Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13828

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
16/24633 en 16/24634
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin-Bulgarije, claimakkoord o.g.v. art. 20, lid 5, Dublinverordening, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/24633 (beroep) en AWB 16/24634 (verzoek)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 15 november 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser en verzoeker, hierna: eiser,

gemachtigde: mr. G.A.P. Avontuur,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming van overdracht hangende het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Iraakse nationaliteit, heeft op 12 augustus 2016 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag. Aan het bestreden besluit ligt het volgende ten grondslag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 28 oktober 2015 een asielaanvraag in Bulgarije heeft ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder op 9 september 2016 op grond van artikel 18, eerste lid, van de Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening) een terugnameverzoek aan de Bulgaarse autoriteiten verzonden. Deze hebben op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening met dit verzoek ingestemd.

3. Eiser heeft in beroep primair aangevoerd dat hij geen asielaanvraag heeft ingediend in Bulgarije, zodat de grond aan het claimakkoord komt te ontvallen. Eiser is in Bulgarije gedwongen om vingerafdrukken af te staan. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar een rapport van Pro Asyl van december 2015. Subsidiair heeft eiser betoogd dat het claimakkoord op de verkeerde grondslag tot stand is gekomen, nu de Bulgaarse autoriteiten het terugnameverzoek hebben geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Dit impliceert immers dat eiser zijn asielverzoek in Bulgarije ingetrokken zou hebben. Eiser stelt geen asielaanvraag te hebben ingediend, laat staan deze te hebben ingetrokken. Verweerder had de Bulgaarse autoriteiten moeten vragen naar de status van het asielverzoek van eiser. Voorts heeft eiser betoogd dat vanwege de acceptatie op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening, onduidelijk is onder welk (terugkeer)regime hij valt en dus of hij na aankomst in Bulgarije gedetineerd zal worden. Hij verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 20 juni 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:7263). De detentieomstandigheden in Bulgarije leveren een situatie op die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tot slot stelt eiser dat ook voor het overige een overdracht naar Bulgarije een schending van artikel 3 van het EVRM zal opleveren, gelet op de systematische tekortkomingen in zowel de asielprocedure als de opvang. Eiser verwijst daartoe naar de bij zienswijze overgelegde rapporten.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Uit Eurodac blijkt dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend in Bulgarije. Bij het terugnameverzoek heeft verweerder de Bulgaarse autoriteiten geïnformeerd dat eiser heeft verklaard in Bulgarije geen asielaanvraag te hebben ingediend. Desondanks hebben zij het terugnameverzoek geaccepteerd. Dat het verzoek is geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening en de asielaanvraag van eiser dus zou zijn ingetrokken, betekent niet dat eiser nooit een aanvraag heeft ingediend. Verweerder mocht dan ook van het Eurodac-resultaat uitgaan. Het enkele feit dat eisers verklaringen overeenkomen met de inhoud van het rapport van Pro Asyl, is onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen leiden. De beroepsgrond faalt.

5. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om bij de Bulgaarse autoriteiten te informeren naar de status van het asielverzoek van eiser. Met het accepteren van het terugnameverzoek hebben de Bulgaarse autoriteiten immers gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat Bulgarije in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser.

6. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder het asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken, omdat overdracht aan Bulgarije zal leiden tot een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

7. Ten aanzien van eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 20 juni 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:7263) stelt de rechtbank vast dat voornoemde uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 25 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2931) is vernietigd. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat uit haar uitspraak van 15 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2076) reeds volgt dat de acceptatie van het terugnameverzoek op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening niet betekent dat in Bulgarije sprake is geweest van een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag die is geëindigd in een in rechte vaststaand besluit. De in die zaak genoemde rapporten bieden volgens de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de vreemdeling het risico loopt om na overdracht te worden gedetineerd. Nu eiser zijn stelling dat de Afdeling ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat alleen reeds afgewezen asielzoekers worden gedetineerd, niet heeft onderbouwd, faalt ook deze beroepsgrond.

8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat ten aanzien van de detentieomstandigheden in Bulgarije de ondergrens bereikt is. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is dat in het onderhavige geval echter niet van belang, omdat niet vast is komen te staan dat eiser na overdracht aan Bulgarije gedetineerd zal worden. Met betrekking tot de opvangvoorzieningen en de asielprocedure stelt de rechtbank vast dat eiser ter onderbouwing van zijn betoog slechts heeft verwezen naar zijn zienswijze. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit uitgebreid gereageerd op alle bij zienswijze overgelegde rapporten. Nu eiser in beroep niet heeft onderbouwd op welke onderdelen het bestreden besluit in dit verband onjuist is, faalt ook deze beroepsgrond.

9. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nr. AWB 16/24633:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nr. AWB 16/24634:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: