeringsproces bij haar teweeg heeft gebracht.

12. De rechtbank is, gelet op het voorgaande en gezien de gedingstukken, van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom de gestelde bekering van eiseres ongeloofwaardig is. De beroepsgrond dat sprake is van een motiveringsgebrek faalt dan ook.

13 Nu verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde bekering van eiseres tot het christendom niet geloofwaardig is, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran vervolging heeft te vrezen, dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

14. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

15. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

16 Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nr.16/23071

- verklaart het beroep ongegrond;

De voorzieningenrechter, in de zaak met nr. 16/23072

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2016.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: