Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13854

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1092
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Crisisheffing

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de bonus al in eerdere jaren was verdiend en op 31 december 2011 om 24.00 uur opeisbaar is geworden. Vast staat dat de bonus in 2012 is uitbetaald.

Van inbaarheid van loon in de zin van genoemd artikel 13a is slechts sprake indien aannemelijk is dat, als de schuldeiser zulks zou verzoeken, zonder verwijl betaling door of vanwege de schuldenaar zal plaatsvinden (vgl. HR 24 juni 1998, nr. 33.238, ECLI:NL:HR:1998:AA2323). Naar was overeengekomen in de bonusregeling zou X zijn winstbonus eerst ontvangen indien hij nog twee volle kalenderjaren in dienst zou blijven bij Y. X kon daarom niet eerder aanspraak maken op de bonus dan met ingang van 1 januari 2012. Niet aannemelijk is geworden dat eiseres, wanneer X daarom zou hebben verzocht, tot uitbetaling van de bonus zou zijn overgegaan in enig jaar voorafgaand aan 2012. De opschortende voorwaarde, welke naar de rechtbank aanneemt in het belang van eiseres was overeengekomen, was dan immers nog niet vervuld.

De goedkeuring in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 september 2013, nr. BLKB 2013/0801M is niet van toepassing omdat de bonus niet vóór 2012 is genoten.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 13a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2676
V-N 2017/6.14.7
FutD 2016-2965
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/1092

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2016 in de zaak tussen

[eiseres] C.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: C.J.M. Zantboer),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats], verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft voor het tijdvak maart 2013 aangifte loonheffingen gedaan. In die aangifte is begrepen een te betalen bedrag van € 89.066 aan pseudo-eindheffing hoog loon. Dit bedrag heeft eiseres op 29 april 2013 afgedragen.

Eiseres heeft tegen de afdracht van de pseudo-eindheffing hoog loon bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft - met instemming van partijen - de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van de arresten van de Hoge Raad van 29 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:121 en 124). Desgevraagd heeft eiseres bij brief van 7 april 2016 haar zienswijze op deze arresten gegeven.

Verweerder heeft op 5 september 2016 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2016.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is een houdstermaatschappij waarin het beheer wordt gevoerd over deelnemingen, waaronder [bedrijf] , actief in de schoonmaakbranche.

2. Eiseres heeft op 16 april 2013 aangifte loonheffingen gedaan naar een totaal te betalen bedrag van € 102.924. In dit bedrag is begrepen een bedrag van € 89.066 aan pseudo-eindheffing hoog loon.

3. De pseudo-eindheffing hoog loon is berekend over het loon dat in 2012 door eiseres is betaald aan twee medewerkers, te weten [persoon 5] en [persoon 6] . [persoon 6] is algemeen directeur van [bedrijf] . [persoon 6] en [bedrijf] zijn een bonusregeling overeengekomen gebaseerd op een rendementsverbetering over een termijn van drie jaar (bonus). In de aangifte loonheffing maart 2013 is begrepen het bedrag van de in 2010 vastgestelde bonus over de jaren 2006 tot en met 2009. De bonus werd uitbetaald op voorwaarde en nadat [persoon 6] nog twee volle kalenderjaren in dienst zou zijn bij [bedrijf] .

Geschil
4. Ter zitting is door eiseres het geschil beperkt tot één grief betrekking hebbend op de pseudo-eindheffing hoog loon met betrekking tot het loon van [persoon 6] .

4.1.

Primair luidt het standpunt van eiseres dat de bonus betaald aan [persoon 6] , gelet op de overeengekomen bonusregeling, fiscaal moet worden toegerekend aan het kalenderjaar 2010. In 2010 is de winstbonus namelijk vastgesteld vanwege de rendementsverbetering in de jaren 2006 tot en met 2009. Eiseres vindt het onredelijk dat de bonus in de grondslag is betrokken alleen omdat deze is betaald in 2012. Subsidiair doet eiseres een beroep op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 september 2013, nr. BLKB 2013/0801M.

4.2.

Verweerder stelt dat het loon van [persoon 6] met inbegrip van de bonus waarover de pseudo-eindheffing hoog loon is berekend, is genoten in 2012. Wanneer dit loon is “verdiend” is, aldus verweerder, niet van belang. Het door eiseres genoemde Besluit met de daarin opgenomen goedkeuring ziet op loon dat is genoten in de jaren vóór 2012, maar waarover via een naheffing in 2012 loonbelasting is geheven. Dat is hier niet het geval.

Beoordeling van het geschil

5. Loon als de hier aan de orde zijnde door [persoon 6] ontvangen bonus, wordt – voor zover hier van belang – op grond van artikel 13a, eerste lid, onder a en b, van de Wet op de loonbelasting 1964, geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop het betaald wordt, dan wel vorderbaar en tevens inbaar wordt.

6. Aangaande het primaire standpunt van eiseres overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat de bonus in 2012 aan [persoon 6] is betaald. Naar de rechtbank begrijpt stelt eiseres dat de bonus al in eerdere jaren was verdiend en op 31 december 2011 om 24.00 uur opeisbaar is geworden. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Van inbaarheid van loon in de zin van genoemd artikel 13a is slechts sprake indien aannemelijk is dat, als de schuldeiser zulks zou verzoeken, zonder verwijl betaling door of vanwege de schuldenaar zal plaatsvinden (vgl. HR 24 juni 1998, nr. 33.238, ECLI:NL:HR:1998:AA2323).

Naar was overeengekomen in de bonusregeling zou [persoon 6] zijn winstbonus eerst ontvangen indien hij nog twee volle kalenderjaren in dienst zou blijven bij [bedrijf] . [persoon 6] kon daarom niet eerder aanspraak maken op de bonus dan met ingang van 1 januari 2012. Niet aannemelijk is geworden dat eiseres, wanneer [persoon 6] daarom zou hebben verzocht, tot uitbetaling van de bonus zou zijn overgegaan in enig jaar voorafgaand aan 2012. De opschortende voorwaarde, welke naar de rechtbank aanneemt in het belang van eiseres was overeengekomen, was dan immers nog niet vervuld.

7. Subsidiair doet eiseres een beroep op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 september 2013, nr. BLKB 2013/0801M. Dit besluit luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“6. Pseudo-eindheffing voor hoog loon

De pseudo-eindheffing voor hoog loon geldt voor 2013 en 2014. De heffing wordt berekend over het loon waarover in 2012 respectievelijk 2013 loonbelasting is geheven voor zover het loon van de desbetreffende werknemer meer bedraagt dan € 150 000 (zie artikel 32bd van de Wet LB). Het kan hierbij dus ook gaan om loon dat genoten werd in de jaren vóór 2012 respectievelijk 2013, maar waarover via een naheffing al dan niet als gevolg van een correctiebericht in 2012 respectievelijk 2013 loonbelasting is geheven. Dit is niet altijd eenvoudig (geautomatiseerd) vast te stellen. Daarnaast is deze mogelijkheid ook niet aan de orde geweest bij de parlementaire behandeling van de wettelijke regeling. Hierom keur ik voor de toepassing van de pseudo-eindheffing voor hoog loon het volgende goed met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule).

Goedkeuring voor de jaren 2013 respectievelijk 2014

6.1

Pseudo-eindheffing voor hoog loon 2013

Ik keur goed dat voor de berekening van de verschuldigde pseudo-eindheffing voor hoog loon buiten aanmerking blijft het loon dat vóór 2012 is genoten en waarover in 2012 met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b van de Wet LB belasting is geheven.

Ten overvloede merk ik op dat voor de pseudo-eindheffing voor hoog loon als grondslag relevant is het loon waarover in 2012 met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b van de Wet LB belasting is geheven.”

8. Gelet op de duidelijke bewoording van de laatste twee alinea’s van de goedkeuring blijft alleen loon dat is genoten vóór 2012 bij de berekening van de verschuldigde pseudo-eindheffing voor hoog loon buiten aanmerking. Zoals hierboven al is overwogen is er in het geval van de winstbonus van [persoon 6] geen sprake van ‘genieten’ vóór 2012. Voor het buiten aanmerking laten van de winstbonus voor de berekening van de pseudo-eindheffing is daarom geen goedkeuring verleend.

9. Voor zover eiseres zich daarop beroept, oordeelt de rechtbank dat in het onderhavige geval, gelet op de omvang van het eigen vermogen van eiseres, de pseudo-eindheffing hoog loon geen individuele en buitensporige last vormt en uit dien hoofde niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

10. In hetgeen eiseres stelt omtrent de (on)redelijkheid van de regeling kan de rechtbank niet treden. Het is de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van wettelijke bepalingen als zodanig te toetsen.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen wordt het beroep ongegrond verklaard.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, mr. E.I. Batelaan-Boomsma en mr. E. Kouwenhoven, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.